Televisie kan de moeite waard zijn, soms. Onlangs was er die serie ‘Hollands hoop’. Prachtige fictie. Gisteren zond de NCRV de documentaire ‘Ne me quitte pas’ uit over twee drinkebroers, Bob en Marcel, in een afgelegen deel van de Belgische provincie Namen, in de Lage Ardennen, vlak bij de grens met Frankrijk en vlak bij Charleville-Mézières waar in 1854 Arthur Rimbaud geboren werd die veel door deze streken zwierf en daarvan soms verslag deed in zijn poëzie. De documentaire ‘Ne me quitte pas’ leek ook wel fictie – en oogde in elk geval even prachtig als dat hij, tenenkrommend bij vlagen, boeide.
De filmers, Sabine Lubbe Bakker en Niels van Koevorden, wisten even treffend als genadeloos een sfeer van immense grauwheid en treurigheid en troosteloosheid vast te leggen, nu en dan onderbroken door momenten vol absurditeit en lachwekkendheid. De film toont – mede als symbool van de teloorgang van Wallonië; maar kun en mag je dat zo zeggen: de teloorgang van Wallonië? – het, naar een wisse ondergang leidende verval van twee mannen en het onvermogen van die mannen, door depressie, alcoholmisbruik en levensmoeheid, om dat proces nog langer het hoofd te bieden, laat staan om te keren.
En toch, ondanks alles, tot gedetailleerde zelfmoordplannen aan toe, lukt het de mannen om er op de een of andere manier een vreemd soort moed in te houden. Maar het is een dapperheid tegen beter weten in. De poging van Marcel om de alcohol af te zweren, bijvoorbeeld, mislukt jammerlijk: zolang hij in de kliniek verblijft, gaat het goed; eenmaal buiten vervalt hij meteen weer in zijn oude slechte gewoonten, beginnend met een glaasje rum tegen een zogenaamde keelpijn.
De laatste scene van de film roept de uitzichtloosheid en de fragiliteit van het bestaan van deze wezens op. Als een straalbezopen Marcel in het pikkedonker met zijn scooter over besneeuwde weggetjes naar huis glibbert en zich amper overeind en op de weg weet te houden, beseft de kijker, als Marcel uiteindelijk toch veilig thuis is gearriveerd en zijn scooter met enige moeite in de garage van zijn huis stalt, dat het bij deze gelegenheid net goed is gegaan, maar dat het evengoed desastreus had kunnen aflopen. De dunne levensdraad van deze mannen kan elk moment knappen – door alcoholvergiftiging, een ongeluk of zelfmoord – omdat elke aanzet tot verbetering meteen vervliegt. Geen enkele hoop meer voor Bob en Marcel.
De Stimmung van ‘Ne me quitte pas’ liet een diepe indruk na. Ik moest ook voortdurend denken aan de Ardennen-gedichten ‘Larme’ en ‘La rivière de cassis’ van Arthur Rimbaud en aan die maffe film ‘Calvaire’ van Fabrice du Welz en aan die keer dat we, door die fascinerende Ardennen reizend, op een tijdstip laat in de ochtend in een uitspanning in Houffalize met daarin enkele figuren die een zekere gelijkenis met Bob en Marcel vertoonden, maar dan strijdlustiger en grimmiger, op een mogelijke ervaring à la ‘Calvaire’ anticipeerden en tijdig het hazenpad kozen. Quitter!
© 2014 Leo van der Sterren
Posts tonen met het label Arthur Rimbaud. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Arthur Rimbaud. Alle posts tonen
dinsdag 25 november 2014
zaterdag 29 maart 2014
Kleine, tamelijk willekeurige literatuurgeschiedenis
1873. Rimbaud baant de weg naar nieuwe dichterlijke oorden. Hij begint met de elementaire hallucinatie. Een fabrieksgebouw ziet hij voor een moskee aan. Een drumband van engelen trekt met gemak aan zijn geestesoog voorbij. Een salon op de bodem van het meer. Daarna raken zijn visioenen steeds verder onthecht van de werkelijkheid. De prozagedichten van ‘Illuminations’ ballen almaar meer beelden samen die almaar minder door een navelstreng met de werkelijkheid verbonden zijn. De kunst van het lezen van ‘Illuminations’ is dat je deze gedichten eigenlijk juist niet moet lezen: je moet datgene wat je leest onmiddellijk en onvoorwaardelijk in beelden vertalen. De ‘Illuminations’ zijn animatiefilms in woorden.
1885. De symbolisten zijn bij de vierde wolk naar links afgeslagen en bij de vijfde wolk zijn zij stiekem in de bijna onzichtbare nis gedoken die daar gesitueerd is (als je niet weet dat hij er is, dan zweef je er straal aan voorbij). Geen enkele gewone sterveling heeft hen nog kunnen volgen in hun tocht door het wolkendoolhof. De symbolisten hebben vanuit hun hoge positie geen enkel zicht meer op de aarde. En ze zijn zo licht geworden dan ze vanzelf al in de lucht blijven hangen.
1916. Het werk van Lautréamont wordt ontgonnen. Apollinaire doet van zich spreken, maar slechts een enkeling hoort hem. Lautréamont en Apollinaire introduceren het verrassende beeld door de rigoureuze koppeling van ongelijksoortige verschijnselen. Apollinaire munt de term ‘surrealisme’.
1920. Het surrealisme beoogt een talige werkelijkheid te creëren. De wereld van de surrealisten hangt van reeksen autonome, talige beelden aan elkaar die zich door simpele associatie vermenigvuldigen: niet gelieerd aan enige werkelijkheid dient het ene linguïstische beeld het andere op te roepen met als enige leidraad de zo groot mogelijke ongelijksoortigheid van de elementen die de beelden constitueren. Exploratie van het rijk van het onderbewustzijn. Exploratie van het rijk van het toeval. Beide imperia zijn niet begrensd, hun grondgebieden oneindig. Maar hoe weet je, als je druk doende bent met verwoed associëren, wat authentiek subliminaal is en wat niet? Hoe kun je bepalen wat door toedoen van zuiver toeval ontstond en wat niet? Totale vrijheid van het beeld. De saaiheid van het surrealisme.
