zaterdag 11 april 2020

Burgerlijk ongehoorzaam

Sinds een goede vriend uit Engeland in 2014 voorstelde om het jaar daarop in het noorden van Engeland (Lake District, Yorkshire) de coast-to-coast walk (van de Noordzee naar de Ierse zee of, gebruikelijker, want de wind in de rug, vice versa) te lopen, heb ik mij het wandelen als hobby toegeëigend. Voorheen had ik mij al jaren van sportieve activiteiten onthouden. De laatste keer dat ik gesport had (recreatief zaalvoetballen), was in 2007. Mijn lichaamsbeweging vanaf dat jaar bestond uit het mij naar en van de auto begeven – met een lichaamsgewicht dat zeven jaar later op grond van die instelling te verwachten viel, dus minstens vijftien kilo te zwaar.

Toen in 2016 mijn echtgenote overleed, veranderde de aard van mijn wandelactiviteit. Wandelen was vanaf dat moment niet maar gewoon een min of meer vrijblijvend tijdverdrijf, maar maakte een groot deel uit van wat ik als een soort heelmiddel zou willen bestempelen, een therapie om met verlies en rouw om te gaan. De vrijblijvendheid ervan verdween en promoveerde tot een (meestal prettige) plicht. Het niet voldoen aan die plicht resulteerde in lichte, maar niettemin zodanig zwaarwegende gevoelens van gewetenswroeging dat binnen blijven geen optie was. Sinds 2016 wandel ik veel en fanatiek. Wandeltochten van vijftig kilometer zijn geen uitzondering.

Dit is het weekend van de vierde week dat ik thuis werk. Op de donderdag van de eerste week was ik ’s middags zo gaar van het binnen zitten dat ik mezelf om drie uur het huis heb uitgejaagd en een dik uur gelopen heb. Daar knapte ik van op. Vanaf de tweede week heb ik mezelf gedwongen om elke dag twee wandeltochten te maken. Om twaalf uur loop ik minimaal een half uur en om vier uur minimaal drie kwartier. Naast de langere wandeltochten in het weekend blijkt dit de remedie te zijn tegen de malaise die het gevolg is van het noodgedwongen (alleen) thuis vertoeven. Nog afgezien van de frisse neus, blijf ik door dit regime fit. Bovendien zie ik op deze manier ook nog eens wat andere mensen. Ten slotte mist zo’n wandeling nog steeds zijn therapeutische werking niet, zelfs na al die jaren.

Overigens houd ik mij keurig aan de nieuwe regels, zijnde die van de anderhalve-meter-maatschappij. Ik loop in mijn eentje (ben ik trouwens ook gewend). Als ik mensen tegen kom, dan ga ik uiterst rechts lopen. Wat de langere wandeltochten betreft, die leg ik meestal in afgelegen gebieden af waar bijna niemand komt (ja, die zijn er nog, al worden ze schaarser).

Eergisteren publiceerde NRC een artikel van Onno van Schayck, hoogleraar preventieve geneeskunde, en Maartje Willeboordse, bewegingswetenschapper, beiden verbonden aan de Universiteit Maastricht, waarin zij pleitten voor een handhaving van het huidige beleid. Een verscherping van dat beleid, dus een lockdown met een verbod op recreatief buiten verblijven (het regime dat sinds deze week in Frankrijk geldt) zou in hun optiek ‘funest zijn voor het afweersysteem dat we nu zo hard nodig hebben.’ Bovendien is bewegen noodzakelijk om een afname van de spiermassa tegen te gaan, onder andere de spieren om adem te halen die van levensbelang zijn als iemand onverhoopt toch met een Covid-19-besmetting op de Intensive Care belandt. Dit argument voeg ik graag toe aan mijn lijstje van motieven om te wandelen.

Ik acht de kans niet groot, maar mocht de overheid er toch toe besluiten om een uitgaansverbod in te voeren, waarbij het niet meer toegestaan zal zijn om buiten te joggen, fietsen en wandelen, dan moet ik een beroep doen op mijn zelfbeschikkingsrecht als menselijk individu, een recht dat boven welke wet dan ook uitgaat, en kan ik, hoe gezagsgetrouw ik mij normaal ook gedraag, geen gevolg geven aan die lastgeving. De redenen om naar buiten te gaan wegen dan simpelweg zwaarder dan een oekaze van overheidswege. Dan maar burgerlijk ongehoorzaam. Dan maar de kans op een boete. In het geval dat zich het laatste inderdaad zal voordoen, dus dat ik een boete krijg, zal ik die tot de laatste instantie en snik aanvechten.

