woensdag 28 november 2018

Maffe collage



© 2018 Leo van der Sterren

zaterdag 10 november 2018

Apollinaires dood 2

Maar – afgezien van zijn broze gezondheid – het gaat Guillaume Apollinaire voor de wind in 1918. In januari 1918 publiceert Éditions SIC zijn toneelstuk ‘Les Mamelles de Tirésias’. Zijn gedicht, ‘La Jolie Rousse’, opgedragen aan zijn nieuwe, inderdaad roodharige metgezel Jacqueline Kolb, verschijnt in maart in het tijdschrift L'Éventail. Op april brengt uitgeverij Mercure de France zijn tweede, opnieuw lijvige gedichtenbundel ‘Calligrammes’ uit die talloze beeldgedichten bevat.

Op 2 mei trouwt hij met Jacqueline Kolb in het gemeentehuis van het Zevende Arrondissement. Pablo Picasso, Gabrielle Buffet-Picabia, Lucien Descaves en de kunsthandelaar Ambroise Vollard treden aan als getuigen. Daarna begeeft het gezelschap zich naar de kerk van de parochie Saint-Thomas-d’Aquin. Eindelijk heeft de mal aimé zijn lief gevonden. Dankzij Jacqueline bleef Apollinaires nalatenschap goeddeels intact, uitmondend in talloze postume publicaties. Op 28 juli wordt Apollinaire gepromoveerd tot luitenant. In augustus genieten de Apollinaires van een vakantie in Kervoyal aan de Normandische kust. Ondanks zijn zwakke gestel loopt Apollinaire over van ideeën en werkt hij gestaag door. Totdat het noodlot hem treft in de hoedanigheid van de Spaanse griep. Totdat de dood hem velt.

Maar zo gaat dat. We ervaren het allemaal of zullen het op enig moment ervaren. Alsof het niets voorstelt, glijden onze dierbaren over gladde banen die wij, die nog niet sterven moeten, niet waarnemen, het domein van het Niets in – waar niets is en niets dan niets zal zijn. Maar dan nog, niemand weet hoe het echt is, niemand weet hoe het is om te sterven.

Intussen. Vandaag precies honderd jaar geleden betreedt de afgedankte en versmade Duitse keizer Wilhelm II bij Eijsden Nederlandse bodem en vraagt asiel aan bij koningin Wilhelmina die verrassing veinst. Wilhelmina zal altijd vol blijven houden dat zij niets wist van de komst van haar Onkel Willy. Zo is het leven: de enen gaan dood en de anderen modderen door in onvolkomenheid.

© 2018 Leo van der Sterren

vrijdag 9 november 2018

Apollinaires dood




Op zaterdag 9 november 1918 zitten zijn echtgenote Jacqueline en zijn vrienden Max Jacob en Jean Cocteau in het appartement 202 boulevard Saint-Germain rond het bed van Guillaume Apollinaire die sinds enkele dagen de griep onder de leden heeft. Op 3 november had Apollinaire nog bij restaurant Baty geluncht met Blaise Cendrars die hem bij die gelegenheid een flacon Haarlemmerolie had meegegeven waarvan Cendrars later beweren zou dat hij die op de achtste november ongeopend bij de dichter had aangetroffen.

Waarschijnlijk voelde Apollinaire zich op 3 november al niet lekker en had Cendrars hem daarom de Haarlemmerolie meegegeven. Een goedbedoelde vriendendienst. Omdat Cendrars besefte dat Apollinaire de ernstige verwonding aan het front in 1916 en de daarop volgende operatie nooit helemaal te boven was gekomen. Apollinaire bleef zwak en ontvankelijk voor aandoeningen. Aan het begin van het jaar had hij nog longontsteking gehad. En nu is de dichter van ‘Zone’ en ‘Calligrammes’ serieus geveld door de griep. Serieus ja, want het gaat niet om een gewoon griepje, het gaat om de Spaanse variant die sinds kort als een soort moderne zwarte pest hele volksstammen decimeert en aldus het morbide sluitstuk vormt van vier apocalyptische oorlogsjaren.

Maar wat hij naderhand ook beweren moge, Blaise Cendrars is er niet bij daar aan 202 boulevard Saint-Germain – niet op de achtste, als er al gewaakt wordt bij de dichter, en evenmin op de negende. Dat van die ongeopende flacon Haarlemmerolie moet op een eerdere dag geweest zijn, tussen de derde en de achtste van die maand, net als zijn bewering dat hij dokter Capmas op de achtste november heeft laten komen. Of Cendrars heeft het uit zijn duim gezogen. Hij is in elk geval ook een dichter.

Op zeker moment op die negende november dringen er van buiten op straat kreten en uitroepen door: ‘à mort Guillaume’, ‘à bas Guillaume’. Mocht Apollinaire die spontane uitingen van volkswoede geregistreerd hebben, dan zullen die hem zeer bevreemd hebben, en misschien zelfs beangstigd. ‘Hebben ze het over mij?’ zal hij in zijn koortsachtige verwarring gedacht hebben. Maar die spontane uitingen van volkswoede waren gericht tegen de Duitse keizer Wilhelm II die dan net afstand van de troon heeft gedaan. En waarschijnlijk had de Spaanse pest Apollinaires bewustzijn al dermate gereduceerd dat hij helemaal niets meer opmerkte.

Om vijf uur in de middag als de schemering zich op Parijs neerlegt en donkerte de kamer vult, buigt iemand zich over de zieke. Maar die is dan al niet ziek meer. Men steekt een lamp aan. Apollinaire oogt kalm en jong. ‘Son visage est calme et tout jeune,’ zal Cocteau om middernacht schrijven in een brief aan André Salmon. Maar eerst : ‘Le pauvre apollinaire [sic] est mort’. En Picasso is er kapot van. ‘Picasso est trop triste pour écrire’. Twee dagen voordat de wapenstilstand in het westen een einde maakt aan de laatste krijgshandelingen van de Eerste Wereldoorlog heeft de Spaanse griep een einde gemaakt aan het leven van de grote dichter Guillaume Apollinaire, vandaag precies honderd jaar geleden.

