maandag 15 maart 2021

De neersluiting

Vorig jaar op zondag 15 maart vierde ik ’s middags mijn eenenzestigste verjaardag. Eigenlijk hield dat feestje al een element van onverantwoordelijkheid in, maar ik had mijn verjaardagsfeestje in 2019 ook al moeten annuleren, toen ‘wegens omstandigheden’ zoals dat zo mooi heet – die omstandigheden spelen geen rol voor het onderhavige betoog en gaan bovendien niemand aan. Maar ze waren ernstig genoeg om een verjaardagsfeestje uit te stellen (en dat uitstel werd uiteindelijk afstel). 

Overigens is niemand besmet geraakt op mijn verjaardagsfeestje. 

Maar goed, op die zondag in maart gonsde het al volop van de Covid-19- of corona-rumoeren. Verschillende genodigden hadden vanwege de pandemie afgezegd en verstek laten gaan. Desalniettemin ontwikkelde de middag zich als heel genoeglijk, het gezelschap nog onwetend van het feit dat deze specifieke soort van sociabiliteit spoedig gedoemd zou zijn hetzij zich niet meer voor te doen hetzij ondergronds te gaan.

Om half zes meldde iemand in het gezelschap, de ogen gericht op een beeldschermpje, dat om zes uur alle uitgaansgelegenheden dicht zouden gaan – het begin van de neersluiting van Nederland. Wij, mijn kinderen en ik, hadden voor die dag gepland om het qua eten gemakkelijk te houden door aan het begin van de avond een ‘maaltijd’ bij de bekendste snelvoerrestauratie van de wereld te gaan halen, je weet wel: karton en tempex, maar alles volledig verantwoord.

Mijn zoon sprong daarop in zijn auto en wist, net voor zes uur, nog een van de laatste afhaalacties bij de restauratie af te ronden – het personeel was al druk doende om de sluiting ervan voor te bereiden.

De neersluiting van Nederland om 18:00 uur op 15 maart 2020 – en van, met temporele en nationale, regionale en lokale verschillen, de hele wereld – vertegenwoordigde een donderslag die, ondanks de onheldere hemel, op 15 maart om 17:00 uur nog onvoorstelbaar had geleken – nee: was.

De neersluiting van Nederland behelsde de effectuering van de tweede volstrekt onvoorstelbare gebeurtenis in mijn leven binnen vier jaar, zij het dat de eerste vele malen meer onvoorstelbaar was dan de tweede.

Het feit dat er zich volstrekt onvoorstelbare fenomenen kunnen voordoen zou voor mensen een teken moeten zijn, een waarschuwing om zo nu en dan rekening te houden met het feit dat ook het ergste kan gebeuren, stil te staan bij de omstandigheid dat een slechtste scenario nooit uit te sluiten is. Gewoon om niet overvallen te worden. Wat desondanks gebeuren zal.

© 2021 Leo van der Sterren

zondag 14 februari 2021

Het wonder

Ongetelde jaren wachtte ik op het wonder. Ik verbeidde het winnen van een grote prijs. Maar het lot bleef me ongunstig gezind.

Tot het wonder zich alsnog voordeed. Of ja, het wonder, ’n wonder.

Op zekere dag plukte ik een tissue, 3-laags, uit het kartonnen tissuedoosje (‘zacht en sterk’) en wolkte er geen nieuwe tissue op. Mijn doosje met tissues, 3-laags, was leeg, tissue-loos, o horror vacui! Ik snoot mijn neus omstandig. Vervolgens viste ik een nieuwe doos uit de voorraadkast en plaatste die op het aanrecht, daar waar mijn tissuedoosjes sinds jaar en dag al prijken.

Dagelijks trok ik een tissue uit de doos en snoot mijn neus, soms wel twee of drie keer per dag – sinds ik ouder ben (en eigenlijk geen recht meer heb op een grote prijs, althans zo voelt dat) heb ik zoiets als een permanente loopneus over welks fenomenologie ik hier niet zal uitweiden. En toen – het moet weken na het openen van die specifieke doos met tissues zijn geweest – bedacht ik dat ik al wel heel lang met deze doos met tissues deed. Ik keek op het ding. Die bevatte, zacht en sterk, honderd 3-laagse tissues. Ik noteerde de datum van de dag in mijn notitieboek 57 en schreef er ‘tissues MT D 262 02:19’ bij. 

