donderdag 24 oktober 2013

John Mayer rocks the hall

Rockconcerten zijn tegenwoordig tot in de puntjes verzorgde, strak geregisseerde evenementen. Geen ruimte voor opwellingen. Het impulsieve – eens het kenmerk van rockevenementen, soms in eindeloze improvisaties uitmondend en met soms verbazingwekkende gastoptredens – is verworden tot een obligate, ingestudeerde pseudo-spontaniteit zoals de afzakkende broek van Mick Jagger (‘You don’t want my trousers to go down, now do ya?’) of de ‘Build a house of love’-sermoen van Bruce Springsteen in het jaar des heren dat hij zowel Pinkpop als Glastonbury aandeed. Of Peter Gabriel in de goede dagen van Genesis die twee willekeurig gespeelde bastonen tussen twee nummers wist opwaarderen tot een heuse basgitaarsolo met de laconieke opmerking ‘that was an unaccompanied bass battle solo by Michael Rutherford.’

Spontaan schoot hij in de lach. Even leek hij van zijn a propos gebracht. ‘Goed,’ mompelde hij vervolgens enigszins beschroomd en met vervormd stemgeluid, als antwoord op die vraag die hem zojuist met een gil vanuit het publiek gesteld was. Het ging goed met Katy Perry. ‘How thoughtful,’ voegde hij eraan toe, nog steeds een beetje verbouwereerd. In dit moment viel John Mayer even uit zijn rol van coole, maar ook vlotte, goed gebekte jongen van zowel de straat als van het theater. Even ontglipten de touwtjes hem, hij die streeft naar perfectie zoals artiesten van zijn kaliber altijd doen en altijd moeten doen.

Er was nog een moment dat het niet ging zoals Mayer gepland had en dat had alles met dat streven naar die voornoemde perfectie te maken. Na een stuk of vijf, zes nummers laste Mayer onverwacht een pauze in omdat er klaarblijkelijk iets mis was met het geluid van zijn gitaren. Hij verontschuldigde zich. Dit reizende circus hing van kabels aan elkaar, die gingen er daar in en kwamen er hier weer uit en soms zat zo’n kabel gewoon niet goed. Ze gingen het euvel verhelpen en dan zouden ze de verloren speeltijd later inhalen. Hij beloofde het!

Desondanks wist John Mayer, toen hij verder ging, zijn performance niet tot volmaaktheid op te stuwen. Er bleven een paar kleine feilen aan kleven. Zo stond het volume soms te hard, hetgeen afbreuk deed aan de helderheid en waardoor het geluid in bepaalde passages een aanslag pleegde op de trommelvliezen. En op de momenten dat Mayer zich aan coloraturen gaat wagen, mist zijn stem zuiverheid en toonvastheid. Ten slotte heeft hij soms de neiging to show off. Het moment dat hij twee gitaren om zijn schouder heeft hangen en hij de gitaar die op zijn rug hangt ook op die positie bespeelt, dus achter zijn rug, het is knap, maar onnodig. Dear John, we weten al lang dat je goed bent.

Maar dat zijn slechts een paar details. Verder gaf John Mayer gisteren in de Heineken Music Hall het beste wat hij te bieden had, al bleef de keuze ook voor hem moeilijk, zo gaf hij toe. Hij zou het liefste alle nummers van zijn platen willen spelen. Maar Mayer is sowieso een eclecticus die vrijelijk bloemen, planten, kruiden en onkruiden plukt uit de grote tuin van de Amerikaanse (en, maar in mindere mate, Engelse) rockmuziek. Hij droeg een Rory Gallagher-kloffie. Het gitaargeluid dat hij – als ware Fender-man en virtuoos – uit zijn Stratocaster wist te halen, is identiek met dat van idolen als Jimi Hendrix of Robin Trower. ‘Queen of California’ zou zomaar door de Allman Brothers in hun glorietijd geschreven en gespeeld kunnen zijn. Wat nog meer? Grateful Dead, Jackson Browne, Tom Petty, Jeff Buckley.