© 2020 Leo van der Sterren

zondag 29 maart 2020

Vette collage



© 2020 Leo van der Sterren

vrijdag 27 maart 2020

The Gun Club



© 2020 Leo van der Sterren

donderdag 26 maart 2020

De coronaviruscrisisblues

Bij Zeus, ik heb onnoemelijk de blues.
Heb de coronaviruscrisisblues.
Het leven kan soms heel vervelend doen,
maar wat er nu aan naars gevalt, jaagt mij
de stuipen op het lijf. Ik voel constant
en overal die stuipen, vergelijkbaar
met hoe een mens zijn eigen lijf ervaart,
maar dan met kleur en treurnis van de blues.

Bij Jezus Christus, wat heb ik de blues.
Ja, de coronaviruscrisisblues.
Wat een gedoe – en door een dingetje
dat met het blote oog niet eens te zien is!
Het ene na het andere bericht
van doem dringt door in onze wereld,
ons kleine eilandje van wij alleen,
en weet de grote wereld te ontwrichten.

Bij Bonaparte, balen van de blues,
genaamd coronaviruscrisisblues.
Net als het binnen blijven, bovenal
bij zonneschijn na al die bluesy regen,
is het sociale afstand houden lastig.
Het web van intermenselijk verkeer,
gesponnen over heel de wereld, is
miljarden maal gestanst tot kleinste weefsels.

Bij Ezra Pound, de blues die pijnigt mij.
Jow, de coronaviruscrisisblues.
In Pound z’n tijd had je de Spaanse Griep.
Een wreedaard die over de aarde waarde
en een complete slachtpartij aanrichtte
van wel een mens of zeventig miljoen.
Die luidde luid de noodlotsbel van: nu
ben jij daar aan de beurt! Vooruit, meekomen!

Tot slot ook bij Camus, ik voel de blues,
diep in mijn hart, door de coronapest.
Slecht voor de mens, maar voor het woord juist goed.
Dat doe ik dus, maar deed ik al: veel lezen,
proberen toch zoveel als kan op mijn
gemak te zijn, zelfs met de blues, met deze
coronaviruscrisisblues. De dood,
die vrees ik niet, het leven des te meer.

© 2021 Leo van der Sterren

zondag 16 februari 2020

The Gun Club


zaterdag 15 februari 2020

George Steiner


‘“There’s Roncevaux,” I said.
“Where?”
“Way off there where the mountain starts.”
“It’s cold up here,” Bill said.
“It’s high,” I said. “It must be twelve hundred metres.”
“It’awful cold,” Bill said.’

In het televisieprogramma ‘Van De Schoonheid En De Troost’ uit 2000 greep George Steiner bovenstaande passage uit de roman ‘The Sun Also Rises’ van Ernest Hemingway aan om een exposé te houden over de almaar minder wordende eruditie van de hedendaagse humanoria-studenten. De combinatie van de naam ‘Roncevaux’ met de opmerkingen over de koude, die de lezers van vijftig, zestig jaar geleden nog automatisch met het woord ‘verraad’ in verband zou brengen, zal bij de meeste hedendaagse lezers geen enkele associatie meer oproepen. De stijlfiguur van allusie die Hemingway hanteert zou dus van een voetnoot dienen te worden voorzien die de lezer van vandaag informeert over wat Hemingway ermee suggereert: het sneuvelen van de ridder Roeland, paladijn van Karel de Grote, als gevolg van slinks verraad voorafschaduwt het geval van verraad dat in ‘The Sun Also Rises’ voorkomt.

Steiner maakte zich zorgen over de afnemende kennis en, wellicht erger, de afnemende hunkering of urgentie om kennis te vergaren. Steiners vrees is niet ongegrond gebleken, maar hij is ervan verlost. George Steiner overleed op 3 februari jongstleden.

© 2020 Leo van der Sterren

vrijdag 3 januari 2020

De leeslijst van 2019


1. Carson McCullers, ‘De ballade van het treurige café’. Amsterdam, 2017.

2. ‘A Study Guide for Rebecca West’s “Black Lamb and Grey Falcon: A Journey through Yugoslavia”’. Farmington Hills, MI, 2002. Flutboekie. Weggegooid geld.