Bovendien was er al heel veel surrealisme voordat de naam ‘surrealisme’ tot etiket kon worden aangewend.
© 2014 Leo van der Sterren
1885. De symbolisten zijn bij de vierde wolk naar links afgeslagen en bij de vijfde wolk zijn zij stiekem in de bijna onzichtbare nis gedoken die daar gesitueerd is (als je niet weet dat hij er is, dan zweef je er straal aan voorbij). Geen enkele gewone sterveling heeft hen nog kunnen volgen in hun tocht door het wolkendoolhof. De symbolisten hebben vanuit hun hoge positie geen enkel zicht meer op de aarde. En ze zijn zo licht geworden dan ze vanzelf al in de lucht blijven hangen.
1916. Het werk van Lautréamont wordt ontgonnen. Apollinaire doet van zich spreken, maar slechts een enkeling hoort hem. Lautréamont en Apollinaire introduceren het verrassende beeld door de rigoureuze koppeling van ongelijksoortige verschijnselen. Apollinaire munt de term ‘surrealisme’.
1920. Het surrealisme beoogt een talige werkelijkheid te creëren. De wereld van de surrealisten hangt van reeksen autonome, talige beelden aan elkaar die zich door simpele associatie vermenigvuldigen: niet gelieerd aan enige werkelijkheid dient het ene linguïstische beeld het andere op te roepen met als enige leidraad de zo groot mogelijke ongelijksoortigheid van de elementen die de beelden constitueren. Exploratie van het rijk van het onderbewustzijn. Exploratie van het rijk van het toeval. Beide imperia zijn niet begrensd, hun grondgebieden oneindig. Maar hoe weet je, als je druk doende bent met verwoed associëren, wat authentiek subliminaal is en wat niet? Hoe kun je bepalen wat door toedoen van zuiver toeval ontstond en wat niet? Totale vrijheid van het beeld. De saaiheid van het surrealisme.
Bovendien was er al heel veel surrealisme voordat de naam ‘surrealisme’ tot etiket kon worden aangewend.
© 2014 Leo van der Sterren
zaterdag 12 oktober 2013
De ‘Mai 1872’-gedichten
In de lente van 1872 schrijft Arthur Rimbaud plotseling een relatief groot aantal gedichten nadat hij zich in de maanden ervoor nauwelijks aan serieus dichtwerk heeft gewijd. De zeventienjarige verblijft in de maanden maart, april en een klein deel van mei 1872 bij zijn moeder in Charleville na een turbulent halfjaar in Parijs te hebben doorgebracht.
Rond 15 september 1871 arriveerde de plattelander Rimbaud voor de vierde keer in zijn leven in de Franse hoofdstad waar hij zich, mede door toedoen van de persoon die hem heeft uitgenodigd, de dichter Paul Verlaine, aan wie hij dan al verschillende brieven gezonden heeft, in een leven van niets ontziende losbandigheid zou storten. Rimbaud verkeerde in een fase van zijn leven dat hij absoluut niet deugde. Hij, het onmiskenbare dichterlijke genie, gedroeg zich als een onaangepaste, opstandige, hufterige puber. Zo zorgde hij er mede voor dat het nog zo prille, maar dwaze huwelijk van de Franse dichter Paul Verlaine met de hoogzwangere Mathilde Meuté de Fleurville de eerste deuken opliep en naderhand – Verlaine was toen al vader geworden – stuurde hij er doelbewust op aan dat het op de klippen liep. Hij kaapte de echtgenoot weg van zijn jonge eega en beide dichters stortten zich in een stormachtige liefdesrelatie die, gezien het homoseksuele karakter ervan, zelfs binnen de kringen van de toenmalige Parijse bohème het nodige opzien baarde.
De bohème. Het leven dat Rimbaud van september 1871 tot in maart 1872 leidde in Parijs, heeft ervoor gezorgd dat het woord ‘bohème’, voorheen gebruikt door Tallemant des Réaux, Balzac en Murger om groepen van vrije geesten in de marge van de maatschappij mee aan te duiden, zich ook in de richting van ongeremdheid, liederlijkheid en amoraliteit ontwikkelde.
Op 30 september 1871 introduceerde Verlaine zijn jonge kompaan in het gezelschap van kunstenaars waar hij deel van uitmaakte, de Vilains-Bonshommes. Rimbaud maakte kennis met onder anderen de dichter Charles Cros, de karikaturist en zanger André Gill, de dichters van de Parnasse Théodore de Banville en François Coppée, de schilder Henri Fantin-Latour en de fotograaf Emile Carjat. Hij las zijn gedicht ‘Le bateau ivre’ aan hen voor, het beroemde gedicht over de zee dat hij had vervaardigd zonder ooit de zee aanschouwd te hebben. Dat vormde een valide reden voor de ‘Nare gasten’ om de jonge provinciaal in hun midden te accepteren. In de daarop volgende tijd ontpopte Rimbaud, die meestal onder invloed van drank of drugs verkeerde, zich als een verschrikkelijk ettertje dat de kunst van het sarren en provoceren tot grote hoogten opstuwde. Zijn zogenaamde ‘practical jokes’ zijn met gemak onder de noemer ‘vuile rotstreken’ te scharen.