Door zijn complete oeuvre stuiterend, werkte Mayer stap voor stap naar het hoogtepunt van zijn show toe. ‘Half of my heart’, ‘Belief’, ‘Slow dancing in a burning room’, ‘Neon’, ‘Heartbreak warfare’. En toen kwam het slotgedeelte. ‘I will be found (Lost at sea)’ was prachtig. Het tegen het slome aanleunende country-achtige ‘Dear Marie’ kreeg plotsklaps een daverend slot – veel indrukwekkender dan de studio-opname. Het laatste nummer was een schitterende uitvoering van ‘Queen of California’, waarna Mayer als toegift het publiek op een overweldigende vertolking van ‘Gravity’ vergastte, inclusief de mishandeling van zijn gitaar. De verloren tijd was ingehaald, kwantitatief en kwalitatief. John Mayer rocked the hall.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 21 oktober 2013

Tristan en Isolde op het Vrijthof

Gezien en gehoord, gisteren, in het Theater aan het Vrijthof te Maastricht: ‘Tristan und Isolde’ van Richard Wagner (die tweehonderd jaren geleden geboren is en honderd en dertig jaren geleden stierf) in een productie van de Nationale Reisopera met het Noord Nederlands Orkest onder leiding van Antony Hermus. Een intieme opera in een intieme setting. Vier uren duurde de muziek, verdeeld over drie aktes, maar het leken drie kwartieren. Terwijl je als het ware aan je stoel gekluisterd zat, sleutelde het bewustzijn aan de tijdservaring. De bovenkamer werd vakkundig ontregeld, want de tijd, die vloog voorbij.

Muziek ontroert. Nee…anders: ik ben iemand die snel ontroerd is wanneer hij bepaalde muziek hoort. Dat was gisteren het geval. Na nog geen vijf minuten hadden de hoogromantische, opzwepende klanken van de muziek van Richard Wagner mijn ogen al vol doen lopen met water waarvan je uit ervaring weet dat het zilt smaakt. Zilt water. Zout water. Hoe toepasselijk in een muziekdrama waarin de zee zo prominent figureert, overigens zonder enige invloed op de lotgevallen van de protagonisten uit te oefenen.

‘Tristan und Isolde’ is een muzikaal liefdesdrama, maar de liefde die in dit stuk geëtaleerd wordt, blinkt niet alleen in hartstocht uit, maar ook in particulariteit. In zijn muziekdrama associeert Wager de liefde met de nacht en de duisternis. Dat is op zich niet ongebruikelijk. Nacht, slapen, bed, bijslaap, die woorden vatten een en ander prozaïsch en plat samen. Het begrip liefdesnacht komt er uit voort. Maar Wagner koppelt de liefde ook aan de dood. Deze toestanden – duisternis, nacht, dood – laat hij contrasteren met de fenomenen licht, dag en leven. Slechts in de duisternis van nacht en dood kan de meest ideale, volmaakte en gepassioneerde liefde zijn verwezenlijking krijgen zodanig dat de geliefden uit de aardse werkelijkheid worden gerukt. Vrij van aardse en praktische beslommeringen. Geen hinder ondervindend van morele restricties en gewetenbezwaren. En zo belanden de geliefden in een nieuwe, ideale werkelijkheid waarin nog slechts onvoorwaardelijke liefde is, verder niets.

Maar Wagner maakt ook de ‘dood’ problematisch. Allereerst heeft hij een liefdesdood voor ogen. Alleen door te sterven – door samen te sterven – kan de hunkering naar de ultieme liefde in vervulling gaan. Dat laatste werd in de vertolking van regisseur Jakob Peters-Messer op een prachtige wijze verbeeld. Je weet dat Tristan en Isolde sterven. Maar in deze enscenering sterven de protagonisten niet, althans niet in de normale zin van het woord. Recht overeind staand, worden ze opgenomen in ‘des Weltatems wehendem All, – ertrinken, versinken, – unbewusst, – höchste Lust!’ ‘[U]nbewusst’, dat is het cruciale woord. Zonder bewustzijn in een soort hiernamaals verder leven. Los van aarde en zelf. Verlost. Daar gaat het om: verlossing.