3. Rebecca West, ‘D.H. Lawrence’. London, 1930. Wests overpeinzingen naar aanleiding van het overlijden van de schrijver van ‘Sons and Lovers’ en ‘Lady Chatterly’s Lover’. Klein boekje, met veel moois van haarzelf, maar ook onnodig veel uit obituaries van anderen. Het volgende is van haarzelf. In 1920 verblijft West in Florence. Lawrence is net aangekomen in de stad van Dante – die hij niet kent. West zoekt hem op in zijn (armoedige) hotel en treft hem zittend achter zijn typemachine aan. Tot haar ontzetting en beschaming blijkt dat Lawrence stukken aan het schrijven is over een stad, Florence, waarvan hij amper nog iets heeft gezien. Tien jaar later ziet ze in dat ze Lawrences activiteit totaal verkeerd beoordeeld heeft. ‘I know now that he was writing about the state of his own soul at that moment, which, since our selfconsciousness is incomplete, and since in consequence our vocabulary also is incomplete, he could only render on symbolic terms; and the city of Florence was as good a symbol as any other. If he was foolish in taking the material universe and making allegations about it that were true only of the universe within his own soul, then Rimbaud was a great fool also. Or to go further back, so too was Dante who made a new Heaven and Hell and Purgatory as a symbol for the geography within his own breast, and so too was St. Augustine, when in The City of God he writes an attack on the pagan world, which is unjust so long as it is regarded as an account of events on the material plane, but which is beyond price as an account of the conflict in his soul between that which tended to death and that which tended to life. Lawrence was in fact no different from any other great artist who has felt the urgency to describe the unseen so keenly that he has rifled the seen of its vocabulary and diverted it to that purpose; and it took courage to do that in a land swamped with naturalism as England was when Lawrence began to write.’

4. Robert D. Kaplan, ‘Balkan Ghosts. A Journey Through History’. London, Basingstoke, 1995 [1993]. ‘Nazism, for instance, can claim Balkan origins.’

5. W.G. Sebald, ‘Logies in een landhuis’. Amsterdam, 2012. Opstellen over diverse Duitstalige auteurs en één schilder. Sebald weet op de hem eigen manier altijd te boeien.

6. Jürgen Fuchs, ‘das kleine buch über The Gun Club’. Berlin, 2009. Book-on-demand-boek dat het nadeel van het book-on-demand-principe toont: er worden (te) veel overbodige boeken geproduceerd waar in de regel amper demand voor is. Overigens is de auteur van dit boek redelijk thuis in zijn onderwerp. Eén ding: toen ik eind 1981 ‘Fire of Love’ op de draaitafel legde en de naald in de groef liet landen, wist ik niet wat ik hoorde. Ik was in elk geval meteen verkocht.

7. Katherine Mansfield, ‘Het tuinfeest en andere verhalen’. Amsterdam, 1986.

8. Katherine Mansfield, ‘Gelukzalig en andere verhalen’. Amsterdam, 1985.

9. Carson McCullers, ‘Op jouw bruiloft’. Amsterdam, 2019.

10. Kenah Cusanit, ‘Babel’. Berlin, 2019. Fabelachtige debuutroman van de etnologe, oud-oriëntaliste en dichteres Cusanit over de uitgraving van de ruïnes van de stad Babylon door de Duitse archeoloog en architect Robert Koldewey aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Fascinerend boek. Lezen!

11. Saskia de Coster, ‘Nachtouders’. Amsterdam, 2019.

12. Maria Todorova, ‘Imagining The Balkans’. Oxford, 2009 [1997]. De van oorsprong Bulgaarse Maria Todorova werpt haar licht op het fenomeen ‘Balkanisme’.

13. C. F. Melville, ‘Balkan Racket. The inside story of the political gangster plot which destroyed Yugoslavia and drove Britain out of the Balkans’. London, 1941.

14. Vesna Drapac, ‘Constructing Yugoslavia. A Transnational History’. Basingstoke/New York, 2010.

15. A. den Doolaard, ‘De herberg met het hoefijzer’. Amsterdam, 1986 [1933].

16. Eugene Michail, ‘The British and the Balkans. Forming Images of Foreign Lands, 1900 – 1950’. London, New York, 2013 [2011].

17. Michael Weichenhahn, ‘Der Panbabylonismus. Die Faszination des himmlichen Buches im Zeitalter der Zivilisation’. Berlin, 2016.