Maar er werd ook gewerkt. Jazeker. Ahum. In oktober 1871 richtten de dichters Charles Cros, Arthur Rimbaud, Paul Verlaine, Ernest Cabaner, Léon Valade en Camille Pelletan een heus clubje op, ‘Le cercle des poètes zutiques’. De dichters ontmoetten elkaar in L'Hôtel des Étrangers waar Cabaner als barman en pianist werkt en een kamer bewoont. Rimbaud logeerde in oktober en november bij Cabaner totdat die hem eruit gooide nadat Rimbaud in een glas melk had geëjaculeerd dat een onwetende Cabaner vervolgens opdronk. Tijdens hun bijeenkomsten schreven de Zutisten parodieën op de werken van de dichters die tot de Parnasse behoren, in het bijzonder François Coppée en Albert Mérat. Rimbaud leverde een behoorlijk aantal bijdragen aan de gedichten en tekeningen die later in het ‘Album zutique’ verzameld zouden worden. De voortbrengselen van Le Cercle des poètes Zutiques zijn over het algemeen licht van toon en obsceen van aard. De scabreuze kolder regeert.
In maart 1872 culmineerde het recalcitrante gedrag van Rimbaud in een calamiteit die hem in diskrediet bracht bij de overige ‘Nare gasten’. Op 2 maart 1872 verwondde een totaal beschonken Rimbaud de beroemde fotograaf Étienne Carjat (die zo’n intrigerende foto van hem had gemaakt) lichtjes aan zijn arm met een stokdegen. Hoe onbeduidend het incident op zich ook mocht zijn in dat bohème-milieu waarin wel vaker geweld werd aangewend, dat vormde de druppel die de emmer deed overlopen. Verlaine zag geen andere oplossing dan zijn jonge, ongeremde vriend terug te sturen naar waar hij vandaan was gekomen, ter preventie van verdere incidenten en ter bescherming van de protegé. En dus stapte Rimbaud ergens tussen 2 en 15 maart 1872 op de trein naar het noorden, met de bestemming Arras, maar niet lang daarna belandde hij in dat slaperige stadje in Noord-Frankrijk, Charleville, waar hij weer bij zijn moeder aan de Quai de la Madeleine (nu Quai Arthur Rimbaud) introk.
Thuis in Charleville, in dat Spartaanse landschap van de Ardennen, moest Rimbaud om te beginnen zijn geestelijke evenwicht hervinden na maanden van slemperijen. Wellicht was er zelfs sprake van ontwenningsverschijnselen.Maar hij zal ook vrij snel zijn gewoonte opgepakt hebben om in de omgeving rond te zwerven. Want als hij één ding niet kon, was het stilzitten. In die zin – van zwerver dus – gedroeg hij zich ook als een ware bohemien (die al in 1870 een gedicht zou schrijven, getiteld ‘Ma bohème’). Zijn hele leven lang vormde weggaan zijn bezoeking. Rimbaud, die later de bijnaam ‘l’homme aux semelles de vent’ zou krijgen, was bovendien een begenadigde en onverschrokken voetreiziger die er zelfs niet voor terugdeinsde om in oktober 1878 de Gotthardpas te voet over te gaan.
Rimbaud verliet Charleville in noordelijke richting en bevond zich al snel in de uitgestrekte bosgebieden van het Fôret des Ardennes. De Maas op de rechteroever volgend kwam hij in de buurt van Monthermé bij de plek waar de rivier de Semois in de Maas uitmondt. De Semois ontspringt in Aarlen in Belgisch-Lotharingen en stroomt in westelijke richting, parallel aan de landsgrens tussen België en Frankrijk. Gedurende het grootste deel van de loop, van Chiny tot de monding, meandert de rivier sterk. De afstand van de bron tot de monding bedraagt hemelsbreed zeventig kilometer, maar de totale lengte van de rivier loopt op tot het drievoudige door de vele meanders.
De bochten van de Semois tussen de heuvels in oostelijke richting volgend vond Rimbaud Bouillon als eerste stad op zijn weg. Maar hij had Charleville ook in noordoostelijke richting kunnen verlaten en via Gespunsart en Corbion naar Bouillon kunnen trekken. Bij Bouillon, nu een toeristische trekpleister, maakt de Semois een heuse haarspeldlus. In het gat van die kronkel ligt op een heuvel het kasteel dat de middeleeuwse stad domineert, eens het eigendom van Godfried van Bouillon, een van de aanvoerders van de eerste kruistocht in 1096 en heerser over Jerusalem. Vanzelfsprekend kende Rimbaud die feiten die, net als het spectaculaire landschap van de Semois, tot de verbeelding spraken, zoals ook de sagen en legenden van deze streek dat gedaan zullen hebben. De vier heemskinderen in Bogny-sur-Meuse. De ‘Roc la Tour’ (het kasteel van de duivel) bij Monthermé. ‘Les dames de la Meuse’ bij Laifour. De doorwaadbare plaats in de Maas, Malhanté, tussen Monthermé en Deville waar de ridder Roger door zijn geweten werd geplaagd na de moord op een jong meisje. En dan waren er natuurlijk de talloze schilderachtige figuren in het dunbevolkte gebied. De mensen die karikaturen van zichzelf waren. De Semois heeft vrijwel zeker model gestaan voor ‘la rivière de cassis’ uit het gelijknamige gedicht waarin zo’n knoestig plattelandspersonage figureert. En de ‘donjons’ lijken te zijn geïnspireerd door het kasteel van Bouillon en andere middeleeuwse vestingwerken in de omgeving (Sedan, Montcornet).
Bij een andere gelegenheid liep Rimbaud naar het noordwesten in de richting van Chimay. Hij volgde de rivier de Oise die ten zuiden van Chimay in België op een hoogte van ruim driehonderd meter ontspringt en zich uiteindelijk bij de Seine voegt. Maar hier, bij Chimay, was de Oise nog ‘jong’, zoals Rimbaud schrijft in zijn gedicht ‘Larme’. ‘Que pouvais-je boire dans cette jeune Oise’.
