vrijdag 5 juli 2013

De appendix 5



In december 2012 hebben de Raod veur ’t Limburgs, Veldeke-Limburg, Huis voor de Kunsten Limburg, Media Groep Limburg en de Provincie Limburg het initiatief genomen voor een campagne ter bevordering van de streektaal, in casu het Limburgs.

‘Streektaal leeft in Limburg. Je hoort het op straat, in de muziek, op het toneel en in de media. Je ziet het op plaatsnaamborden en in reclames. 75% van alle Limburgers spreekt het nog regelmatig, van jong tot oud, van noord tot zuid.

Het gebruik van het Limburgs is in 2007 onderzocht door de Universiteit van Utrecht met behulp van een grote internet-enquête die werd uitgevoerd in de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. In Limburg namen daar 2347 personen aan deel. Uit de enquête bleek dat het Limburgs nog een zeer vitale taal is. Het Limburgs heeft nog steeds een duidelijke rol in het maatschappelijke leven en wordt door alle lagen van de bevolking gebruikt. Opmerkelijk is ook dat het Limburgs erg populair is bij jonge sprekers. Uit de jongste leeftijdsgroep van de enquête (11 tot 27 jaar) gaf 91,5% aan nog Limburgs te spreken (ter vergelijk Zeeland 75,5%, N-Brabant 60,3%). Een ander opvallend resultaat uit dit onderzoek was het opmerkelijk hoge percentage bij het gebruik van het Limburgs in de social media (gemiddeld 35%) waarbij dit bij de jongste leeftijdsgroep (11 tot 27 jaar) opliep tot 56%. Ook is het gebruik van het Limburgs als taal voor de opvoeding bij de twee jongste leeftijdsgroepen in vergelijking met eerdere onderzoeken verder toegenomen. Dit Limburgse patroon wijkt daarmee volledig af van de ontwikkeling die in andere provincies wordt waargenomen.

De streektaal is dus nog altijd een onlosmakelijk onderdeel van de Limburgse cultuur. En dat is best iets om trots, greuëtsj, op te zijn. Om dat feit nog eens onder de aandacht te brengen, hebben organisaties in Limburg die de streektaal een warm hart toedragen, de streektaalcampagne Limburgs, gans geweun! op touw gezet. U zult de komende weken door de hele provincie Limburg en in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad posters zien opduiken in verschillende versies van het Limburgs. Want, ook in 2012 geldt nog steeds: Limburgs kalle, gans geweun!’ (Tekst: Ton van de Wijngaard, bron: www.limburgsedialecten.nl).

Limburgs, heel gewoon. Ja en nee. Mijn houding ten opzichte van dialecten kenmerkt zich door ambivalentie. Dialectgebruik roept bij mij zowel positieve als negatieve gevoelens op, maar de negatieve overheersen. Ik bedien me dan ook alleen van (een van) mijn dialecten als ik mij in het gezelschap van mede-dialectsprekers bevind. Maar eerst dit. Waarom meervoud? Waarom meerdere dialecten? Omdat het in mijn geval twee dialecten betreft: van mijn ouders heb ik het dialect meegekregen dat in Horst wordt gesproken. Later heb ik het dialect geleerd dat in mijn geboorte- en woonplaats Venray wordt aangewend. Die twee plaatsen in Noord-Limburg liggen hemelsbreed tien kilometer uit elkaar maar de verschillen in klank en uitspraak zijn enorm. Er komen zelfs woorden in het ene dialect voor die in het andere niet bestaan. Het woord ‘moets’ (korstige uiteinde of kap van een brood) komt in Horst wel, maar in Venray niet voor. Omgekeerd wordt in Venray een fauteuil een ‘pros’ of ‘prost’ genoemd, een woord dat in Horst niet voorkomt. In Horst is een aardappel een ‘petat’, in Venray een ‘erpel’.

De conservatie van dialecten geschiedt in woordenboeken en woordenlijsten, maar deze registers bezitten de functie noch het vermogen om dialecten levend te houden. Dialecten ‘leven’ door de aanwending ervan, overigens in de regel alleen in het mondelinge en alledaagse, meer informele taalverkeer

Begrip voor mensen die dialecten willen conserveren, ik loop ervan over. Ik heb eveneens begrip voor mensen die dialecten levend willen houden, althans ik begrijp wat hen drijft, al betwijfel ik of dialecten geforceerd in stand gehouden kunnen worden als ze op het punt staan uit te sterven. Maar is het wel correct om van verdwijnende dialecten te reppen? Want dialecten zullen nooit helemaal ophouden te bestaan.

Iedere taalgebruiker die mondelinge taaluitingen levert, bedient zich per definitie van een dialect, ook de ABN-spreker. Het Algemeen Beschaafd Nederlands is in feite niet meer dan een plaatselijk dialect dat op een bepaald moment in de tijd tot officiële landstaal is gepromoveerd. Dit dialect is als het ware bevroren en van een zekere status voorzien: zo dienen de woorden van het Nederlands uitgesproken te worden. Maar dat wil niet zeggen dat het ABN stilstaat, integendeel: het ABN is volop in ontwikkeling en verandert voortdurend. Datzelfde geldt voor de dialecten.