18. Jan Siebelink, ‘Jas van belofte’. Op bladzijde 27 van dit boekje noteerde ik met potlood: ‘Jan Siebelink, geboren 13 maart 1859 te Carnac, Bretagne.’ Op bladzijde 32 gearriveerd, ben ik na de volzin ‘Ik geloof erin dat die [de titel van een boek dat de protagonist Arthur Siebrandi aan het schrijven is] in een droom tot mij zal komen’ gestopt met lezen en heb ik het boekje dicht geslagen. ‘Jas van belofte’ getuigt in alles van de omstandigheid dat de meeste schrijvers het niet bij één of twee of drie boeken kunnen laten, maar menen te moeten doorgaan met schrijven, gedwongen om uiteindelijk, als de eigen werkelijkheid is uitgemelkt, het ene na het andere relaas uit hun duim te zuigen. Jan Siebelink zou beter niet aan dit boekje zijn begonnen. Dan was ons deze volstrekt overbodige, door het te veel aan veelheid juist niets meer zeggende, in archaïsch taalgebruik en anachronistische wereldvreemdheid gedrenkte novelle bespaard gebleven.

19. Roderick Beaton, ‘Byron’s War. Romantic Rebellion, Greek Revolution’. Cambridge, 2013. Fascinerend boek over Byron’s toewijding voor de ‘Cause’ van de Griekse onafhankelijkheidsstrijd in het eerste decennium van de negentiende eeuw. De wereldberoemde romantische dichter transformeert in een politicus wiens vermogen om de dingen realistisch onder ogen te zien en te relativeren, hem staande houdt in de maalstroom van een in anarchie te verzinken dreigend Griekenland. Byrons staatsmanschap was geen lang leven beschoren. Na een verblijf van niet meer dan honderd dagen sterft Byron op 19 april in 1824 in de Griekse kuststad Missolonghi.

20. Archibald Lyall, ‘The Balkan Road’. London, 1930. Geschreven in wat je zou kunnen omschrijven als een onschuldige tijd – voor de Tweede Wereldoorlog – waarin het nog als politiek niet incorrect gold om je westerse superioriteitsgevoel en antisemitisme openlijk te etaleren. Ik geef een paar voorbeelden: ‘The long black coats [van de Joden in Krakow] look smart enough on the students of Coimbra, but here in Poland the unattractive sight of these sordid, funeral figures does much to explain the frequency of pogroms.’ Of: ‘Once safely hatched under the royal wing, this cuckoo people [de Joden] showed, of course, their inevitable tendency to elbow out the natives.’ Ook de Turken kent Lyall al zo goed dat hij zich waagt aan gedegen volkenkundig commentaar: ‘The Turks still take their shoes off before entering [een moskee], a custom which has had the most pernicious effect upon the national well-being. For convenience when entering and leaving mosques, the Turk always wears loose slippers which slide easily on and off. Hence for centuries he has only been able to walk in a slovenly shuffle, and the whole people have become as slipshod in their character as in their movements.’ Hoe luidde een van de eerste zinnen in dit boek ook alweer? ‘There are too many people already, who go to a country for a week, become an Authority and write a book about it.’ Dat vermogen blijft gereserveerd voor de D. H. Lawrences van deze wereld..

21. Dries van Agt, ‘Palestina in doodsnood’. Nijmegen, 2019. Ik kan volledig instemmen met wat de voormalige premier van Nederland in dit pamflet stelt.

22. Cathie Carmichael, ‘A Concise History of Bosnia’. Cambridge, 2015. Deze geschiedenis van Bosnië en Hercegovina mag dan beknopt zijn, Carmichael weet toch een groot aantal, niet zelden charmante details in haar boekje te verwerken, bijvoorbeeld over het verblijf van Sigmund Freud in Hercegovina in 1898 of over de zangeres Silvana Armenulić, ‘refusing to pose in swimming gear on Belgrade television in 1972.’

23. Marcus Tanner, ‘Albania’s Mountain Queen. Edith Durham and The Balkans’. London, New York, 2014. De Engelse Edith Durham maakte aan het begin van de twintigste eeuw diverse reizen door de Balkan en legde haar ervaringen in diverse, destijds veelgelezen boeken vast. Uiteindelijk werd Albanië haar favoriete land. Durham is in Albanië bekender dan in haar geboorteland.