‘Que pouvais-je boire...’ Een thema dat prominent aanwezig is in de ‘Mai 1872’-gedichten is dat van de dorst, nauw verbonden uiteraard met dat van het lessen van de dorst. Hij wijdt er zelfs een complete cyclus aan die hij ‘Comédie de la soif’ noemt. In de gedichten laat Rimbaud de prosodie die hij tot dan toe aanwendde, varen. De gedichten hebben een melancholieke toon. Wat de maand mei van 1872 een warme maand? Omdat er zoveel gedichten over dorst en drinken gaan? Heeft het te maken met de ontwenningsverschijnselen na alle absint die hij in de Franse hoofdstad gedronken heeft? Of zag hij in hoe abnormaal, futiel en belachelijk zijn braspartijen waren geweest?
Dorst, honger (‘Fêtes de la faim’), het zijn de gebruikelijke, traditionele uitingen van verlangen. De zucht naar alleen zijn in gezelschap en naar gezelschap in eenzaamheid. Het smachten naar aandacht. Het hunkeren naar liefde. Het verlangen naar een betere wereld, naar een maakbare wereld, naar een ideaal, naar een paradijs, dat goden en pseudo-goden deed ontstaan. Rimbaud zou deze dwaze begeertes uiteindelijk afzweren. Maar in 1872 was hij nog niet zover. En de rusteloosheid, die zou hem blijven plagen.
Zowel ‘La rivière de cassis’ als ‘Larme’ behoren tot een reeks gedichten die Rimbaud in maart, april en mei 1872 schreef en waarvan hij de handschriften van de datum ‘Mai 1872’ voorzag. Deze periode leverde ineens acht gedichten op: ‘Larme’, ‘La rivière de Cassis’, ‘Bonne pensée de matin’,‘Comédie de la soif’ (dit gedicht bestaat uit vijf delen), ‘Bannières de mai’,‘Chanson de la plus haute tour’,‘Éternité’ en ‘Áge d’or’. Een enorme productie dus, die de periode daarvoor tot een van literaire (bijna) geheelonthouding reduceert. Wanneer Rimbaud in september 1871 in Parijs arriveert, heeft hij waarschijnlijk’Le bateau ivre’ op zak en misschien zelfs ook wel ‘Voyelles’ en ‘L’étoile a pleuré rose’. Als dat zo is, dan heeft Rimbaud van september 1871 tot februari 1872 alleen maar de gedichten geschreven die in het ‘Album zutique’ zijn opgenomen. Wellicht stamt ‘Les corbeaux’ uit de winter van 1871/1872, maar dat kan net zo goed de winter daarvoor geweest zijn. ‘Les mains de Jeanne-Marie’ wordt in februari 1872 gedateerd en zou dus wel eens het enige ‘serieus bedoelde’ gedicht kunnen zijn geweest dat Rimbaud tijdens zijn verblijf in Parijs in de herfst en winter van 1871/1872 geschreven heeft.
Tot aan de ‘Mai 1872’-gedichten.
Vanwaar die plotseling scheppingsdrang? De oorzaak voor de literaire activiteit in het voorjaar van 1872 zal gelegen zijn in het feit dat Rimbaud, nadat hij maandenlang in een gezelschap had gezeten dat niet altijd even goed voor hem was geweest, eindelijk weer alleen en op zichzelf teruggeworpen was, en dat in een omgeving die, hoezeer hij bepaalde facetten ervan ook versmaadde, hem toch vertrouwd was en die hem inspireerde tot poëtische expressie.
Toch. Parijs en Verlaine blijven lokken. Begin mei 1872 is Rimbaud alweer terug in de hoofdstad. Op de negende van die maand signaleert men hem alweer in de Franse hoofdstad en begint er een nieuwe roerige periode van braspartijen en liefdesperikelen.
In het jaar nadat de ‘Mai 1872’-gedichten tot stand waren gekomen, schreef Rimbaud nog slechts een klein aantal gedichten die ogen zoals de goegemeente zich conventionele gedichten voorstelt, namelijk als verzen: ‘Jeune ménage’, ‘Est-elle almée?...’, ‘Plates-bandes d’amarantes’, ‘Fêtes de la faim’, ‘Ô saisons, ô châteaux’, ‘Entends comme brame’, ‘Honte’, ‘Qu’est-ce pour nous, mon Cœur’, ‘Michel et Christine’ en ‘Mémoire’. In ‘Une saison en enfer’, uitgeperst tussen april en augustus 1873, hoont en karikaturiseert Rimbaud zijn eigen voortbrengselen uit het voorbije jaar, waarmee hij afscheid neemt van de dichtkunst in de traditionele vorm. Na de prozagedichten van ‘Une saison en enfer’ volgen die van ‘Illuminations’. En dan rest er, afgezien van, ondanks Rimbaldiaanse rusteloosheid, droge en volstrekt onpoëtische brieven, slechts stuurse stilte.
© 2013 Leo van der Sterren
Rond 15 september 1871 arriveerde de plattelander Rimbaud voor de vierde keer in zijn leven in de Franse hoofdstad waar hij zich, mede door toedoen van de persoon die hem heeft uitgenodigd, de dichter Paul Verlaine, aan wie hij dan al verschillende brieven gezonden heeft, in een leven van niets ontziende losbandigheid zou storten. Rimbaud verkeerde in een fase van zijn leven dat hij absoluut niet deugde. Hij, het onmiskenbare dichterlijke genie, gedroeg zich als een onaangepaste, opstandige, hufterige puber. Zo zorgde hij er mede voor dat het nog zo prille, maar dwaze huwelijk van de Franse dichter Paul Verlaine met de hoogzwangere Mathilde Meuté de Fleurville de eerste deuken opliep en naderhand – Verlaine was toen al vader geworden – stuurde hij er doelbewust op aan dat het op de klippen liep. Hij kaapte de echtgenoot weg van zijn jonge eega en beide dichters stortten zich in een stormachtige liefdesrelatie die, gezien het homoseksuele karakter ervan, zelfs binnen de kringen van de toenmalige Parijse bohème het nodige opzien baarde.