De intussen al zwaar bejubelde uitvoering van de Nationale Reisopera en het Noord Nederlands Orkest had inderdaad de nodige allure. Met knappe solisten maar met ook een hoofdrol voor de dirigent en het orkest die een muzikaal fundament neerzetten dat er mocht wezen.

Toen het muziekdrama voorbij was en ik naar buiten liep, was het donker, maar nog erg druk op het Vrijthof met de carré’s van kleurrijk verlichte terrassen. Muziek van Maastrichtenaar André Rieu schalde vol bravoure over het plein. Maar die klanken konden niet wedijveren met wat zich in mijn hoofd afspeelde . Tristan en Isolde op het Vrijthof.

© 2013 Leo van der Sterren

zondag 20 oktober 2013

Landschap 7



© 2013 Leo van der Sterren

zaterdag 19 oktober 2013

De techmens

Verwoed lezer als ik ben, schaf ik regelmatig boeken aan. Ik koop ze in boekenwinkels of ik bestel ze, nieuw en tweedehands, via internet. Er komen meer boeken bij dan ik al lezend bij kan houden, maar ik probeer de twee sporen – die van boeken kopen en die van boeken lezen – toch enigszins gelijke tred te laten houden. Wanneer ik vind dat het aantal boeken dat ik koop het aantal boeken dat ik gebruik in te hoge mate overtreft, dan schroef ik de aankoopfrequentie terug en verhoog ik de leesfrequentie. Boeken kopen die niet gebruikt worden waarvoor ze bedoeld zijn, namelijk om te lezen of als naslagwerk, die bestaan niet. Iemand die boeken uitsluitend voor decoratieve of snobistische doeleinden verwerft, hoort wat mij betreft in de klasse van sukkels thuis. Dat je ’t maar weet.

Op 14 oktober zond de VPRO de Tegenlicht-documentaire ‘De techmens’ uit over nieuwe technologieën, zoals Google Glass, die mensen de mogelijkheid bieden om hun levens tot in detail in beeld en geluid vast te leggen, waardoor het virtuele en reële zich vermengen en er als het ware een andere werkelijkheid ontstaat. De registraties van die existenties kunnen tot in het oneindige bewaard blijven. Dit digitale geheugen met een onbeperkte opslagcapaciteit maakt het mogelijk om een bestaan dat afwezig is, weer op te roepen en te herleven of opnieuw te beleven.

Niet a priori of principieel afkerig van nieuwe ontwikkelingen op technisch gebied (maar anderzijds ook geen technologische voortrekker), bekroop me toch een vreemd gevoel toen mij deze aflevering van Tegenlicht gepresenteerd werd. Of liever gezegd: vreemde gevoelens. De digitalisering van de wereld heeft enorme voordelen opgeleverd, dat staat buiten kijf. Ik zelf profiteer daar ook ten volle van. Maar de medaille kent ook keerzijdes. Een negatief kenmerk van het digitale tijdperk is dat er – onder het motto: we kunnen het maar vast hebben – onvoorstelbare hoeveelheden gegevens worden opgeslagen met de intentie daar naderhand iets mee te doen, maar dat er uiteindelijk niets mee gedaan wordt omdat de accumulaties eenvoudigweg te groot zijn gegroeid om te kunnen behappen en, na verloop van tijd, mogelijk verouderd en daarmee waardeloos blijken te zijn. Het is een tijd van beoogde afhandelingen van dingen die gegenereerd zijn, en het uitstel en uiteindelijke afstel van die afhandelingen omdat er teveel dingen gegenereerd zijn. Toch lijkt dat de nieuwste trend te zijn: data genereren omwille van het data genereren.