24. Bart van Loo, ‘De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen’. Amsterdam, 2019. Van dit boek had ik meer verwacht. Van Loo beroept zich veel te onkritisch op de welbekende (historische) bronnen en komt zo tot een homogeen en teleologisch betoog. Teleologisch, want het doel is: de onafhankelijkheid van België en Nederland. ‘De Bourgondiërs’ is het populairwetenschappelijke resultaat van te weinig studie, een gebrek aan verdieping en een te groot geloof in kronieken die als volstrekt onbetrouwbaar ontmaskerd zijn. Daardoor is ‘De Bourgondiërs’ veel meer populair dan wetenschappelijk geworden. Van Loo heeft zijn grote Bourgondische verhaal verteld – of de geijkte verhalen nagebauwd – en dat nadat ook die, en m.i. volledig terecht, al lang geleden zijn gedeconstrueerd en afgeschaft.

25. Manon Uphoff, ‘Vallen is als vliegen’. Amsterdam, Antwerpen, 2019. Beklemmende roman.

26. Michael Seymour, ‘Babylon: Legend, History and the Ancient City’. London, New York, 2016 [2014].

27. Andrea Wulf, Lillian Melcher, ‘De avonturen van Alexander van Humboldt’. Amsterdam, 2019. Non-fictiestrip over de reizen door het Amerikaanse continent die Alexander van Humboldt aan het begin van de negentiende eeuw maakte.

28. Holm Sundhaussen, ‘Geschichte Serbiens 19. – 21. Jahrhundert’. Wien, Köln, Weimar, 2007. Eén van de maximes van Sundhaussen die hij consequent aanwendt is: verleden en geschiedenis zijn niet identiek. Dat is in het geval van een van oudsher door mythes en propaganda doordrenkte samenleving als de Servische de juiste attitude. Sundhaussen schreef daardoor een subliem boek.

29. Jeanette Winterson, ‘Frankusstein. Een liefdesverhaal’. Amsterdam, Antwerpen, 2019. Prachtige roman waarin heden en verleden, non-fictie en fictie op een knappe manier in elkaar zijn gevlochten.

30. Paul van Ostaijen, ‘Brieven uit Miavoye’. Antwerpen, Amsterdam, 1932. De brieven uit de laatste levensperiode van Paul van Ostaijen toen hij in een sanatorium in Miavoye-Anthée verbleef om te genezen van longtubercolose. In maart 1928 overleed hij, 32 jaren jong en volgens mij zo eenzaam als mens maar zijn kan.

31. Koen Broucke, Peter Holvoet-Hanssen, Koen Peeters, Pascal Verbeken, ‘Miavoye. Op bedevaart naar Paul van Ostaijen’. Antwerpen, 2014. Wat een verschrikkelijk boek. Vier mannen van middelbare leeftijd gaan zogenaamd op bedevaart naar Miavoye, waar Paul van Ostaijen de laatste maanden van zijn leven sleet. Wat volgt is het verslag van een soort schoolreisje. Om blad te vullen werd er een bloemlezing uit de tekeningen en schilderijen aan toegevoegd, alsmede een keur uit de gedichten van Paul van Ostaijen. Afgezien van sommige foto’s een waardeloos boek.

32. Paul van Ostaijen en Emma Clément, ‘Ik heb je nog steeds lief. Paul van Ostaijen en Emma Clément. Een liefde in brieven (1922-1928). Ingeleid en geannoteerd door Marc Reynebau’. Gent, 1996. Briefwisseling van Paul van Ostaijen en de vrouw die de liefde van zijn leven genoemd kan worden.

33. Paul Hadermann, ‘Het vuur in de verte. Paul van Ostaijens kunstopvattingen in het licht van de Europese avant-garde’. Antwerpen, 1970.

34. Johannes Skylitzes, ‘Synopsis Historiarum’. Athene, 2000. Facsimilé van de codex Skyilitzes Matritensis, een denkelijk in de twaalfde eeuw vervaardigd handschrift dat nu in de Nationale Bibliotheek van Spanje bewaard wordt. De tekst omvat de geschiedenis van Byzantium tussen 811 en 1057 (maar een deel van het boek is verloren gegaan, onder andere het slot). De teksten in het manuscript zijn aangevuld met miniaturen. Van de waarschijnlijk meer dan 600 verluchtingen zijn er 574 gepreserveerd gebleven. Een duik in het verleden.

