zondag 19 februari 2012

Internetmoeheid

Internet is een zegen – het valt niet te ontkennen. Een ieder die gebruik maakt van het internet, ervaart dat zijn of haar wereld zich in een heleboel opzichten uitbreidt. Het internet biedt mogelijkheden die intussen onmisbaar zijn en die ook ik – op basis van een houding die bepaald werd door het feit dat ik de PC ooit beschouwd heb als een veredelde typemachine – niet meer zou willen en kunnen ontberen. Formidabel wat het internet allemaal weet te ontsluiten. Je kunt zelfs stellen dat door het internet en de ervan afgeleide toepassingen dictaturen aan het wankelen zijn gebracht. En nog afgezien van de talloze toepassingen van het web (en automatisering überhaupt) in de zakelijke sfeer, hebben ook particulieren de producten op ICT-gebied van harte omarmd. Zie bijvoorbeeld de enorme markt van computergames en andere vormen van entertainment. Daarnaast zijn er al die andere voordelen van automatisering en van het internet. De snelle en directe communicatie via e-mail – met als nadelen de onpersoonlijkheid en het afstandelijke die uitnodigen tot verbale agressie. Het encyclopedische organisme van Wikipedia, onuitputtelijke bron van kennis – zij het kennis die kritisch bejegend dient te worden. Dan doet het internet dienst als enorme winkel die het mogelijk maakt om over de hele globe producten aan te schaffen (in mijn geval vrijwel uitsluitend boeken – van papier). De manier om informatie te vergaren en te verspreiden, bijvoorbeeld via dit vehikel, het weblog, is makkelijker dan ooit geworden. En hiermee heb ik dan meteen de toepassingen opgesomd waarvan ik gebruik maak – waarvan ik graag en naar hartelust gebruik maak. En dat is het dan ook. Maar dat geldt niet voor gemiddelde internetgebruiker. En dan belanden we aan bij de schaduwzijden die het internet, als alles, ook bezit.

Op bladzijde 93 van ‘De mannentester’ schrijft Heleen van Royen het volgende: ‘Ik kan de slaap niet vatten en verdwaal op internet. Dat gebeurt me wel vaker. Soms zoek ik naar informatie en brengt Google me bij heel iets anders waarover ik dan per se het naadje van de kous wil weten. (...) Er is zoveel om je aan te vergapen op het web, je zou er je leven lang ongestoord kunnen doorbrengen. Soms droom ik van een bestaan waarbij ik door een verlamming of een ander vervelend euvel aan bed ben gekluisterd met alleen een computer en een snelle internetverbinding. Eten laat ik bezorgen door een bezorgdienst. Ik heb een robot die me af en toe komt wassen en die alleen praat als ik zijn mond aanzet. Een zalig leven in ledigheid moet dat zijn. De wereld komt vanzelf to me, ik hoef geen praatje aan te knopen met de buurvrouw, word niet geconfronteerd met nare mensen die voordringen in winkels of die me snijden op de snelweg. De enige met wie ik overweg moet kunnen, ben ik en dat is nooit een probleem geweest.’

Dit extract uit ‘De mannentester’ verdient zonder twijfel het predikaat de ‘heetste’, meest pregnante passage te zijn – boordevol semi-sensationele informatie. Op de eerste plaats zit er in deze passage onbedoeld meer Van Royen dan Van Royen ooit zou toegeven, als ze zich er al bewust van zou zijn, hoewel ik die waarheid als een koe sinds het proces rondom ‘Ik heb altijd gelijk’ niet meer kan rechtvaardigen. En hoezeer dat excuus ook op een (flauwe) formaliteit moge berusten, dat is maar goed ook.

Tweede punt: dit fragment shockeert of zou moeten shockeren. Welk gezond mens verlangt er nu naar ‘een verlamming of een ander vervelend euvel’? Een ieder die te maken heeft met een, in dit geval lichamelijke beperking zal deze perverse opmerking als een klap in het gezicht ervaren. Heeft Van Royen, oh pardon, Victoria wel enig benul van de arrogantie en onzinnigheid van wat ze hier uitkraamt?

Het stuk tekst onthutst ook omdat het Van Royens gebrek aan mensenkennis openbaart. Van Royen heeft totaal niet in de smiezen hoe mensen (inclusief zij zelf) in elkaar steken. Want als een mens onder andere mensen verkeert, wil hij alleen zijn. En als een mens alleen is, dan wil hij onder de mensen zijn. Een mens wil altijd dat zijn wat hij niet is, of dat hebben wat hij niet heeft. Bijgevolg geldt voor alle wensen naar paradijselijke toestanden: zolang het bij verlangens blijft, is het goed. Zodra het verlangen verwezenlijkt is, volgt dodelijke verveling. De Talking Heads zongen het al: ‘heaven is a place where nothing happens’.