© 2018 Leo van der Sterren

maandag 10 september 2018

Weevolle erfenis

In zijn boek ‘Hitler. Der Künstler als Politiker und Feldherr. Eine Herrschaftsanalyse’ etaleert Wolfram Pyta een fascinerende visie op Adolf Hitler. Pyta volgt daarbij de recentelijk vigerende tendens om Hitler als politicus en als veldheer vanuit zijn, door hem zelf gecultiveerde en potsierlijk opgeklopte kunstenaarschap en de daaruit volgende vooronderstelde genialiteit te duiden. De aanzet tot die nieuwe trend in de Hitler-Forschung werd gezet door het werk van onder anderen Brigitte Hamann en Birgit Schwarz. De boeken van Hamann gaan over Hitlers jaren in Wenen, over zijn (naar het bezetene neigende) begeestering voor de muziek van Richard Wagner en over de familie Wagner, nazaten van de grote componist, die zich vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw voor Hitler tot een soort surrogaatfamilie ontpopte. Schwarz schreef over Hitlers verhouding tot de kunst – in zijn rol als kunstenaar en als kunstgenieter en verzamelaar van kunstwerken. Daarmee vestigden zij het raamwerk waarop Pyta voortborduurt. Wolfram Pyta stelt: ‘Der Politiker Hitler ist ohne dem Künstler Hitler nicht denkbar’. En de veldheer Hitler is zonder de politicus Hitler niet denkbaar, zou je daaraan kunnen toevoegen.

Maar eerst dit – ten einde duidelijk te maken waar ik sta: Adolf Hitler als een geesteszieke kwalificeren doet mijns inziens de werkelijkheid die geweest is geen recht. Dat predicaat dekt de lading niet. Adolf Hitler mag – moet – een zonderling genoemd worden; anderzijds was hij ‘normaler’ dan soms gemeend wordt. Maar het convenieert vaak om wandaden toe te schrijven aan lieden die niet sporen. ‘Normale’ mensen laten dergelijke wandaden achterwege. Die rationalisatie stelt gerust, maar steunt op een denkfout waarin een zeker gevaar schuilt omdat zij ertoe kan leiden om onaangename feiten te verbloemen. En het is een feit dat mensen – zonder ook maar één uitzondering – tot monsters kunnen ontaarden.

Uiteindelijk functioneerde Hitler slechts als uitvoerder, op de keper beschouwd een bureaucraat onder de bureaucraten. Maar in de jaren vanaf ongeveer 1850 was de bodem voor een aannemer zoals Hitler zo vruchtbaar gemaakt, dat het niet verwondert dat het wereldgebeuren de loop genomen heeft die nu als geschiedenis te boek staat. Des te erger dat een zo goed als inhoudsloze klaploper deze rol op zich heeft kunnen nemen. Des te erger en nog steeds onbegrijpelijk. Maar zo gaat het in het leven, kun je met een dooddoener stellen (maar dooddoeners zijn zo vaak zo waar). Er mag wel vooruitgang zijn, maar eigenlijk zijn mensen op hetzelfde niveau als vijfhonderd of tweeduizend jaar geleden blijven steken: elke nieuwe mens moet telkens weer zelf leren leven en leert daarbij niet van de fouten uit het verleden. Om het over beschaving maar helemaal niet te hebben.

De Romantiek en de bevrijdingsoorlogen tegen Napoleon hadden in de vroege negentiende eeuw bij alle Europese volken of etnische eenheden de interesse naar de eigen oorsprongen gewekt en daarmee een niet zelden virulent collectiviteitsdenken aangewakkerd. Dit nationalisme ging in de tweede helft van de negentiende eeuw een alliantie aan met het Darwinisme, zij het een gesimplificeerde variant van Darwins leer, en met een nieuwe wetenschap, de eugenetica. En toen dienden zich de ‘filosofen’ aan: Arthur de Gobineau, Houston Stewart Chamberlain, Oswald Spengler, Max Nordau, Otto Weininger, Friedrich Ratzel, Arthur Moeller van den Bruck plus een hele serie van nog veel dwazere onheilsprofeten.

Nationalisme, eugenetica, de oneigenlijke toepassing van Darwins denkbeelden uitmondend in het Sociaal-Darwinisme, superioriteitswaan, gebruik en misbruik van de denkbeelden van Schopenhauer en Nietzsche – een ongekende mixtuur ontwikkelde zich. Prominente leden van de elite deden een duit in het zakje. Kaiser Wilhelm II correspondeerde met Chamberlain die met een dochter van Richard Wagner trouwde. Elisabeth Nietzsche leidde de erfenis van haar, overigens niet van dubieuze denkbeelden vrij te pleiten broer Friedrich in Arische banen. De burgemeester van Wenen Karl Lueger beleed openlijk zijn antisemitisme. In Frankrijk leidde de Dreyfus-affaire bijna tot een burgeroorlog. Nadat zij op straat geconfronteerd werd met een groep geesteszieken liet Virginia Woolf zich de opmerking ontvallen dat die zeker gedood dienden te worden.