De bohème. Het leven dat Rimbaud van september 1871 tot in maart 1872 leidde in Parijs, heeft ervoor gezorgd dat het woord ‘bohème’, voorheen gebruikt door Tallemant des Réaux, Balzac en Murger om groepen van vrije geesten in de marge van de maatschappij mee aan te duiden, zich ook in de richting van ongeremdheid, liederlijkheid en amoraliteit ontwikkelde.
Op 30 september 1871 introduceerde Verlaine zijn jonge kompaan in het gezelschap van kunstenaars waar hij deel van uitmaakte, de Vilains-Bonshommes. Rimbaud maakte kennis met onder anderen de dichter Charles Cros, de karikaturist en zanger André Gill, de dichters van de Parnasse Théodore de Banville en François Coppée, de schilder Henri Fantin-Latour en de fotograaf Emile Carjat. Hij las zijn gedicht ‘Le bateau ivre’ aan hen voor, het beroemde gedicht over de zee dat hij had vervaardigd zonder ooit de zee aanschouwd te hebben. Dat vormde een valide reden voor de ‘Nare gasten’ om de jonge provinciaal in hun midden te accepteren. In de daarop volgende tijd ontpopte Rimbaud, die meestal onder invloed van drank of drugs verkeerde, zich als een verschrikkelijk ettertje dat de kunst van het sarren en provoceren tot grote hoogten opstuwde. Zijn zogenaamde ‘practical jokes’ zijn met gemak onder de noemer ‘vuile rotstreken’ te scharen.
Maar er werd ook gewerkt. Jazeker. Ahum. In oktober 1871 richtten de dichters Charles Cros, Arthur Rimbaud, Paul Verlaine, Ernest Cabaner, Léon Valade en Camille Pelletan een heus clubje op, ‘Le cercle des poètes zutiques’. De dichters ontmoetten elkaar in L'Hôtel des Étrangers waar Cabaner als barman en pianist werkt en een kamer bewoont. Rimbaud logeerde in oktober en november bij Cabaner totdat die hem eruit gooide nadat Rimbaud in een glas melk had geëjaculeerd dat een onwetende Cabaner vervolgens opdronk. Tijdens hun bijeenkomsten schreven de Zutisten parodieën op de werken van de dichters die tot de Parnasse behoren, in het bijzonder François Coppée en Albert Mérat. Rimbaud leverde een behoorlijk aantal bijdragen aan de gedichten en tekeningen die later in het ‘Album zutique’ verzameld zouden worden. De voortbrengselen van Le Cercle des poètes Zutiques zijn over het algemeen licht van toon en obsceen van aard. De scabreuze kolder regeert.
In maart 1872 culmineerde het recalcitrante gedrag van Rimbaud in een calamiteit die hem in diskrediet bracht bij de overige ‘Nare gasten’. Op 2 maart 1872 verwondde een totaal beschonken Rimbaud de beroemde fotograaf Étienne Carjat (die zo’n intrigerende foto van hem had gemaakt) lichtjes aan zijn arm met een stokdegen. Hoe onbeduidend het incident op zich ook mocht zijn in dat bohème-milieu waarin wel vaker geweld werd aangewend, dat vormde de druppel die de emmer deed overlopen. Verlaine zag geen andere oplossing dan zijn jonge, ongeremde vriend terug te sturen naar waar hij vandaan was gekomen, ter preventie van verdere incidenten en ter bescherming van de protegé. En dus stapte Rimbaud ergens tussen 2 en 15 maart 1872 op de trein naar het noorden, met de bestemming Arras, maar niet lang daarna belandde hij in dat slaperige stadje in Noord-Frankrijk, Charleville, waar hij weer bij zijn moeder aan de Quai de la Madeleine (nu Quai Arthur Rimbaud) introk.
Thuis in Charleville, in dat Spartaanse landschap van de Ardennen, moest Rimbaud om te beginnen zijn geestelijke evenwicht hervinden na maanden van slemperijen. Wellicht was er zelfs sprake van ontwenningsverschijnselen.Maar hij zal ook vrij snel zijn gewoonte opgepakt hebben om in de omgeving rond te zwerven. Want als hij één ding niet kon, was het stilzitten. In die zin – van zwerver dus – gedroeg hij zich ook als een ware bohemien (die al in 1870 een gedicht zou schrijven, getiteld ‘Ma bohème’). Zijn hele leven lang vormde weggaan zijn bezoeking. Rimbaud, die later de bijnaam ‘l’homme aux semelles de vent’ zou krijgen, was bovendien een begenadigde en onverschrokken voetreiziger die er zelfs niet voor terugdeinsde om in oktober 1878 de Gotthardpas te voet over te gaan.
Rimbaud verliet Charleville in noordelijke richting en bevond zich al snel in de uitgestrekte bosgebieden van het Fôret des Ardennes. De Maas op de rechteroever volgend kwam hij in de buurt van Monthermé bij de plek waar de rivier de Semois in de Maas uitmondt. De Semois ontspringt in Aarlen in Belgisch-Lotharingen en stroomt in westelijke richting, parallel aan de landsgrens tussen België en Frankrijk. Gedurende het grootste deel van de loop, van Chiny tot de monding, meandert de rivier sterk. De afstand van de bron tot de monding bedraagt hemelsbreed zeventig kilometer, maar de totale lengte van de rivier loopt op tot het drievoudige door de vele meanders.