Ik dacht er niet meer aan, want aan zo’n dingen denk je niet, tot ik aanbeland was bij de laatste bladzijde van notitieboek 57. Het boek was volgepend. Enigszins weemoedig, want waar blijft de tijd, bladerde ik erin. En toen viel mijn oog op de notitie ‘tissues MT D 262 02:19’. De datum die erbij stond, dat was ruim drie maanden geleden. Elke dag snoot ik mijn neus, soms wel twee of drie keer. Loopneus, weet je nog? Drie maanden geleden, dat telde op tot negentig dagen. En toen, op die bewuste dag, had ik al weken tissues uit die bewuste doos getrokken. Wat? Watte? Ik rees van mijn werkplek en liep naar de doos met tissues op het aanrecht. Een voor een begon ik tissues uit de doos te plukken. Maar er kwam inderdaad geen einde aan.

© 2021 Leo van der Sterren

zaterdag 2 januari 2021

De leeslijst van 2020

1. Stuart Y. McDougal, ‘Ezra Pound and the Troubadour Tradition’. Princeton (N.J.), 1972 [Reprint]. 

2. Ezra Pound, ‘Posthumous Cantos. Edited by Massimo Bacigalupo’. Manchester, 2015. Bevat onder meer de ‘Three Cantos’ (of ‘Ur-Cantos’) die in 1917 in Poetry gepubliceerd werden. 

3. A. David Moody, ‘Ezra Pound: Poet. A Portrait of the Man & His Work. Volume I. The Young Genius 1885 – 1920’. New York, 2009 [2007]. 

4. Jona Lendering & Vincent Hunink, ‘Het visioen van Constantijn. Een gebeurtenis die de wereld veranderde’. Utrecht, 2019 [2018]. Jammer van die ronkende ondertitel die afbreuk doet aan de op elke pagina leesbare twijfel aangaande de kenbaarheid van het (verre) verleden. 

5. A. David Moody, ‘Ezra Pound: Poet. A Portrair of the Man & His Work. Volume II. The Epic Years 1921 – 1939’. New York, 2018 [2014]. 

6. Jona Lendering, ‘Xerxes in Griekenland. De mythische oorlog tussen oost en west.’ Utrecht, 2019. 

7. Robert Archambeau, ‘Poetry and Uselessness. From Coleridge to Ashbery’. New York, Abingdon, 2020. 

8. Mensje van Keulen, ‘Ik moet u echt iets zeggen’. Amsterdam, Antwerpen, 2020. 

9. Benno Barnard, ‘Dagboek van een landjonker’. Amsterdam, Antwerpen, 2013. 

10. Sam Wasson, ‘The Big Goodbye. Chinatown and the last year of Hollywood’. London, New York, 2020. Fascinerend boek over the making of ‘Chinatown’, een film die in mijn top tien prijkt. Het ronkende tweede deel van de ondertitel, ‘the last year of Hollywood’, had meneer Wasson echter weg moeten laten, want die slaat nergens op. 

11. K. Schippers, ‘Andermans wegen. Verhalen & beschouwingen’. Amsterdam, 2020. 

12. Saša Stanišić, ‘Herkunft’. München, 2019. Stanišić schrijft het begrip ‘afkomst’ en daarmee de notie ‘identiteit’ aan gort. 

13. ‘De Parelduiker, jaargang 25, 2020, nummer 1. Louis Paul Boon.’ 

14. ‘Maatstaf 1, jaargang 47, 1999. Boon!’. Naar aanleiding van het Boon-nummer van De Parelduiker heb ik de speciale Maatstaf van 21 jaren geleden over Louis Paul Boon er nog maar eens bij gehaald. Dat bevat onder andere het ‘Dagboek van meneerke Boin behandelend het jaar 1978-1979’ dat Boon tot kort voor zijn dood bijhield, een bij vlagen aangrijpend verslag van Boons gevecht tegen depressiviteit, lichamelijke klachten en alcohol – en dat in een periode dat hem de Nobelprijs voor literatuur boven het hoofd hangt. 

15. Özcan Akyol, ‘Generaal zonder leger’. Amsterdam, 2020. Niet al te best, dit essay ter ere van de Boekenweek. De laatste bladzijde doet zelfs pijn aan de ogen. 

16. Valeria Luiselli, ‘Archief van verloren kinderen’. Amsterdam, 2019. Prachtige en ontroerende roman over kinderen die vanuit Zuid- en Midden-Amerika naar het noorden zijn getrokken om in de Verenigde Staten hun heil te zoeken, maar die dat einddoel nooit bereikt hebben en onderweg uit het zicht zijn geraakt – verloren dus. 