Het is even onthutsend als walgelijk om te moeten constateren, maar het kwam in de mode om onderscheid te maken tussen hoge en lage rassen, tussen grote en minder grote volken, tussen Herrenmenschen (herenmensen) en Herdenmenschen (kuddemensen), tussen Übermenschen en Untermenschen. Er werd zonder enig voorbehoud gerept van rassenkweek en van het rein houden van bloed en bodem. Een dankbaar doelwit vormden, zoals zo vaak in de Europese geschiedenis, de joden. In deze periode echter kreeg de Jodenhaat een meer structureel karakter. En ook vrouwen, leden van de lagere klasse, niet-blanke mensen, Slaven, Roma en Sinti en geesteszieken werden in bepaalde kringen als minderwaardig beschouwd. In die milieus bleven in elk geval maar heel weinig categorieën over die wel deugden – nee, eigenlijk maar één categorie: de aristocratische of zich aristocratisch wanende, hoog opgeleide blanke man.

In een soort collectieve hersenspoeling waartegen te weinig leden van de leidende klassen in Europa zich wilden of wisten te wapenen, versterkten de filosofen van de koude grond het toch al heersende nationalistische en racistische gedachtegoed. Bovendien werden door het vaak haatdragende en opzwepende karakter van dit soort uitingen in heel het Avondland de geesten rijp gemaakt voor extreme uitwegen. Het enthousiasme waarmee Europeanen de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog begroetten, sprak dienaangaande boekdelen. Nu kon eindelijk de op springen staande ketel van het chauvinisme van de veel te hoge druk verlost worden. Nu kon op de slagvelden het purgerende en verlossende werk beginnen want in en door de oorlog zouden de lagere rassen en klassen het onderspit delven.

Het einde van de Eerste Wereldoorlog – met de trieste slotakkoorden: dolkstootlegende, Versailles, economische crisis – loste echter niets op – integendeel. Gedurende het interbellum werd in het bijzonder in de Duitstalige gebieden (Duitsland en Oostenrijk waren immers de verliezers van de Eerste Wereldoorlog) aan het extreme nationalisme en racisme dat in vele kringen gemeengoed was geworden, een virulent ressentiment (vanwege die slotakkoorden) en een even biedermeierachtig als bombastisch en pathetisch antimodernistisch romanticisme toegevoegd. En in teveel Duitse achterhoofden bleef het hardnekkige droombeeld woekeren dat Duitsland de macht over de hele wereld toe zou moeten komen. Dat leverde een explosief mengsel op. Het was slechts wachten op een uitvoerder die de woorden in daden zou omzetten en echte verlossing zou brengen. Die aannemer was Adolf Hitler.

Hitler schrijft het meteen in het begin van het onlangs opnieuw in Nederland uitgegeven ‘Mein Kampf’ dat overigens een sammelsurium behelst van de ideeën die destijds gemeengoed waren – ‘Mein Kampf’ bevat niet één oorspronkelijk denkbeeld, de schrijver ervan heeft jan en alleman nagebauwd zonder ook maar een flinter originaliteit. Hitler beschrijft dat toen hij in 1905 in het Linzer Landestheater de opera ‘Lohengrin’ van Richard Wagner bijwoonde (en daarna als Wagner-adept regelmatig operahuizen frequenteerde, vooral in Wenen, om Wagners opera’s te zien en te horen), hij in de al latente roeping bevestigd werd dat hij niet het beroep van ambtenaar zou uitoefenen, zoals zijn vader wenste, maar dat hij zich als kunstschilder wilde ontplooien. Zijn streven mislukte, maar weerhield hem er niet van om, uitgerekend als miskende kunstenaar, zijn kunstenaarschap te profileren en er later zijn genialiteit uit te distilleren. Zoals al aangegeven stoelden beide eigenschappen op een fundament dat eigenlijk niet bestond. Als kunstschilder bleef Hitler steken op het niveau van een verdienstelijke amateur. Als decorbouwer en architect – Baumeister, jazeker – maakte hij handig gebruik van zijn tekentalent. En door zijn inderdaad fenomenale geheugen wist hij alle ideeën die hij, een veel belezen, maar niet-erudiete autodidact, in de afgelopen jaren had opgedaan, te systematiseren en gereed te maken voor politiek gebruik. Maar nogmaals: dat systeem bevatte niet één gedachte die van Hitler zelf afkomstig was. Hij bracht hoegenaamd niet nieuws. Toch begon hij nu, en met succes, zijn visie (Weltanschauung) te verkondigen.

Toen Hitler vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw zijn onmiskenbare talent als redenaar ontwikkelde en ontdekte hoeveel indruk hij maakte met zijn optredens, voedden die omstandigheden bij hem de notie dat hij met genialiteit behept was. In zijn eigen beleving bloeide hij op tot de bejubelde held die hij voor veel Duitsers (en voor veel niet-Duitsers) ook daadwerkelijk werd. Hitlers gehoor en omgeving hielden niet op om die waan te versterken, zodat uiteindelijk voor nagenoeg iedereen gold dat er wel een kern van waarheid in moest zitten: Hitler was een charismatisch genie – punt uit. Zijn populariteit nam reusachtige proporties aan.

Nadat Hitler zijn machtsbasis in Duitsland geconsolideerd had en erop boogde de Duitse economie uit het slop getrokken te hebben (wat overigens in mindere mate het geval was als algemeen verondersteld wordt – de welvaart nam in de jaren dertig nauwelijks toe en brokkelde na het begin van de Tweede Wereldoorlog zienderogen af), aldus zijn politieke genialiteit geopenbaard hebbend, zette hij zijn plannen tot expansie van het Duitse grondgebied in daden om. Daarbij werd hem aanvankelijk nauwelijks een strobreed in de weg gelegd. Saarland, Oostenrijk, Tsjechië, het ging vrijwel vanzelf. Moest hij voor veldtocht in Polen het krijgsplan en de uitvoering ervan nog aan de legerleiding overlaten, vanaf de overrompeling van West-Europa, waarvoor Hitler zelf de strategie had bepaald door iets te doen wat niemand verwachtte, namelijk door de speerpunt van de aanval op de relatief ontoegankelijke Ardennen te richten en zo de Maginotlinie te omzeilen, gingen ook de ogen van de meest sceptische en kritische legerleiders open: vanaf nu gold Hitler niet alleen als een politiek, maar ook als een militair genie.