De jonge pioniers in ‘De techmens’ overschrijden grenzen. Als het aan hen ligt, worden de hoeveelheden te genereren data exponentieel vermenigvuldigd. Het vergaren van data wordt tot in het extreme doorgetrokken. Dit streven naar volledigheid past naadloos in en symboliseert het controlfreakerige dat veel mensen tegenwoordig aankleeft. Van de wieg tot het graf dient het leven geregeld te zijn. Het toppunt van de nieuwe dwaasheid is echter de opmerking die de hoofdredacteur van Wired UK en baanbreker Ben Hammersley maakt, terwijl hij de setting – hij die geïnterviewd wordt voor het televisieprogramma – fotografeert. ‘It’s not real unless you take a picture.’ Een grapje dat in zijn geval bloedserieus bedoeld is.

Iets bestaat niet als het niet gedigitaliseerd is. Iets is er niet als het niet in data is omgezet. Maar wat moet je met deze data? Wat heeft het voor zin om je leven volledig te digitaliseren? Waarom zou je alles willen vastleggen? Om toekomstige geschiedkundigen en archeologen te helpen of te plezieren? Naarmate er echter meer historisch materiaal voorhanden is, des te meer zal de wetenschapper naar verdieping streven. Maar tot het Ding-an-sich of het Event-an-sich zullen ook zij niet doordringen. Digitale volledigheid is, mede door de suggestie dat de werkelijkheid objectief gerepresenteerd wordt, valse volledigheid die veel meer pretendeert dan ze waar kan maken. En wat de goeroe’s van de nieuwe wereld ook mogen beweren, de mens wordt vanzelfsprekend wel dommer als hij stelselmatig verzuimt om zich feiten te blijven herinneren, als hij zijn geheugen systematisch zou beginnen te veronachtzamen. Ook dat deel van de hersenen heeft blijvende training nodig, in het bijzonder ten behoeve van het leggen van verbanden.

Dat mensen bijzondere gelegenheden vast willen leggen, daar zit niets onnatuurlijks aan. Dat is van alle tijden. Je kunt dat fixeren van speciale gebeurtenissen op allerlei manieren doen. Door jezelf op te leggen er elke dag aan te denken, of elke week of elk jaar. Door over de belevenis te schrijven. Door iets wat in relatie staat met het evenement te bewaren. Door foto’s te nemen. Door geluidsopnames te maken. Door te filmen. Niet alleen kan op dergelijke wijzen het geheugen naderhand op weg geholpen of geactiveerd worden, maar ook kunnen mensen aldus bewijzen dat ze bij een bijzondere gebeurtenis aanwezig waren, al is het maar om andere mensen de ogen uit te steken.

De fixatie van evenementen lijkt echter steeds vaker tot in het extreme te worden doorgevoerd. Mensen registreren datgene wat hen geboden wordt in plaats van ervan te genieten op het moment dat het plaatsvindt. En omdat zij druk doende zijn met registreren, kunnen zij datgene wat beleefd moet worden niet met volle en onverdeelde aandacht ervaren. De concentratie richt zich op de daad van het vastleggen. Mensen die dit doen, beogen – is te hopen – het evenement naderhand te beleven aan de hand van de kopie die zij ervan hebben gemaakt, daarmee als het ware een uitgesteld beleven creërend – met het risico dat er van uitstel afstel komt en met het gevaar dat de virtuele of gekopieerde werkelijkheid gaandeweg als meer werkelijk of waardevol wordt beoordeeld dan de werkelijke werkelijkheid.

Aan de nieuwe mentaliteit van uitgesteld beleven kleeft daarmee een dimensie die naar het metafysische neigt. Steeds meer mensen leven het leven niet nu, maar stellen het leven van het leven nu uit tot een later tijdstip. Dan leven zij het leven in geregistreerde vorm onder condities die zij nauwgezet kunnen prepareren en onder controle kunnen houden en die daardoor ideaal of in elk geval idealer zijn dan op het moment dat zij het werkelijke leven leefden.