Dialecten zijn, als alle talen, evoluerende organismen. Zolang ze gesproken worden, ontwikkelen ze zich, veranderen ze – ze leven als het ware. Het kunstmatig levend houden van streektalen is in mijn optiek onmogelijk en bovendien volstrekt overbodig. Streektalen kunnen ook naar hun eigen teloorgang evolueren, en niemand zal dat kunnen verhinderen. Dat streektalen ‘dood gaan’ is een natuurlijke ontwikkeling waaraan geen lievemoederen helpt. Streektalen die uitsterven, verdienen het om uit te sterven.

Waar ik geen begrip voor kan opbrengen, waar ik zelfs een uitgesproken hekel aan heb, dat zijn de lieden die ik onder de noemer ‘folklorisme’ schaar. Folklorisme zou ik willen definiëren als een bezeten, ziekelijke toewijding aan folklore. Echte folkloristen leven meer in het verleden dan in het heden en hebben het zo druk met conserveren dat zij vergeten dat er ook nog zoiets als een toekomst bestaat. Folklorisme is een spook dat zich in allerlei gedaanten voordoet. Eén van die vormen is de militante instandhouding van dialect. Dat streektalen onderhouden worden, verdient alle lof. Maar als onderhoud tot een obsessie ontaardt en folklorisme wordt, dan beschouw ik dat als een negatieve ontwikkeling.

De andere kant van de medaille is dat een dialect ook een schatkist van taal vertegenwoordigt. Als bewust taalgebruiker – groten als Joyce en Apollinaire met wie ik mij overigens niet waag te vergelijken, gingen mij hierin voor – boeien bepaalde elementen van de inhoud van die thesaurie mij zeer. Ik doel dan in het bijzonder op de woorden waarvan de herkomst niet direct te herleiden valt. De meeste woorden in het dialect zijn Nederlandse woorden die niet op de ABN-wijze worden uitgesproken. Van de woorden waarvoor dat niet opgaat, valt de stam over het algemeen eenvoudig te determineren, maar van sommige woorden is dat, vaak door de mate van verbastering, moeilijker. Zo wordt in het Venrays dialect het woord ‘aardappel’ verbasterd tot ‘erpel’, een geval van deletie, dat etymologisch geen problemen oplevert. En dat de woorden ‘moets’ en ‘petat’ afstammen van het Duitse ‘Mütze’ respectievelijk het Franse ‘patate’, ligt er wel heel dik bovenop.

Een woord dat in de Venrayse woordenschat niet voorkomt, maar wel in die uit Horst prijkt, is het bijvoeglijk naamwoord ‘vrèveuls’ dat onverschillig betekent. Er bestaat in de omringende taalgebieden geen enkel woord dat op ‘vrèveuls’ lijkt en dat onverschillig of iets dergelijks betekent. Een woord in het Nederlands dat er op lijkt is ‘wrevel’, maar semantisch heeft dat niets met onverschilligheid te maken, al kan onverschilligheid natuurlijk wel de nodige wrevel opwekken. Een woord dat er ook op lijkt is het Duitse 'Frevel'. misdaad; misdrijf; vergrijp; overtreding; wandaad; schanddaad; delict; wetsovertreding. Maar ook dat kan het niet zijn. En toen schoot me het woord ‘frivool’ binnen.

Die knoestige, kwezelachtige, (uiterlijk) preutse plattelanders in hun messerse broeken en die sloofjes die victoriaanser dan een Victoria waren, waar ze overigens nog nooit van hadden gehoord, associeerden frivoliteit automatisch met onverschilligheid omdat frivole mensen het leven niet serieus namen en vooral het leven na dit leven niet serieus namen.

Dat ‘vrèveuls’, frivool, qua betekenis naar ‘onverschillig’ kan opschuiven, is tot daar aan toe. Maar ‘vrèveuls’ gaat nog iets verder. Het woord, uitgesproken op die typisch verwijtende toon die het Horsterse dialect eigen is, gispend en smalend, lomp uitgestoten, duidt ook op een bewuste ongeïnteresseerdheid. Hij die ‘vrèveuls’ bejegend wordt, voelt zich het slachtoffer van een desinteresse die hem als een projectiel uit een wapen treft. Ostentatief genegeerd, verweert het slachtoffer in kwestie zich daartegen niet, maar legt hij de schuld bij zichzelf neer. ‘Het zal wel aan mij liggen,’ mompelt het slachtoffer om vervolgens in zijn schulp te kruipen. Dat is de wijze waarop menige Limburger meent door ‘Holland’ bejegend te worden: die onverschillige en verontachtzamende houding van ‘Holland’ ten opzichte van dat wormvormige aanhangsel dat Limburg heet. Voor die Limburgers vertegenwoordigt de koestering van hun dialect een onderdeel van de strategie om de eigen identiteit in stand te houden, hetgeen uiteindelijk als een politieke daad te bestempelen valt.

© 2013 Leo van der Sterren

Geen opmerkingen:

Een reactie posten