Het eclatante succes had ook zijn schaduwzijde. Met zijn evidente gebrek aan zelfreflectie en zelfkritiek en zijn onwil om naar raad te luisteren, vooral als die afkomstig was van intellectuelen in het algemeen en van de in zijn ogen intellectuele snobs van de generale staf van het leger in het bijzonder, trapte Hitler voluit in de val van de eigendunk om zich zonder enige restrictie naar die hoogmoed te gaan gedragen. Een vriend vanaf het eerste politieke uur (zij het niet tot het laatste) Ernst Hanfstaengl repte van ‘ärgerliche Besserwisserei’. De soms urenlange monologen die Hitler in kleine gezelschappen afstak, etaleerden zijn grenzeloze ijdelheid en zelfoverschatting.

Vanaf de Blitzkrieg in het westen mocht Hitler zich een veldheer in de ware zin van het woord noemen, en een genie van het formaat van een Frederik de Grote, zijn grootste voorbeeld uit de geschiedenis. Het was Hitler die – op basis van landkaarten en ook niets anders dan het cartografische hulpmiddel – bepaalde hoe de oorlog gevoerd werd. Als kunstenaar had hij zo’n inzicht in ruimtelijkheid, zo meende hij, dat hij niet alleen de oorlog in de lucht en op zee te weinig aandacht schonk, maar ook feiten en getallen totaal negeerde. Deze omstandigheden ontaardden gaandeweg in een ontkenning van de werkelijkheid die, op dat niveau, zijn weerga nauwelijks kent. Na twee keer een succesvolle Blitzkrieg gevoerd te hebben waarbij het relatief nieuwe wapen van de tank de doorslag gaf (de aanval op Frankrijk en de aanval op de Sovjet-Unie, althans gedurende de eerste maanden), veranderde Hitler ineens de strategie en transformeerde hij plotsklaps tot een expert in de kunst van de verdediging waarbij hij door de aanleg van uitgebreide verdedigingswerken ook zijn lusten als Baumeister kon botvieren. Een motief om net voor Moskou de tanks stil te zetten (zoals hij dat ook bij Duinkerken had gedaan), zou, bewust of onbewust, in het feit gelegen kunnen zijn dat bepaalde tankcommandanten teveel eer hadden kunnen opstrijken en zich op een genialiteit zouden hebben kunnen beroemen die hij, Hitler, uitsluitend voor zichzelf had gereserveerd. Hitler zorgde ervoor dat er geen concurrent in de publieke ruimte oprees die zich tussen hem en de schijnwerpers van de faam wist te wringen, de absoluutheid van zijn alleenheerschappij in gevaar brengend.

Toen na Stalingrad de krijgskansen gekeerd waren en de Duitse troepen aan het Oostfront het initiatief voorgoed uit handen hadden gegeven, introduceerde Hitler het concept van de vesting (Fester Platz). Hij zelf bepaalde welke steden tot vestingen bestempeld werden. Elke vesting diende tot de laatste man verdedigd te worden. Op terugtrekking en overgave stonden zware sancties. Het vestingenconcept mislukte omdat het Rode Leger de vestingen simpelweg links en rechts voorbij trok. Wanneer omsingeling dreigde en de generale staf en soms ook de commandanten van de vestingen aandrongen om door terugtrekking aan omsingeling te ontsnappen, daarmee de vesting prijs te geven, weigerde de dogmaticus Hitler systematisch om daaraan toe te geven. De gevolgen waren desastreus. Zo desastreus dat een groep officieren uit de omgeving van de door Hitler toch al verachte generale staf zelfs de stap nam om Hitler uit de weg te ruimen. Was Hitler al niet voor raad en rede vatbaar, na die mislukte aanslag in 1944 werd de communicatie nagenoeg onmogelijk.

De beschrijving die Pyta geeft van het laatste jaar van de oorlog biedt een inkijkje in de ontluisterende absurditeit ervan. Pyta toont een Hitler die, gebogen over stafkaarten vol vlaggetjes die legereenheden symboliseren die in werkelijkheid nauwelijks of niet meer bestaan, er niet over peinsde om de strijd te staken. Hij weigerde de actualiteit onder ogen te zien. ‘Was er [Hitler] hören wollte, ließ er sich erzählen, alles andere wies er ab,’ meldt een ooggetuige. Tot het laatst hoopte Hitler op de werking van het toeval. Hij, de dilettant die zichzelf tot genie verklaard had, vertrouwde op het onverwachte. Was het niet tijdens het dieptepunt van de Zevenjarige Oorlog dat door de dood van de Russische tsarin de krijgskansen ineens keerden en Frederik de Grote Pruisen naar de overwinning kon leiden? Hierop had Hitler zijn hoop gevestigd, vooral toen op 12 april 1945 Roosevelt stierf. Nu zou de alliantie tussen de USA en Engeland enerzijds en de Sovjet Unie anderzijds uiteenvallen, zo namen Hitler en Goebbels euforisch aan.

Deze volhardendheid was bedoeld voor zijn, overigens steeds kleiner wordende publiek. Hitler besefte vanaf een bepaald moment – in juli 1943, na de verloren slag bij Koersk, of wellicht al zo vroeg als in februari van dat jaar toen Stalingrad was gevallen? – heel goed dat de krijgskansen niet meer in het voordeel van Duitsland om te buigen waren. De dubbele agenda die hij voerde droeg hem nu op om het Duitse volk – dat niet aan zijn eisen had kunnen voldoen en hem dus eigenlijk onwaardig was gebleken – tot het bittere einde door te laten vechten en daarmee de vernietiging ervan te bewerkstelligen. Zo zag de straf er uit die hij voor zijn volk in petto had, hij die simpelweg een beter volk had verdiend.