Ook de slotzin van het citaat duidt erop dat we hier wel met een erg eendimensionaal personage van doen hebben. Iemand die nooit een probleem met zichzelf heeft gehad, zal in het gunstigste geval gek van volmaaktheid zijn geworden.

De aangehaalde passage heeft vanzelfsprekend een functie, in dit uitermate op functionaliteit geënte boek ‘De mannentester’. Dit amusementsboek met een boodschap. Zij dient om de lezer ervan te doordringen dat er aan de rationele, koel calculerende Victoria ook een andere, meer menselijke of zelfs gevoelige kant zit, hetgeen de reeds genoemde eendimensionaliteit van het hoofdpersonage overigens niet teniet doet. Dat die menselijkheid of gevoeligheid zich bovendien vertaald heeft in een beeld van totale verkniptheid van het hoofdpersonage, ligt eveneens aan het lage niveau van Van Royens capaciteit als auteur.

Maar waar het mij in deze passage vooral om ging is de kritiekloze verering van het internet en de beschrijving van de onbedachte aanwending ervan. En wat dat aangaat, gedraagt Victoria zich als een modelgebruiker, althans bijna. Zij doet precies wat de touwtjestrekkers van hun marionetten verlangen. Het feit dat je onbeperkt kunt surfen en van het ene in het andere valt, is een van de factoren die heeft bijgedragen aan het weergaloze succes van het internet bij particuliere gebruikers – en misschien wel de belangrijkste factor. De mogelijkheid om te surfen bepaalde ook in hoge mate de overwaardering van het internet die gegrond is op het feit dat het internet en daarmee verwante producten en diensten ten behoeve van een tijdsbesteding worden ingezet die is gegrondvest op luiheid.

Surfen – als een ongeleid projectiel door de virtualiteit stuiteren – appelleert net als zappen aan de behoefte van mensen om ergens een snelle blik op of in te kunnen werpen – want in tegenstelling tot Victoria willen de meeste mensen helemaal niet het naadje van de kous van iets weten, integendeel: de aandacht geconcentreerd op iets richten is tegenwoordig uit den boze. Mensen willen zich niet nauwlettend verdiepen in iets, mensen willen een snelle blik achter een deur werpen om zich vervolgens onmiddellijk naar de volgende deur te spoeden. Het is hollen van de ene naar de andere prikkel. Voyeursgedrag, dat is het. Escapisme, dat is het. Des te oppervlakkiger, des te beter. En over dat alles hangt een zweem van oneindigheid. In de virtuele wereld bestaan immers geen grenzen meer. In het ergste geval wordt de virtuele wereld echt echter dan de echte wereld.

Een leven als surfer of een surfend leven, zoals Van Royen dat beschrijft, ik moet er niet aan denken. Het punt is dat voor veel internetgebruikers (en voor veel gebruikers van andere aan ICT gerelateerde gadgets – die niet allemaal even nuttig zijn, om het maar met een understatement te zeggen) het middel doel is geworden. Dat is bij mij – die, nogmaals, een PC ooit beschouwde als een veredelde typemachine – pertinent niet het geval. Voor mij zijn en blijven de PC en het internet middelen tot een doel en geen doelen op zich. Maar dat niet alleen. Ik wend de PC en het internet doelmatig aan, als middel dus, en staak het gebruik zodra ik mijn doel bereikt heb. Dus zodra ik uitgewinkeld ben of klaar met e-mailen of gelezen heb wat ik altijd lees (of volg), ben ik ook klaar. Natuurlijk heb ik wel eens gesurft, maar op een gegeven moment voelde ik verveling opkomen omdat het gesurfte mij niet kan bieden wat mij interesseert of boeit. Surfen is een te vrijblijvend en te zinloos tijdverdrijf. Die hele virtuele wereld is bovendien veel te groot. Het is allemaal veel te veel. Er treedt verzadiging op. Internetmoeheid. Eerst wist ik niet goed hoe ik daarmee om diende te gaan. Nu wel. Wanneer zich die internetmoeheid manifesteert, schakel ik de PC uit.

Internet is een zegen, maar heeft mijn wereld dermate uitgebreid, dat ik hem weer kleiner ben gaan maken. Want een leven zonder internet schiet tekort, maar een internetleven eveneens.

© 2012 Leo van der Sterren

Geen opmerkingen:

Een reactie posten