De bochten van de Semois tussen de heuvels in oostelijke richting volgend vond Rimbaud Bouillon als eerste stad op zijn weg. Maar hij had Charleville ook in noordoostelijke richting kunnen verlaten en via Gespunsart en Corbion naar Bouillon kunnen trekken. Bij Bouillon, nu een toeristische trekpleister, maakt de Semois een heuse haarspeldlus. In het gat van die kronkel ligt op een heuvel het kasteel dat de middeleeuwse stad domineert, eens het eigendom van Godfried van Bouillon, een van de aanvoerders van de eerste kruistocht in 1096 en heerser over Jerusalem. Vanzelfsprekend kende Rimbaud die feiten die, net als het spectaculaire landschap van de Semois, tot de verbeelding spraken, zoals ook de sagen en legenden van deze streek dat gedaan zullen hebben. De vier heemskinderen in Bogny-sur-Meuse. De ‘Roc la Tour’ (het kasteel van de duivel) bij Monthermé. ‘Les dames de la Meuse’ bij Laifour. De doorwaadbare plaats in de Maas, Malhanté, tussen Monthermé en Deville waar de ridder Roger door zijn geweten werd geplaagd na de moord op een jong meisje. En dan waren er natuurlijk de talloze schilderachtige figuren in het dunbevolkte gebied. De mensen die karikaturen van zichzelf waren. De Semois heeft vrijwel zeker model gestaan voor ‘la rivière de cassis’ uit het gelijknamige gedicht waarin zo’n knoestig plattelandspersonage figureert. En de ‘donjons’ lijken te zijn geïnspireerd door het kasteel van Bouillon en andere middeleeuwse vestingwerken in de omgeving (Sedan, Montcornet).
Bij een andere gelegenheid liep Rimbaud naar het noordwesten in de richting van Chimay. Hij volgde de rivier de Oise die ten zuiden van Chimay in België op een hoogte van ruim driehonderd meter ontspringt en zich uiteindelijk bij de Seine voegt. Maar hier, bij Chimay, was de Oise nog ‘jong’, zoals Rimbaud schrijft in zijn gedicht ‘Larme’. ‘Que pouvais-je boire dans cette jeune Oise’.
‘Que pouvais-je boire...’ Een thema dat prominent aanwezig is in de ‘Mai 1872’-gedichten is dat van de dorst, nauw verbonden uiteraard met dat van het lessen van de dorst. Hij wijdt er zelfs een complete cyclus aan die hij ‘Comédie de la soif’ noemt. In de gedichten laat Rimbaud de prosodie die hij tot dan toe aanwendde, varen. De gedichten hebben een melancholieke toon. Wat de maand mei van 1872 een warme maand? Omdat er zoveel gedichten over dorst en drinken gaan? Heeft het te maken met de ontwenningsverschijnselen na alle absint die hij in de Franse hoofdstad gedronken heeft? Of zag hij in hoe abnormaal, futiel en belachelijk zijn braspartijen waren geweest?
Dorst, honger (‘Fêtes de la faim’), het zijn de gebruikelijke, traditionele uitingen van verlangen. De zucht naar alleen zijn in gezelschap en naar gezelschap in eenzaamheid. Het smachten naar aandacht. Het hunkeren naar liefde. Het verlangen naar een betere wereld, naar een maakbare wereld, naar een ideaal, naar een paradijs, dat goden en pseudo-goden deed ontstaan. Rimbaud zou deze dwaze begeertes uiteindelijk afzweren. Maar in 1872 was hij nog niet zover. En de rusteloosheid, die zou hem blijven plagen.
Zowel ‘La rivière de cassis’ als ‘Larme’ behoren tot een reeks gedichten die Rimbaud in maart, april en mei 1872 schreef en waarvan hij de handschriften van de datum ‘Mai 1872’ voorzag. Deze periode leverde ineens acht gedichten op: ‘Larme’, ‘La rivière de Cassis’, ‘Bonne pensée de matin’,‘Comédie de la soif’ (dit gedicht bestaat uit vijf delen), ‘Bannières de mai’,‘Chanson de la plus haute tour’,‘Éternité’ en ‘Áge d’or’. Een enorme productie dus, die de periode daarvoor tot een van literaire (bijna) geheelonthouding reduceert. Wanneer Rimbaud in september 1871 in Parijs arriveert, heeft hij waarschijnlijk’Le bateau ivre’ op zak en misschien zelfs ook wel ‘Voyelles’ en ‘L’étoile a pleuré rose’. Als dat zo is, dan heeft Rimbaud van september 1871 tot februari 1872 alleen maar de gedichten geschreven die in het ‘Album zutique’ zijn opgenomen. Wellicht stamt ‘Les corbeaux’ uit de winter van 1871/1872, maar dat kan net zo goed de winter daarvoor geweest zijn. ‘Les mains de Jeanne-Marie’ wordt in februari 1872 gedateerd en zou dus wel eens het enige ‘serieus bedoelde’ gedicht kunnen zijn geweest dat Rimbaud tijdens zijn verblijf in Parijs in de herfst en winter van 1871/1872 geschreven heeft.
Tot aan de ‘Mai 1872’-gedichten.
Vanwaar die plotseling scheppingsdrang? De oorzaak voor de literaire activiteit in het voorjaar van 1872 zal gelegen zijn in het feit dat Rimbaud, nadat hij maandenlang in een gezelschap had gezeten dat niet altijd even goed voor hem was geweest, eindelijk weer alleen en op zichzelf teruggeworpen was, en dat in een omgeving die, hoezeer hij bepaalde facetten ervan ook versmaadde, hem toch vertrouwd was en die hem inspireerde tot poëtische expressie.
Toch. Parijs en Verlaine blijven lokken. Begin mei 1872 is Rimbaud alweer terug in de hoofdstad. Op de negende van die maand signaleert men hem alweer in de Franse hoofdstad en begint er een nieuwe roerige periode van braspartijen en liefdesperikelen.