Pyta’s boek staat expliciet niet als biografie te boek. Zijn monografie biedt een analyse van een heerschappij waarvan de oorsprong in de kunst gezocht moet worden en hij slaagt erin die these aannemelijk te maken. Pyta knoopt aan bij werken van Brigitte Hamann en Birgit Schwarz die, zoals al gesteld, een grote nadruk legden op Hitlers relatie met de kunst. Maar Pyta gaat verder. Hij toont aan dat Hitlers kunstbeleving een directe invloed had op zijn optreden als politicus en als veldheer waarbij dat laatste uiteindelijk funest uitwerkte; de conclusie moet dan ook luiden dat Hitler zowel in zijn rol als politicus als in zijn positie als militaire bevelhebber een dilettant met heel veel dom geluk was. Aldus, met de kunst als basis en aangedreven door een flinke dosis toeval, wist deze praatgrage en praatjes makende nietsnut uit te groeien tot een van de meest prominente, meest bepalende en meest verderfelijke figuren uit de geschiedenis ooit. Daarbij mag, waar het om die verderfelijkheid gaat, de meer dan wrange omstandigheid niet uit het oog verloren worden die voor meer misdadigers tegen de menselijkheid geldt: Hitler persoonlijk heeft geen mens lichamelijk letsel toegebracht. Misschien heeft hij zelfs nog geen vlieg kwaad gedaan. Hitlers handen zijn schoon gebleven. Hij heeft ze niet vuil gemaakt gedurende de Eerste Wereldoorlog toen hij vier jaar aan het front verbleef maar als verbindingsman niet zelden een heel eind achter de linies werkte. Hij hield ze schoon gedurende de Kampfzeit toen het op straat vaak op serieus knokken uitdraaide waarbij niet zelden doden vielen. Zelfs toen de slachting van de Tweede Wereldoorlog zich voltrok, wist Hitler zijn lichaam van bloed te vrijwaren.

In de regel vermeed Hitler het front. Hij hield zich verre van het vechten. Iedereen ondervond de verschrikkingen van de oorlog, niemand kon ontsnappen aan de vreselijke beelden van de gevolgen van het helse woeden. Behalve de instigator ervan. Wanneer hij door de verwoeste Duitse steden moest reizen, trachtte Hitler te voorkomen dat hij daarvan ook maar iets van mee kreeg. Wat hij miljoenen mensen aandeed, daaraan ontsnapte hij zelf. Door zichzelf niet bloot te stellen aan de werkelijkheid van de oorlog, beroofde Hitler de oorlog van zijn lichamelijkheid en daarmee nog verder van zijn realiteit. De oorlog verwerd voor hem almaar meer tot een abstract fenomeen. Hitlers afstandelijke manier van oorlogsvoering voorzag het hele helse gebeuren van een component van vrijblijvendheid en van luchtigheid. Hitlers oorlog leek op een bordspel dat zich op het papier van de stafkaarten afspeelde. Hij voerde een ideële strijd die echter een alles verachtende en alles verwoestende uitwerking op de werkelijkheid had. Pyta beschrijft hoe het zover heeft kunnen komen. De conclusie na lezing van diens boek moet zijn: zo zou het inderdaad allemaal plaats gevonden kunnen hebben.

Na de lectuur van Wolfram Pyta’s monografie stond ‘“Wehvolles Erbe” Richard Wagner in Deutschland. Hitler, Knappertsbusch, Mann’ van Hans Rudolf Vaget op het programma. Dit, wat mij betreft formidabele boek geldt als verplichte kost voor iedereen die zich interesseert voor Adolf Hitler en het nationaalsocialisme. Vaget voert drie protagonisten op en doet de verhouding van deze tijdgenoten tot elkaar en tot Richard Wagner en de erfenis van die grote componist uit de doeken. De lotgevallen van Adolf Hitler, Hans Knappertsbusch en Thomas Mann waren gedurende de eerste vier decennia van de twintigste eeuw nauw verweven met elkaar en in het middelpunt van dat weefsel prijkte de monumentale gestalte van Richard Wagner die zij alle drie verafgoodden. Overigens oogt Knappertsbusch in deze triptiek ietwat pover. Hij is meer figurant dan protagonist – zij het een niet onbelangrijke nevenfiguur.

Vaget snijdt het thema aan waarbij sommige Wagner-adepten zich nog steeds ongemakkelijk voelen en dat door sommigen zelfs als pijnlijk ervaren wordt, namelijk Hitlers grenzenloze idolatrie van Richard Wagner en diens kunst en de gevolgen daarvan in en voor zijn politieke handelen. Een handelen dat voortkomt uit de aanvankelijke wil om, geïnspireerd door Wagner en diens werk, zich tot een groot kunstenaar te ontplooien, zoals Wolfram Pytha in zijn boek al breed heeft uitgemeten, zonder echter de verbinding tussen Hitler en Wagner systematisch uit te werken.