Vreemde gevoelens. Meervoud. Wat me namelijk ook verwonderde toen ‘De techmens’ zich voor mijn ogen ontrolde, was het feit dat mensen handelingen verrichten waardoor data gegenereerd worden, maar dat ze eigenlijk terdege beseffen – zonder het te zullen toegeven – dat ze niets met deze data zullen doen. Het lijkt wel alsof het niet eens meer om de data gaat. Eigenlijk gaat het om de te verrichten handelingen. De digitale voortbrenging en de devices om die voortbrenging te realiseren zijn niet langer uitsluitend middel, maar zijn tot doel verworden.

Maar wellicht stel ik me nu al gewoon op als een mens van middelbare leeftijd met ouderwetse standpunten. Wie weet leef ik al in het verleden. Misschien zijn dit de voorboden van de nieuwe wereld waar ik – volop van de oude – steeds meer van vervreemdt naarmate mijn leeftijd stijgt. Misschien streven de mensen in de toekomst niet meer naar het voortgebrachte maar enkel nog naar voortbrenging. Misschien zijn straks slechts de processen nog van belang en niet datgene wat die processen opleveren.

Ik denk er anders over. Het heeft geen zin om dingen te gegenereren of te produceren die niet gebruikt worden. Dat geldt voor boeken net zo goed als voor data.

© 2013 Leo van der Sterren

donderdag 17 oktober 2013

Loze collage



© 2013 Leo van der Sterren

dinsdag 15 oktober 2013

Mijn leven



© 2013 Leo van der Sterren

zaterdag 12 oktober 2013

De ‘Mai 1872’-gedichten

In de lente van 1872 schrijft Arthur Rimbaud plotseling een relatief groot aantal gedichten nadat hij zich in de maanden ervoor nauwelijks aan serieus dichtwerk heeft gewijd. De zeventienjarige verblijft in de maanden maart, april en een klein deel van mei 1872 bij zijn moeder in Charleville na een turbulent halfjaar in Parijs te hebben doorgebracht.

Rond 15 september 1871 arriveerde de plattelander Rimbaud voor de vierde keer in zijn leven in de Franse hoofdstad waar hij zich, mede door toedoen van de persoon die hem heeft uitgenodigd, de dichter Paul Verlaine, aan wie hij dan al verschillende brieven gezonden heeft, in een leven van niets ontziende losbandigheid zou storten. Rimbaud verkeerde in een fase van zijn leven dat hij absoluut niet deugde. Hij, het onmiskenbare dichterlijke genie, gedroeg zich als een onaangepaste, opstandige, hufterige puber. Zo zorgde hij er mede voor dat het nog zo prille, maar dwaze huwelijk van de Franse dichter Paul Verlaine met de hoogzwangere Mathilde Meuté de Fleurville de eerste deuken opliep en naderhand – Verlaine was toen al vader geworden – stuurde hij er doelbewust op aan dat het op de klippen liep. Hij kaapte de echtgenoot weg van zijn jonge eega en beide dichters stortten zich in een stormachtige liefdesrelatie die, gezien het homoseksuele karakter ervan, zelfs binnen de kringen van de toenmalige Parijse bohème het nodige opzien baarde.

De bohème. Het leven dat Rimbaud van september 1871 tot in maart 1872 leidde in Parijs, heeft ervoor gezorgd dat het woord ‘bohème’, voorheen gebruikt door Tallemant des Réaux, Balzac en Murger om groepen van vrije geesten in de marge van de maatschappij mee aan te duiden, zich ook in de richting van ongeremdheid, liederlijkheid en amoraliteit ontwikkelde.