In het jaar nadat de ‘Mai 1872’-gedichten tot stand waren gekomen, schreef Rimbaud nog slechts een klein aantal gedichten die ogen zoals de goegemeente zich conventionele gedichten voorstelt, namelijk als verzen: ‘Jeune ménage’, ‘Est-elle almée?...’, ‘Plates-bandes d’amarantes’, ‘Fêtes de la faim’, ‘Ô saisons, ô châteaux’, ‘Entends comme brame’, ‘Honte’, ‘Qu’est-ce pour nous, mon Cœur’, ‘Michel et Christine’ en ‘Mémoire’. In ‘Une saison en enfer’, uitgeperst tussen april en augustus 1873, hoont en karikaturiseert Rimbaud zijn eigen voortbrengselen uit het voorbije jaar, waarmee hij afscheid neemt van de dichtkunst in de traditionele vorm. Na de prozagedichten van ‘Une saison en enfer’ volgen die van ‘Illuminations’. En dan rest er, afgezien van, ondanks Rimbaldiaanse rusteloosheid, droge en volstrekt onpoëtische brieven, slechts stuurse stilte.
© 2013 Leo van der Sterren
dinsdag 14 mei 2013
zaterdag 11 mei 2013
maandag 11 maart 2013
Horror vacui 9
In de tachtiger jaren van de negentiende eeuw publiceert de Franse dichter Paul Verlaine een aantal essays over zijn voormalige minnaar Arthur Rimbaud, eveneens een Franse dichter – en volgens menigeen een van de boeiendste figuren uit de Franse literatuurgeschiedenis. Arthur Rimbaud brengt zijn oeuvre, een kleine honderd gedichten en de prozagedichten van ‘Une saison en enfer’ en ‘Illuminations’, in een korte periode van zijn leven, namelijk gedurende zijn puberteit en adolescentie, tot stand. Aan het begin van de jaren zeventig van de negentiende eeuw vormen Verlaine en Rimbaud een illuster koppel. Verlaine geraakt dermate in de ban van de even geniale als hufterige tiener dat hij zijn vrouw en kind ervoor in de steek laat. De stormachtige affaire, gekenmerkt door een overmatig gebruik van verdovende middelen en alcohol, en daarmee het prototype van de bohème, vindt in juli 1873 een abrupt einde als Verlaine enkele pistoolschoten op Rimbaud afvuurt, zijn vriend daarbij verwondt en in de gevangenis belandt. Rimbaud begint aan een zwervend bestaan en stopt gaandeweg met schrijven. Hij belandt uiteindelijk in Afrika waar hij door het drijven van handel in zijn broodwinning voorziet. Een ziekte dwingt hem om in 1891 te repatriëren, maar nadat er in mei van dat jaar al een been moet worden afgezet, sterft hij in november in Marseille aan kanker.
Door alcoholmisbruik en ziekte raakt Paul Verlaine totaal aan lager wal; desondanks blijft hij tot aan zijn dood in 1896 publiceren. In zijn essays over Rimbaud maakt Verlaine gewag van een groot prozagedicht dat Rimbaud geschreven zou hebben en waarvan hij het manuscript onder ogen heeft gehad. Volgens Verlaine behoort het prozagedicht niet tot de prozagedichten van ‘Une saison en enfer’ en de ‘Illuminations’ en zou de tekst vreemde mysticismen en de diepste psychologische inzichten bevatten. Verlaine is de titel van het werk echter vergeten en heeft evenmin enig idee waar het manuscript gebleven is. (Paul Verlaine, ‘Rimbaud raconté par Paul Verlaine’. Paris, 1934, pp. 58, 60, 69.) Het werk zou in de vergetelheid zijn geraakt, ware het niet dat een vriend van Verlaine, Edmond Lepelletier, in 1907 een biografie over Paul Verlaine uitgeeft, ‘Paul Verlaine, sa vie, son œuvre’, waarin hij een lijst opneemt van eigendommen van Paul Verlaine die zich bij diens schoonouders bevinden. De lijst bevat titels en omschrijvingen van boeken, brieven, manuscripten en kunstvoorwerpen, allemaal spullen die Verlaine bij zijn echtgenote Mathilde achterliet toen hij in juli 1872 definitief met haar brak. In de lijst is sprake van ‘[u]n manuscirt, sous pli cacheté, intitulé la Chasse spirituelle, par Arthur Rimbaud’. (Edmond Lepelletier, ‘Paul Verlaine. Sa Vie – Son Œuvre’. Paris, 1923 [1907], p. 302.)
Op enig moment moet er dus een verzegeld document zijn geweest waarop die titel stond vermeld. Daarmee heeft het prozagedicht waarvan Verlaine de titel was vergeten, plotseling een naam gekregen. En dat verandert de situatie drastisch. Mathilde Verlaine geeft toe dat zij weliswaar brieven die Rimbaud aan Verlaine schreef, heeft verbrand, maar zij beweert eveneens dat zij in de bezittingen van Verlaine geen gedichten heeft aangetroffen. (Mathilde Verlaine-Mauté de Fleurville, ‘Mémoires de ma vie / ex-madame Paul Verlaine’. Seyssel, 1992, p. 164.) Sindsdien zit de het literaire wereldje te wachten op de vondst van dat manuscript. Adepten van Rimbaud hopen dat Mathilde Verlaine het werk niet vernietigd heeft of dat er een kopie van het werk bestaat, zodat het eerstdaags opduikt. En elke biograaf besteedt aandacht aan dit verloren document.
In 1949 wordt volkomen onverwacht de uitgave van ‘La Chasse spirituelle’, Rimbauds verloren gewaande meesterwerk, aangekondigd. Illustere Franse letterkundigen bemoeien zich met de uitgave van de tekst. Maar nadat heel letterkundig Frankrijk in rep en roer is gebracht omdat het ontbrekende werk van Arthur Rimbaud terecht is, blijkt het om een vervalsing te gaan die door twee studenten gemaakt is. ‘La chasse spirituelle’ blijft daarna de gemoederen bezig houden. In ‘The great Rimbaud forgery’ van Bruce Morrissette staat een bibliografie van boeken en essays die aan ‘La chasse spirituelle’ en aan de namaaktekst gewijd zijn. Die opsomming bevat meer dan driehonderd titels en beperkt zich nog tot de jaren 1949 – 1955. (Bruce Morrissette, ‘The great Rimbaud forgery’. Saint Louis, 1956, pp. 316 tot en met 329.) Hoe vervalsingen de tongen los kunnen maken.