Vaget beschrijft hoe de Wagner-cultus zoals de rechtgeaarde Wagnerianen die in het Bayreuth van la belle epoque cultiveerden, tot een claim op culturele suprematie leidde die inbedding vond in een triomfantelijke en onwankelbare mentaliteit van nationalisme. Deze houding kenmerkte in het bijzonder de rechtse en conservatieve kringen in het wilhelminische Duitsland. De genialiteit van Wagner, uitgedrukt in zijn Gesamtkunstwerk, weerspiegelde niets minder dan de genialiteit van het Duitse volk. Een volk dat een kunstenaar als Richard Wagner had voortgebracht, verdiende de kwalificatie het grootste op aarde te zijn. Het gevoel van superioriteit rechtvaardigde dat Duitsland de suprematie ook op andere dan culturele gebieden opeiste. Deze natie had recht op niets minder dan de wereldheerschappij. Nog afgezien van zijn openlijk beleden antisemitisme kleefde aan de erfenis van Wagner – dat wehvolles Erbe uit de titel van het boek – vrijwel meteen na diens overlijden dus ook een politieke dimensie. Dat het politieke element na Wagners dood door de familie Wagner, maar ook door talloze Wagnerianen bewaard en onderhouden werd, net als het antisemitisme, beschrijft Brigitte Hamann in haar boek ‘Winifred Wagner oder Hitlers Bayreuth’. Na de dood van de meester groeide Bayreuth, en in het bijzonder huize Wahnfried, nog meer dan daarvoor uit tot een broeinest van twijfelachtige waarden en doelen. Lieden liepen er de deur plat die zich lieten leiden door nationalistische, grootduitse, antisemitische, antidemocratische, antisocialistische en antikapitalistische gevoelens en die vaker wel dan niet bereid waren heel ver te gaan voor de realisatie van hun plannen om Duitsland weer groot, sterk en rein te maken. Hitler was zo’n man en hij werd de man. Hij ontpopte zich tot de verlosser waar vele Duitsers hun hoop op vestigden.

Thomas Mann keerde zich fel tegen Hitler. Maar het was niet zozeer Manns protest dat zijn lot bepaalde. De door Hitler absoluut niet gewaardeerde dirigent Knappertsbusch – zelf overigens geen nazi – trachtte bij de nazi’s in het gevlei te komen ten behoeve van carrièreambities. Hij begon Thomas Mann zo zwart te maken dat die laatste, op dat moment in Zwitserland verblijvend, ervoor koos om niet meer naar Duitsland terug te keren en zich zelfs in Zwitserland niet meer veilig waande. Ervoor vrezend om door de nazi’s ontvoerd te worden, vertrok Mann naar de Verenigde Staten als een van de vele Exilanten.

In zijn boek diept Vaget een, voor een tegenstander van Hitler onverwachte gedachtegang van Thomas Mann verder uit, namelijk dat Hitler en hij, Mann, eigenlijk broeders waren. In 1939 werd Manns essay ‘Bruder Hitler’ in de emigrantenkrant Das Neue Tagebuch in Parijs gepubliceerd. Mann stelde dat Hitler en hem, Mann, het estheticisme van het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw met de paplepel ingegeven was. Die omstandigheid had bij hen beiden een sensibiliteit gevoed voor alles wat met schoonheid, met het esthetische te maken had. Door de lectuur van Nietzsche realiseerde Mann zich dat terdege en hij besefte ook dat een persoon die zich volledig aan het estheticisme wijdde, door de schoonheid als het ware verblind werd en tot een immoreel of zelfs amoreel individu kon ontaarden. Hitler bezat volgens Mann niet de fijnzinnigheid om zich van de gevolgen van een consequent estheticisme bewust te zijn zoals Mann dat wel was. Maar beide mannen beschouwden zichzelf in volle overtuiging als kunstenaars en dat maakte hen, aldus Mann, tot kunstbroeders – en in die zin dus tot broeders. En Richard Wagner vormde de gemene deler in die broederschap, met heel die inderdaad afgrijselijke, weevolle erfenis als gevolg.

© 2018 Leo van der Sterren











woensdag 10 januari 2018

2018: het Apollinaire-jaar


Ter afsluiting van het millennium publiceerde het Duitse poëzietijdschrift ‘Das Gedicht’ in 1999 een lijst waarin de belangrijkste internationale dichters van de twintigste eeuw gerangschikt waren. In die lijst prijkte Guillaume Apollinaire op de tweede plaats, na Ezra Pound. Nu kun je twisten over de waarde van zo’n rangorde, maar het geeft op zijn minst aan dat Apollinaire niet de eerste de beste was. Kennelijk een belangrijke dichter, zo dichters of gedichten al belang kunnen hebben.

Op 9 november aanstaande zal het honderd jaar geleden zijn dat Guillaume Apollinaire overleed. Twee dagen na 9 november 1918 zou de wapenstilstand van kracht worden die een einde maakte aan de gevechtshandelingen aan het westelijke front waarmee de Eerste Wereldoorlog afgelopen was. Een andere wrange speling van het lot vormde de omstandigheid dat Apollinaire die in het Franse leger als artillerist aan het front streed, in maart 1916 zwaar gewond was geraakt toen een granaatscherf zich door zijn helm in zijn hoofd geboord had. Dat overleefde hij – om anderhalf jaar later aan de Spaanse griep te sterven.

Apollinaire zal zichzelf in de eerste plaats als dichter hebben beschouwd. Vooral van belang zijn twee, tijdens zijn leven gepubliceerde verzamelingen ‘Alcools’ (1913) en ‘Calligrammes’ (1918). In zijn hoedanigheid als dichter had Apollinaire vernieuwing in de zin. Toegerust met flinke doses onbekommerdheid en speelsheid lapte hij een hoop regels aan zijn laars. Hij gebruikte en misbruikte de prosodie door zich, al naar gelang het effect dat hij wilde bereiken, nu eens wel en dan weer niet aan de voorschriften ervan te houden. Hij liet op zeker ogenblik de interpunctie achterwege. Hij bediende zich vaak van spreektaal. Hij maakte beeldgedichten die destijds nogal opzien baarden. Hij creëerde metaforen die van een grote gedurfdheid getuigden. Hij experimenteerde met de chronologie in gedichten – als op een kubistisch schilderij probeerde hij gebeurtenissen simultaan plaats te laten vinden. Nieuwerwetse dingen – vliegtuigen, auto’s, elektriciteit, fotografie, cinema, straling, fabrieken en zelfs de moderne manier van oorlog voeren – fascineerden hem en dat drukte hij in zijn gedichten uit.