Op 30 september 1871 introduceerde Verlaine zijn jonge kompaan in het gezelschap van kunstenaars waar hij deel van uitmaakte, de Vilains-Bonshommes. Rimbaud maakte kennis met onder anderen de dichter Charles Cros, de karikaturist en zanger André Gill, de dichters van de Parnasse Théodore de Banville en François Coppée, de schilder Henri Fantin-Latour en de fotograaf Emile Carjat. Hij las zijn gedicht ‘Le bateau ivre’ aan hen voor, het beroemde gedicht over de zee dat hij had vervaardigd zonder ooit de zee aanschouwd te hebben. Dat vormde een valide reden voor de ‘Nare gasten’ om de jonge provinciaal in hun midden te accepteren. In de daarop volgende tijd ontpopte Rimbaud, die meestal onder invloed van drank of drugs verkeerde, zich als een verschrikkelijk ettertje dat de kunst van het sarren en provoceren tot grote hoogten opstuwde. Zijn zogenaamde ‘practical jokes’ zijn met gemak onder de noemer ‘vuile rotstreken’ te scharen.

Maar er werd ook gewerkt. Jazeker. Ahum. In oktober 1871 richtten de dichters Charles Cros, Arthur Rimbaud, Paul Verlaine, Ernest Cabaner, Léon Valade en Camille Pelletan een heus clubje op, ‘Le cercle des poètes zutiques’. De dichters ontmoetten elkaar in L'Hôtel des Étrangers waar Cabaner als barman en pianist werkt en een kamer bewoont. Rimbaud logeerde in oktober en november bij Cabaner totdat die hem eruit gooide nadat Rimbaud in een glas melk had geëjaculeerd dat een onwetende Cabaner vervolgens opdronk. Tijdens hun bijeenkomsten schreven de Zutisten parodieën op de werken van de dichters die tot de Parnasse behoren, in het bijzonder François Coppée en Albert Mérat. Rimbaud leverde een behoorlijk aantal bijdragen aan de gedichten en tekeningen die later in het ‘Album zutique’ verzameld zouden worden. De voortbrengselen van Le Cercle des poètes Zutiques zijn over het algemeen licht van toon en obsceen van aard. De scabreuze kolder regeert.

In maart 1872 culmineerde het recalcitrante gedrag van Rimbaud in een calamiteit die hem in diskrediet bracht bij de overige ‘Nare gasten’. Op 2 maart 1872 verwondde een totaal beschonken Rimbaud de beroemde fotograaf Étienne Carjat (die zo’n intrigerende foto van hem had gemaakt) lichtjes aan zijn arm met een stokdegen. Hoe onbeduidend het incident op zich ook mocht zijn in dat bohème-milieu waarin wel vaker geweld werd aangewend, dat vormde de druppel die de emmer deed overlopen. Verlaine zag geen andere oplossing dan zijn jonge, ongeremde vriend terug te sturen naar waar hij vandaan was gekomen, ter preventie van verdere incidenten en ter bescherming van de protegé. En dus stapte Rimbaud ergens tussen 2 en 15 maart 1872 op de trein naar het noorden, met de bestemming Arras, maar niet lang daarna belandde hij in dat slaperige stadje in Noord-Frankrijk, Charleville, waar hij weer bij zijn moeder aan de Quai de la Madeleine (nu Quai Arthur Rimbaud) introk.

Thuis in Charleville, in dat Spartaanse landschap van de Ardennen, moest Rimbaud om te beginnen zijn geestelijke evenwicht hervinden na maanden van slemperijen. Wellicht was er zelfs sprake van ontwenningsverschijnselen.Maar hij zal ook vrij snel zijn gewoonte opgepakt hebben om in de omgeving rond te zwerven. Want als hij één ding niet kon, was het stilzitten. In die zin – van zwerver dus – gedroeg hij zich ook als een ware bohemien (die al in 1870 een gedicht zou schrijven, getiteld ‘Ma bohème’). Zijn hele leven lang vormde weggaan zijn bezoeking. Rimbaud, die later de bijnaam ‘l’homme aux semelles de vent’ zou krijgen, was bovendien een begenadigde en onverschrokken voetreiziger die er zelfs niet voor terugdeinsde om in oktober 1878 de Gotthardpas te voet over te gaan.