35. Vasili Tsamakda, ‘The Illustrated Chronicle of Ioannis Skylitzes in Madrid’. Leiden, 2002. Monografie over de Skylitzes Matritensis. Tsamakda concentreert zich op de miniaturen en op hun relatie met de tekst.

36. Paul Fregosi, ‘Jihad’. New York, 1998. Fregosi draagt in dit boek een bijna manicheïstisch standpunt uit dat de wereld simpelweg in goed en slecht verdeelt, en dat op een bijna kinderlijke wijze. De Arabieren, Moren, Saracenen, Ottomanen, Turken en Bosnische moslims zijn de bad guys – en de Hunnen en Mongolen deugen evenmin – terwijl de westerlingen (in dit geval de Europeanen) de good guys zijn. Fregosi vertelt de geschiedenis van de islamitische heilige oorlog op zo’n, de postmodernistische subtiliteit en neiging tot nuance volledig negerende manier, dat het hem tot een soort Steven Seagall van de Islamologie maakt.

37. W. F. Hermans, ‘Weg met de revolutie. Al zijn artikelen uit Elsevier Weekblad’. Diemen, 2019. Voor diegenen die het oeuvre van Hermans kennen, biedt dit boek veel herhaling van hetzelfde.

38. José Boyens, ‘De genese van BEZETTE STAD’. Antwerpen, 1996.

39. Takis Würger, ‘Stella’. Amsterdam, 2019.

40. M. M. Schoenmakers, ‘De vlucht van Gilles Speksneijder’. Amsterdam, 2019.

41. Wessel te Gussinklo, ‘De hoogstapelaar’. Amsterdam, 2019. Ik heb dit zo bejubelde boek na enkele tientallen bladzijdes gelezen te hebben, weg moeten leggen. De teneur van het verhaal luidt: hoe meesterlijk en bedreven kunnen mensen zichzelf voor de gek houden. Om dat te etaleren reconstrueert Wessel te Gussinklo het leven in de binnenkamer van de hoofdpersoon. Hij doet dat zo knap en zo adequaat dat het heel vermoeiend wordt, vond ik.

42. Marios Philippides, ‘Constantine XI Dragaš Palaeologus (1404 – 1453). The last emperor of Byzantium’. New York, 2019.

43. William Shakespeare, ‘Een midzomernachtdroom’. In: ‘Verzamelde werken. Komedies’. Antwerpen, 2014.

44. William Shakespeare, ‘Een midzomernachtsdroom. Naverteld door Barbara Kindermann met illustraties van Almud Kuvert.’ Rijswijk, 2008.

45. Thom Hoffman, ‘Een verborgen geschiedenis. Anders kijken naar Nederlands-Indië’. Zwolle, 2019.

46. Steven Runciman, ‘Die Eroberung von Konstantinopel’. München, 2012 [1966].

47. Jörg Müller, ‘Alle Jahre wieder saust der Presslufthammer nieder oder Die Veränderung der Landschaft’. Frankfurt am Main, 2017 [2016, 1973]. Prachtige prenten. Met dank aan de VPRO Gids.

48. Robin Cormack & Elizabeth Jeffreys (Eds.), ‘Through the Looking Glass. Byzantium through British Eyes’. Farnham (UK), Burlington (USA), 2000.

49. Lisa Kuitert, Maia Swaanswijk, Ton den Boon, ‘Lucebert de zin van het lezen’. Varik, 2019. Bont boekje met veel mooi bekijks. Tekstueel verdient Lucebert beter.

50. Historisch Platform Venray, ‘Venray tussen Peel en Maas. De Stad’. Woudrichem, 2019. Luxueus uitgegeven vier kilo zware pil over mijn woonplaats als stad. Met werkelijk prachtige foto’s. Toch beschouw ik Venray nog steeds niet als een stad, maar als een groot uitgevallen dorp met stadsallures. Ergo dit fabricaat.

51. Historisch Platform Venray, ‘Venray tussen Peel en Maas. De Dorpen’. Woudrichem, 2017. Over de kerkdorpen van Venray.