Apollinaire en zijn werk hadden een enorme invloed op de volgende generatie Franse dichters, de surrealisten. Apollinaire muntte het woord ‘surrealisme’ – dat zegt al genoeg. Maar zijn roem ging al snel over de grenzen. Zonder Apollinaire had Van Ostayen zijn ‘Bezette stad’ niet gemaakt.

Behalve heel veel gedichten liet Apollinaire ook heel veel proza achter. Hij publiceerde in talloze periodieken en tijdschriften over literatuur, over kunst, over theater en film. Hij kende veel Franse en niet-Franse kunstenaars en schrijvers die zich aan het begin van de twintigste eeuw ontplooiden, persoonlijk. Maar als broodschrijver hield hij zich noodgedwongen ook bezig met stukjes over de meest uiteenlopende trivia. Dan bezorgde hij een uitgave van het werk van markies De Sade. Zelf pende hij twee pornografische werkjes neer.

Net als zijn toneelwerk (‘Les mamelles de Tirésias’) getuigt Apollinaires fictieve proza van een enorme fantasie en, daar duikt het woord weer op, speelsheid. ‘Met hoeveel zorgeloosheid wist Apollinaire de nieuwe sprookjes niet aan het oude vast te knopen’, schreef Willem Frederik Hermans in 1977. Als voorloper van Borges en Cortázar trachtte Apollinaire de lezer met zijn fantastische en surreële verhalen voortdurend te verrassen en op het verkeerde been te zetten.

Voor mij persoonlijk vormt het vroege, in de Belgische Ardennen gesitueerde verhaal ‘Que vlo-ve’ een hoogtepunt in Apollinaires fictieve proza.

Ten slotte, hoe kan het anders, is er de liefde met veel geluk en veel ongeluk waarvoor er, afgezien van de brieven, geen betere uitlaatklep lijkt te bestaan dan de poëzie. Maria Dubois (‘Mareye’), Annie Playden (‘La chanson du mal-aimé’), Marie Laurencin (‘Le pont Mirabeau’), Louise de Coligny-Châtillon (‘Il y a’: ‘Il y a des petits ponts épatants’), Madeleine Pagès (de ‘Geheime Gedichten’), Jacqueline Kolb (‘La jolie rousse’). Apollinaire overstelpt zijn geliefden met brieven en met gedichten. Met Jacqueline Kolb, zijn mooie rooie, lijkt de slechtbeminde Apollinaire eindelijk zijn geluk gevonden te hebben en op 2 mei 1918 treden zij in het huwelijk. Na een ziekte van enkele dagen overlijdt Apollinaire zes maanden later.

De website www.kostro.nl, initiatief van Wouter van der Land, is gewijd aan het leven en werk van Guillaume Apollinaire. Ter ere van de honderdjarige sterfdag, later dit jaar, zal de Franse tovenaarsleerling op deze website extra in het zoeklicht worden gezet. Ik zelf heb onlangs een vertaling van het gedicht ‘Vendémiaire’ voor de website mogen leveren. Voor een ieder die de poëzie in het algemeen en de poëzie van Apollinaire in het bijzonder een warm hart toedraagt, loont het dan ook de moeite om de website te bezoeken die regelmatig even opzienbarende verrassingen in petto heeft als Apollinaire zijn lezers bood en nog steeds biedt.

© 2018 Leo van der Sterren

zondag 7 januari 2018

Het Dodeneiland


Negen juni negentienzesendertig
nam hij de derde versie in bezit,
zeggend, zegt men: ‘Jetzt ist mein Leben fertig.’
De Dietrich evenwel ontkende dit

altijd met stelligheid, maar dacht steeds even,
als naderhand het haar ter ore kwam:
hij zat fout – gelogenstraft door dat leven –
jammer voor handel, kunst en onze stam

en ja: voor Noordsen, Dietsen, Goten, Britten.
Maar dat zag zij toen al, maar nee, geen spier!
De Dietrich zag: hij was die rechtop witte.
Zag: wat zij was, werd hij – leverancier.


© 2018 Leo van der Sterren

zaterdag 6 januari 2018

Amphorismen 8




Charisma is altijd iets van twee, te weten zender en ontvanger.

Het sublieme is de resultante van het gesublimeerd zijn.

Mensen. Als je de verwachtingen niet te hoog opschroeft, dan gaat het wel.

Mensen zijn verre van volmaakt – relaties dus ook.

Een kind opvoeden. De moeilijkste en makkelijkste taak van een ouder.

Als dat het is, dan is het dat. En anders is het iets anders.

Des te meer je mooi vindt, des te meer geniet je.

Poëzie is om geschreven, niet om gelezen te worden.

© 2018 Leo van der Sterren

maandag 1 januari 2018

De leeslijst van 2017

Grace McCleen, ‘Professor in de poëzie’. Amsterdam, Antwerpen, 2014. Ondanks het feit dat dit boek uit zijn voegen barst door het opgeklopte kunstproza en de clichés van Engelsheid, heb ik het uitgelezen. Maar het heeft moeite gekost.

Ad Fransen, ‘Leven met Reve. Het onmogelijke huwelijk van Gerard Reve en Hanny Michaelis’. Amsterdam, 2010.

Cynthia Winter, ‘Nietsdankussen’. Amsterdam, 2016. Mooie novelle.

Rana Kabbani, ‘Imperial fictions. Europe’s myths of the Orient’. London, 2008 [1986]. Citaat: ‘Orientalism has always rested on the arrogant assumption that the West knows more about the East than the East knows about itself.’