Rimbaud verliet Charleville in noordelijke richting en bevond zich al snel in de uitgestrekte bosgebieden van het Fôret des Ardennes. De Maas op de rechteroever volgend kwam hij in de buurt van Monthermé bij de plek waar de rivier de Semois in de Maas uitmondt. De Semois ontspringt in Aarlen in Belgisch-Lotharingen en stroomt in westelijke richting, parallel aan de landsgrens tussen België en Frankrijk. Gedurende het grootste deel van de loop, van Chiny tot de monding, meandert de rivier sterk. De afstand van de bron tot de monding bedraagt hemelsbreed zeventig kilometer, maar de totale lengte van de rivier loopt op tot het drievoudige door de vele meanders.

De bochten van de Semois tussen de heuvels in oostelijke richting volgend vond Rimbaud Bouillon als eerste stad op zijn weg. Maar hij had Charleville ook in noordoostelijke richting kunnen verlaten en via Gespunsart en Corbion naar Bouillon kunnen trekken. Bij Bouillon, nu een toeristische trekpleister, maakt de Semois een heuse haarspeldlus. In het gat van die kronkel ligt op een heuvel het kasteel dat de middeleeuwse stad domineert, eens het eigendom van Godfried van Bouillon, een van de aanvoerders van de eerste kruistocht in 1096 en heerser over Jerusalem. Vanzelfsprekend kende Rimbaud die feiten die, net als het spectaculaire landschap van de Semois, tot de verbeelding spraken, zoals ook de sagen en legenden van deze streek dat gedaan zullen hebben. De vier heemskinderen in Bogny-sur-Meuse. De ‘Roc la Tour’ (het kasteel van de duivel) bij Monthermé. ‘Les dames de la Meuse’ bij Laifour. De doorwaadbare plaats in de Maas, Malhanté, tussen Monthermé en Deville waar de ridder Roger door zijn geweten werd geplaagd na de moord op een jong meisje. En dan waren er natuurlijk de talloze schilderachtige figuren in het dunbevolkte gebied. De mensen die karikaturen van zichzelf waren. De Semois heeft vrijwel zeker model gestaan voor ‘la rivière de cassis’ uit het gelijknamige gedicht waarin zo’n knoestig plattelandspersonage figureert. En de ‘donjons’ lijken te zijn geïnspireerd door het kasteel van Bouillon en andere middeleeuwse vestingwerken in de omgeving (Sedan, Montcornet).

Bij een andere gelegenheid liep Rimbaud naar het noordwesten in de richting van Chimay. Hij volgde de rivier de Oise die ten zuiden van Chimay in België op een hoogte van ruim driehonderd meter ontspringt en zich uiteindelijk bij de Seine voegt. Maar hier, bij Chimay, was de Oise nog ‘jong’, zoals Rimbaud schrijft in zijn gedicht ‘Larme’. ‘Que pouvais-je boire dans cette jeune Oise’.

‘Que pouvais-je boire...’ Een thema dat prominent aanwezig is in de ‘Mai 1872’-gedichten is dat van de dorst, nauw verbonden uiteraard met dat van het lessen van de dorst. Hij wijdt er zelfs een complete cyclus aan die hij ‘Comédie de la soif’ noemt. In de gedichten laat Rimbaud de prosodie die hij tot dan toe aanwendde, varen. De gedichten hebben een melancholieke toon. Wat de maand mei van 1872 een warme maand? Omdat er zoveel gedichten over dorst en drinken gaan? Heeft het te maken met de ontwenningsverschijnselen na alle absint die hij in de Franse hoofdstad gedronken heeft? Of zag hij in hoe abnormaal, futiel en belachelijk zijn braspartijen waren geweest?