52. Hans Magnus Enzensberger, ‘Der Untergang der Titanic. Eine Komödie’. Frankfurt am Main, 2019 [1981, 1978].

53. ‘New Found Land. Eerste jaargang nr. 1/1981’. In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw verschenen er in totaal tien nummers van dit literaire tijdschrift, met in de redactie Hans Faverey, Louis Ferron, Hans Keller en Barber van de Pol. Dit eerste nummer van New Found Land begint met de afdeling ‘De lichting van de Titanic’ met onder andere de weergave van een gesprek dat Peter Nijmeijer met Hans Magnus Enzensberger had over ‘Der Untergang der Titanic’. In september 1981 uitgekomen heb ik mijn exemplaar op 18 september of 18 oktober 1981 voor negen gulden vijftig bij Dekker v.d. Vegt in Nijmegen gekocht (op het stickertje met de prijs zijn dag en jaartal nog te zien; de maand is vervaagd). Na bijna veertig jaar heb ik het dus eindelijk gelezen.

54. Susie Hodge, ‘Waarom zijn er zoveel blote mensen in de kunst’. Rotterdam, 2016.

55. Martien Frijns, ‘Maria Austria. Fotografe’. Enschede/Doetinchem, 2018.

56. Virginia Woolf, ‘Een kamer voor jezelf’. Utrecht, 2018. Toen Virginia Woolf ‘A Room of One’s Own’ schreef, kon het Verenigd Koninkrijk de benaming ‘VK’ nog naar believen inwisselen voor British Empire. Het was schier onmogelijk dat het daarmee gepaard gaande superioriteitsgevoel zich niet in de genen van Virginia Woolf zou hebben genesteld, om het maar eens op z’n Lamarckiaans te stellen. Die aangeboren gewaarwording van de eigen hoge kwaliteit en het overwicht over anderen werd vervolgens door de cultuur van die tijd (eind negentiende, begin twintigste eeuw) volmondig bevestigd, niet in de laatste plaats door talloze zogenaamd wetenschappelijke publicaties aangaande ras en sekse. Hoe dan ook, het bewustzijn van de eigen verhevenheid en beschaafdheid maakte op een destijds volstrekt natuurlijke manier deel uit van Woolfs persoonlijkheid. En zo kwam het dat zij die pleitte voor de emancipatie van de vrouw, blind was voor andere, even, zo niet veel erger schrijnende ongelijkheden. Er kleefde – kleeft – een racistisch, antisemitisch en eugenetisch randje aan Virginia Woolf dat weliswaar bij haar tijd hoort, maar desondanks te laken valt, omdat wij beter weten, of in elk geval beter zouden moeten weten, al betalen ook wij de pacht voor de wijsheid zonder te weten of we hem ook hebben.

57. Olivia Laing, ‘De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn’. Amsterdam, 2016.
Typisch Laing. Mooi boek.

58. Antonio Scurati, ‘M. De zoon van de eeuw’. Amsterdam, 2019. Roman over de beginjaren van het Italiaanse fascisme.

59. Synesios van Kyrene, ‘Dans die het heelal omkranst. Negen hymnen aan de Ene vertaald en toegelicht door Piet Gerbrandy’. Budel, 2016.

60. Donald J. Childs, ‘Modernism and Eugenics. Woolf, Eliot, Yeats, and the Culture of Degeneration’. Cambridge, 2006 [2001].

61. Ezra Pound, ‘A Walking Tour in Southern France. Ezra Pound among the Troubadours. Edited by Richard Sieburth’. New York, 1992.

62. James Thomson, ‘The City of Dreadful Night’ (1874). In: James Thomson, ‘The City of Dreadful Night and Other Poems. Being a Selection of the Poetical Works of James Thomson’. London, 1919 [reprint]. Depressie, slapeloosheid en alcoholisme met een flinke scheut Victoriaanse gothic. Maar: ‘In the 1980s she [Valerie Eliot, de weduwe van T. S.] wrote me [Robert Crawford, auteur van ‘Young Eliot’] a few letters, telling me (…) how, while she “darned his socks”, Eliot would read to her from Victorian poet James Thomson’s despairing masterpiece, The City of Dreadful Night.’ (Robert Crawford, ‘Young Eliot. From St. Louis to The Waste Land’, New York, 2015, p. 5).

En voor wie het weten wil: het boek van Kenah Cusanit, ‘Babel’, was veruit het meest aansprekende boek dat ik vorig jaar gelezen heb. Aan diegenen die de Duitse taal niet meesteren, ik hoop oprecht dat dit boek in het Nederlands vertaald gaat worden.

© 2020 Leo van der Sterren