Ben Lerner, ‘Waarom we poëzie haten’. Amsterdam, Antwerpen, 2017. Ik haat poëzie niet.

Ian Kershaw, ‘De afdaling in de hel. Europa 1914 – 1949’. Houten, Antwerpen, 2015. Niet interessant en saai, dit boek. Kershaw herkauwt, en wat hij uitschijt is een flauwe, grijsgrauwe brij. Om de schoorsteen van te laten roken, maar zonde van het papier waarop dit, deze tekst is weergegeven.

Catherine Merridale, ‘Lenin in de trein. De reis naar de revolutie’. Amsterdam, 2016. Ja, mooi.

Helen Rappaport, ‘Midden in de revolutie. Petrograd 1917’. Houten, Antwerpen, 2016. Evan Mawdsley, ‘The Russian Civil War’

Jonathan D. Smele, ‘The “Russian” Civil Wars 1916 – 1926. Ten Years That Shook the World’. London, 2016 [2015]. Wat na lezing van dit en de vorige drie boeken verbazing wekt, is dat die Bolsjewieken überhaupt de macht konden grijpen en konden houden. Dat kan eigenlijk niemand beschrijven en uitleggen.

Martin Michael Driessen, ‘Rivieren’. Amsterdam, 2016. Prachtig boek.

Thomas Bernhard, ‘Op de boomgrens’. Utrecht, 2016. Mooie verhalen van een eigenzinnige Oostenrijkse schrijver.

Jonathan Littell, ‘De welwillenden’. Amsterdam, Antwerpen, 2008. Eindelijk gelezen en uiteindelijk verslonden.

Helmut Krausnick, ‘Hitlers Einsatzgruppen. Die Truppe des Weltanschauungskrieges 1938 – 1942’. Frankfurt am Main, 1998 [1985]. In het verlengde van het vorige boek. Ontstellend boek, in die zin dat het vol staat met onstellende (mis-)daden die met acribische precisie werden doorgevoerd.

Lieke Marsman, ‘Het tegenovergestelde van een mens’. Amsterdam, Antwerpen, 2017. Bijzondere roman van Marsman die wat heterogeen aandoet, maar die wel aan het denken zet (mij in elk geval).

Elizabeth Strout, ‘Ik heet Lucy Barton’. Amsterdam, Antwerpen, 2017. Schitterend boek.
Elizabeth Strout, ‘Niets is onmogelijk’. Amsterdam, Antwerpen, 2017. Nog indrukwekkender dan ‘Lucy Barton’. Venijniger, valser.

Takis Würger, ‘Der Club’. Zürich, Berlin, 2017. Een misdaad die lang geleden begaan is, wordt gewroken zonder dat de rechterlijke macht eraan te pas komt. Eigenlijk een, in alle opzichten vreemd boek. De wijze van vertellen schept een afstandelijkheid die heel onnatuurlijk aandoet.

Ludwig Hohl, ‘Op weg door de nacht’. Groningen, 2017.

Frances Howard-Gordon, ‘Glastonbury. Maker of myths’. Glastonbury, 2016 [1982]. In Glastonbury gekocht. En het stadje maakte zijn reputatie van spiritueel middelpunt van de wereld (ahum) weer helemaal waar. Beneveld door de geur van wierook ontstonden weer visioenen van zowel wandelende als vliegende tapijten.

Ewoud Kieft, ‘Het verboden boek. Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het Nazisme’. Amsterdam, Antwerpen, 2017. Achteraf moet ik constateren dat Kiefts boek eigenlijk niet veel indruk op mij heeft nagelaten, niet zoveel als de boeken die ik later in 2017 over Hitler zou lezen, moet ik achteraf en met voortgeschreden inzicht vaststellen.

Hermann Kriegl, ‘Adolf Hitlers “treueste Stadt”. Landsberg am Lech 1933 -1945’. Nürnberg, 2003.

Johann Harstad, ‘Max, Mischa & het Tet-offensief’. Amsterdam, 2017. Een aardige Bildungsroman met daarin een onvermijdelijke liefdesgeschiedenis die hoofdmoot van het boek is maar toch wat vlakjes overkwam. Dus aardig, maar ook niet meer dan dat.

Veronika Krenzel-Zingerle, ‘Apollinaire-Lekturen. Sprachrausch in den Alcools’. Tübingen, 2003.

Brigitte Hamann, ‘Hitlers Wien. Lehrjahre eines Diktators’. München, Berlin, 2016 [1996]. Fascinerend boek over Hitlers tijd in Wenen.

Brigitte Hamann, ‘Winifred Wagner oder Hitlers Bayreuth’. München, 2011 [2003]. Hitler die huize Wahnfried platloopt en de familie Wagner tot surrogaatgezin maakt. En Winifred Wagner, weduwe van Richard Wagners zoon Siegfried, die verliefd is op de Führer, zoals zoveel Duitse vrouwen. Maar die andere Duitse vrouwen zagen hem alleen van afstand; Winifred kende hem persoonlijk – en goed.

Birgit Schwarz, ‘Geniewahn: Hitler und die Kunst’. Wien, Köln, Weimar, 2011.

Wolfram Pyta, ‘Hitler. Der Künstler als Politiker und Feldherr. Eine Herrschaftsanalyse’. München, 2015. Fascinerend boek dat de tendens van de laatste jaren volgt om Hitler vanuit zijn door hem zelf gecultiveerde kunstenaarschap en de daaruit volgende vooronderstelde genialiteit te duiden.

Hans Rudolf Vaget, ‘“Wehvolles Erbe” Richard Wagner in Deutschland. Hitler, Knappertsbusch, Mann’, Frankfurt am Main, 2017. Over deze boeken over Hitler volgt later meer op Uitpost Kephala.

© 2018 Leo van der Sterren