17. Arielle Veerman, ‘De langste adem. Een leven met Joost Zwagerman. Autobiografische roman’. Amsterdam, 2020. Over Joost Zwagerman. Die de hand aan zichzelf geslagen heeft. Door Arielle Veerman, de ex-echtgenote van Joost Zwagerman. Die tijdens en na de vechtscheiding vanuit Zwagermans kamp, om het maar in strijdtaal te stellen, scheef werd aangekeken omdat zij de oorzaak voor Zwagermans depressie en de noodlottige uitkomst daarvan zou zijn geweest. In dit boek vertelt zij haar kant van het verhaal. En dat mag. Maar de moeilijkheid met dit soort boeken steekt in het feit dat je snel geneigd bent om datgene wat je het laatste hoort, voor waar aan te nemen, terwijl er geen weerwoord vanuit het andere kamp, om het maar in strijdtaal te stellen, komt, althans ik heb daar niets van vernomen; ik ben wel geen toeschouwer van programma’s met pratende hoofden, dus het kan zijn dat ik iets gemist heb. Nu kun je zeggen dat het andere kamp al meer dan genoeg van zich heeft laten horen meteen na het overlijden van Joost Zwagerman, maar ik blijf toch moeite houden met het motief van het uit de doeken doen van deze geschiedenis, terwijl het boek als roman gewoon niet goed genoeg is. Vind ik. 

18. Drago Jančar, ‘Die nacht zag ik haar’. Amsterdam, Antwerpen, 2018. Titel van het boek en de stofomslag van de Nederlandse uitgave doen denken aan de Bouquet-reeks, maar niets is minder waar. Prachtig boek. 

19. Drago Jančar, ‘En ook de liefde’. Amsterdam, Antwerpen, 2019. Ook een prachtig boek. Maar waarom niet gewoon de foto waar het allemaal mee begint op de stofomslag in plaats van opnieuw die opzichtige kitsch?

20. László Krasznahorkai, ‘Satanstango’. Amsterdam, 2012. Een boek om je vingers bij af te likken. 

21. Michael Baigent, Richard Leigh & Henry Lincoln, ‘The Holy Blood and The Holy Grail. Illustrated Edition with Exclusive New Material’. London, 2005 [1982]. Lang geleden al eens gelezen maar de titel van deze nieuwe uitgave ronkte dermate dat hem versmaden geen optie was. En dus heb ik dit heerlijke onzinboek nog eens herlezen en de plaatjes eens goed bekeken. Wat mij niet meer bijstond, zijn de moeiteloosheid en vanzelfsprekendheid waarmee de auteurs werkelijk elke bestaande complottheorie erbij weten te halen. 

22. Robert Harris, ‘De officier’. Amsterdam, 2014. 

23. Mario Puzo, ‘The Godfather’. London, 2019 [1969]. 

24. Francis Ford Coppola, ‘The Godfather Notebook’. New York, 2020 [2016]. 

25. Mario Puzo & Francis Ford Coppola, ‘The Godfather. Final Shooting Script. Screenplay by Mario Puzo and Francis Ford Coppola’. 2012. 

26. Tom Santopietro, ‘The Godfather Effect. Changing Hollywood, America and Me’. New York, 2012. 

27. René Daumal, ‘Het drinkgelag. Een trilogie van de dorst’. Bleiswijk, 2020. 

28. Erwin Mortier, ‘De onbevlekte’. Amsterdam, 2020. 

29. Annejet van der Zijl, ‘Leon & Juliette’. Amsterdam, 2020. 

30. W.G. Sebald, ‘On the Natural History of Destruction’. New York, 2004 [1999]. 

31. Ferdinand von Schirach, ‘Schuld’. Amsterdam, 2011. 

32. Erwin Mortier, ‘ Godenslaap’. Amsterdam, 2009. Wat een fenomenaal boek! 

33. Ferdinand von Schirach, ‘Straf’. Amsterdam, 2019. 

34. Walter Kempowski, ‘Zwanenzang 1945’. Amsterdam, 2020. Slotdeel van Kempowski’s monumentale collectieve dagboek over de Tweede Wereldoorlog ‘Das Echolot’. Nu de rest nog onder handen nemen. 

35. A. David Moody, ‘Ezra Pound: Poet. A Portrait of the Man & His Work. Volume III The Tragic Years 1939 – 1972’. New York, 2019.

36. Sándor Márai, ‘Gloed’. Amsterdam, 2001 [2000]. 

37. Loni Wolf, ‘Oorlogskind’. Amsterdam, 2009. 

38. Denis Johnson, ‘Treindromen’. Amsterdam, 2013 [2012]. 

39. Denis Johnson, ‘De naam van de wereld’. Amsterdam, 2020. 

40. Denis Johnson, ‘Sta stil’. Amsterdam, 2009. 

41. Ferdinand von Schirach, ‘Misdaden’. Amsterdam, 2010. 

42. Denis Johnson, ‘Een zuil van rook’. Amsterdam, 2008. Lijvige roman die soms doet denken aan ‘The Quiet American’ (al is Greenes meesterwerk meer subtiel ambigu) en soms ‘The Heart of Darkness’ in herinnering roept. Niet Johnsons sterkste boek, maar bij bladzijde 519 aanbeland, moest ik even mijn tenen samenknijpen van spanning en dat is me sinds ‘Publieke werken’ van Thomas Rosenboom niet meer overkomen. 