Dorst, honger (‘Fêtes de la faim’), het zijn de gebruikelijke, traditionele uitingen van verlangen. De zucht naar alleen zijn in gezelschap en naar gezelschap in eenzaamheid. Het smachten naar aandacht. Het hunkeren naar liefde. Het verlangen naar een betere wereld, naar een maakbare wereld, naar een ideaal, naar een paradijs, dat goden en pseudo-goden deed ontstaan. Rimbaud zou deze dwaze begeertes uiteindelijk afzweren. Maar in 1872 was hij nog niet zover. En de rusteloosheid, die zou hem blijven plagen.

Zowel ‘La rivière de cassis’ als ‘Larme’ behoren tot een reeks gedichten die Rimbaud in maart, april en mei 1872 schreef en waarvan hij de handschriften van de datum ‘Mai 1872’ voorzag. Deze periode leverde ineens acht gedichten op: ‘Larme’, ‘La rivière de Cassis’, ‘Bonne pensée de matin’,‘Comédie de la soif’ (dit gedicht bestaat uit vijf delen), ‘Bannières de mai’,‘Chanson de la plus haute tour’,‘Éternité’ en ‘Áge d’or’. Een enorme productie dus, die de periode daarvoor tot een van literaire (bijna) geheelonthouding reduceert. Wanneer Rimbaud in september 1871 in Parijs arriveert, heeft hij waarschijnlijk’Le bateau ivre’ op zak en misschien zelfs ook wel ‘Voyelles’ en ‘L’étoile a pleuré rose’. Als dat zo is, dan heeft Rimbaud van september 1871 tot februari 1872 alleen maar de gedichten geschreven die in het ‘Album zutique’ zijn opgenomen. Wellicht stamt ‘Les corbeaux’ uit de winter van 1871/1872, maar dat kan net zo goed de winter daarvoor geweest zijn. ‘Les mains de Jeanne-Marie’ wordt in februari 1872 gedateerd en zou dus wel eens het enige ‘serieus bedoelde’ gedicht kunnen zijn geweest dat Rimbaud tijdens zijn verblijf in Parijs in de herfst en winter van 1871/1872 geschreven heeft.

Tot aan de ‘Mai 1872’-gedichten.

Vanwaar die plotseling scheppingsdrang? De oorzaak voor de literaire activiteit in het voorjaar van 1872 zal gelegen zijn in het feit dat Rimbaud, nadat hij maandenlang in een gezelschap had gezeten dat niet altijd even goed voor hem was geweest, eindelijk weer alleen en op zichzelf teruggeworpen was, en dat in een omgeving die, hoezeer hij bepaalde facetten ervan ook versmaadde, hem toch vertrouwd was en die hem inspireerde tot poëtische expressie.

Toch. Parijs en Verlaine blijven lokken. Begin mei 1872 is Rimbaud alweer terug in de hoofdstad. Op de negende van die maand signaleert men hem alweer in de Franse hoofdstad en begint er een nieuwe roerige periode van braspartijen en liefdesperikelen.

In het jaar nadat de ‘Mai 1872’-gedichten tot stand waren gekomen, schreef Rimbaud nog slechts een klein aantal gedichten die ogen zoals de goegemeente zich conventionele gedichten voorstelt, namelijk als verzen: ‘Jeune ménage’, ‘Est-elle almée?...’, ‘Plates-bandes d’amarantes’, ‘Fêtes de la faim’, ‘Ô saisons, ô châteaux’, ‘Entends comme brame’, ‘Honte’, ‘Qu’est-ce pour nous, mon Cœur’, ‘Michel et Christine’ en ‘Mémoire’. In ‘Une saison en enfer’, uitgeperst tussen april en augustus 1873, hoont en karikaturiseert Rimbaud zijn eigen voortbrengselen uit het voorbije jaar, waarmee hij afscheid neemt van de dichtkunst in de traditionele vorm. Na de prozagedichten van ‘Une saison en enfer’ volgen die van ‘Illuminations’. En dan rest er, afgezien van, ondanks Rimbaldiaanse rusteloosheid, droge en volstrekt onpoëtische brieven, slechts stuurse stilte.

© 2013 Leo van der Sterren