Wanneer Verlaine niet van het bestaan van het prozagedicht had gerept en wanneer de titel ‘La chasse spirituelle’ niet zou zijn opgedoken, zou het werk nimmer een rol hebben gespeeld in de Rimbaud-vorsing. Nu dat wel is gebeurd, heeft die ontwikkeling een hoop omhaal tot gevolg gehad, commotie rondom een ding dat niet voorhanden is. ‘La chasse spirituelle’ existeert en tegelijkertijd existeert het niet. Maar omdat aan het bestaan – ooit – van een manuscript getiteld ‘La chasse spirituelle’ niet getwijfeld kan worden, is het werk essentieel voor de studie van Rimbaud geworden. ‘La chasse spirituelle’ is in noodzakelijke kunst getransformeerd.
© 2013 Leo van der Sterren
Door alcoholmisbruik en ziekte raakt Paul Verlaine totaal aan lager wal; desondanks blijft hij tot aan zijn dood in 1896 publiceren. In zijn essays over Rimbaud maakt Verlaine gewag van een groot prozagedicht dat Rimbaud geschreven zou hebben en waarvan hij het manuscript onder ogen heeft gehad. Volgens Verlaine behoort het prozagedicht niet tot de prozagedichten van ‘Une saison en enfer’ en de ‘Illuminations’ en zou de tekst vreemde mysticismen en de diepste psychologische inzichten bevatten. Verlaine is de titel van het werk echter vergeten en heeft evenmin enig idee waar het manuscript gebleven is. (Paul Verlaine, ‘Rimbaud raconté par Paul Verlaine’. Paris, 1934, pp. 58, 60, 69.) Het werk zou in de vergetelheid zijn geraakt, ware het niet dat een vriend van Verlaine, Edmond Lepelletier, in 1907 een biografie over Paul Verlaine uitgeeft, ‘Paul Verlaine, sa vie, son œuvre’, waarin hij een lijst opneemt van eigendommen van Paul Verlaine die zich bij diens schoonouders bevinden. De lijst bevat titels en omschrijvingen van boeken, brieven, manuscripten en kunstvoorwerpen, allemaal spullen die Verlaine bij zijn echtgenote Mathilde achterliet toen hij in juli 1872 definitief met haar brak. In de lijst is sprake van ‘[u]n manuscirt, sous pli cacheté, intitulé la Chasse spirituelle, par Arthur Rimbaud’. (Edmond Lepelletier, ‘Paul Verlaine. Sa Vie – Son Œuvre’. Paris, 1923 [1907], p. 302.)
Op enig moment moet er dus een verzegeld document zijn geweest waarop die titel stond vermeld. Daarmee heeft het prozagedicht waarvan Verlaine de titel was vergeten, plotseling een naam gekregen. En dat verandert de situatie drastisch. Mathilde Verlaine geeft toe dat zij weliswaar brieven die Rimbaud aan Verlaine schreef, heeft verbrand, maar zij beweert eveneens dat zij in de bezittingen van Verlaine geen gedichten heeft aangetroffen. (Mathilde Verlaine-Mauté de Fleurville, ‘Mémoires de ma vie / ex-madame Paul Verlaine’. Seyssel, 1992, p. 164.) Sindsdien zit de het literaire wereldje te wachten op de vondst van dat manuscript. Adepten van Rimbaud hopen dat Mathilde Verlaine het werk niet vernietigd heeft of dat er een kopie van het werk bestaat, zodat het eerstdaags opduikt. En elke biograaf besteedt aandacht aan dit verloren document.
In 1949 wordt volkomen onverwacht de uitgave van ‘La Chasse spirituelle’, Rimbauds verloren gewaande meesterwerk, aangekondigd. Illustere Franse letterkundigen bemoeien zich met de uitgave van de tekst. Maar nadat heel letterkundig Frankrijk in rep en roer is gebracht omdat het ontbrekende werk van Arthur Rimbaud terecht is, blijkt het om een vervalsing te gaan die door twee studenten gemaakt is. ‘La chasse spirituelle’ blijft daarna de gemoederen bezig houden. In ‘The great Rimbaud forgery’ van Bruce Morrissette staat een bibliografie van boeken en essays die aan ‘La chasse spirituelle’ en aan de namaaktekst gewijd zijn. Die opsomming bevat meer dan driehonderd titels en beperkt zich nog tot de jaren 1949 – 1955. (Bruce Morrissette, ‘The great Rimbaud forgery’. Saint Louis, 1956, pp. 316 tot en met 329.) Hoe vervalsingen de tongen los kunnen maken.

Wanneer Verlaine niet van het bestaan van het prozagedicht had gerept en wanneer de titel ‘La chasse spirituelle’ niet zou zijn opgedoken, zou het werk nimmer een rol hebben gespeeld in de Rimbaud-vorsing. Nu dat wel is gebeurd, heeft die ontwikkeling een hoop omhaal tot gevolg gehad, commotie rondom een ding dat niet voorhanden is. ‘La chasse spirituelle’ existeert en tegelijkertijd existeert het niet. Maar omdat aan het bestaan – ooit – van een manuscript getiteld ‘La chasse spirituelle’ niet getwijfeld kan worden, is het werk essentieel voor de studie van Rimbaud geworden. ‘La chasse spirituelle’ is in noodzakelijke kunst getransformeerd.
© 2013 Leo van der Sterren
zaterdag 8 september 2012
Abonneren op:
Reacties (Atom)