43. Philippe Sands, ‘De rattenlijn’. Amsterdam, 2020. Een hoge SS-officier slaat aan het einde van de Tweede Wereldoorlog op de vlucht en weet te ontsnappen aan de geallieerden in een tijd waarin noties van goed en kwaad, en de consequenties die daarmee verbonden zouden moeten zijn, opgeofferd worden ten behoeve van andere oogmerken die voortkomen uit dat nieuwe geopolitieke conflict waarin de Tweede Wereldoorlog naadloos overgaat, de Koude Oorlog. Aan het onderwerp ligt het niet (hoewel het verhaal dunner is dan Sands doet voorkomen), want dat biedt genoeg stof om een echt goede tekst te produceren. Dat heeft Sands niet gedaan. Het proza in ‘De rattenlijn’ is zo waardeloos dat het mij mateloos begon te storen en uiteindelijk de lectuur van dit boek verpest heeft. Ik begrijp ook niet dat professionele lezers dit boek hebben kunnen prijzen en/of in eindejaarslijstjes hebben kunnen opnemen. 

44. Bertran de Born, ‘The Poems of the Troubadour Bertran de Born. Edited by William D. Paden, Jr., Tilde Sankovitch, and Patricia H. Stäblein’. Berkeley, Los Angeles, London, 1986. 

45. Hilary Mantel, ‘Wolf Hall’. Utrecht, 2010. Een subliem boek voor wie zich laat meeslepen – wat Hilary Mantel overigens met gemak faciliteert. Wie echter de moeite neemt om enigszins afstand te nemen, moet constateren dat het perspectief wel heel erg bij een gebrekenloze Thomas Cromwell ligt hetgeen vanuit historisch oogpunt twijfels oproept. Het proza is ronduit meesterlijk. 

46. Hilary Mantel, ‘Het boek Henry’. Utrecht, 2012. 

47. Marjoleine de Vos, ‘Je keek te ver, een wandeling’. Amsterdam, 2020. Eerste boekje uit een reeks van vier over de fijne kunst van het wandelen. Zelf een fanatieke wandelaar beschouwde ik deze boekjes als verplichte kost. Het was bepaald geen straf om dit eerste boekje te lezen. En de hoeveelheid herkenbaarheden was groot. 

48. Gerbrand Bakker, ‘De 3 bestaat niet, een wandeling’. Amsterdam, 2020. Tweede boekje uit een reeks van vier over de fijne kunst van het wandelen, in dit geval in de Eiffel. Met veel humor verteld. 

49. Thomas Rosenboom, ‘De grote ronde, een wandeling’. Amsterdam, 2020. Derde boekje. 

50. Bregje Hofstede, ‘Bergje, een wandeling’. Amsterdam, 2020. Vierde en laatste wandelboekje. 

51. ‘Karolingische verhalen. Karel en Elegast. Floris en Blancefloer. De vier Heemskinderen. In de bewerking van J. A. Alberdingk Thijm’. Utrecht, Antwerpen, 1983. 

52. Hilary Mantel, ‘De spiegel & het licht’. Utrecht, 2020. 

53. Hal Foster, ‘Prins Valiant. Jaargang 1937’. ’s-Hertogenbosch, 2010. Pure nostalgie. 

54. Albert Camus, ‘De pest’. Amsterdam, 2020. 

55. Anne Fadiman, ‘At Large and At Small. Confessions of a Literary Hedonist’. New York, London, 2007. 

56. Stephen Maxfield Parrish (ed.), ‘Coleridge’s Dejection. The Earliest Manuscripts and the Earliest Printings’. Ithaca and London, 1988. 

57. Anne Fadiman, ‘Ex Libris. Confessions of a Common Reader’. New York, London, 1998. 

58. Adam Nicolson, ‘The Making of Poetry. Coleridge, the Wordsworths and Their Year of Marvels’. London, 2019. Schitterend relaas over dat zo welbekende annus mirabilis van Samuel Taylor Coleridge en William Wordsworth van juni 1797 tot september 1798 toen beroemde gedichten ontstonden als ‘Frost at Midnight’, ‘This Lime Tree My Bower’, ‘The Ancyent Marinere’, ‘Kubla Khan’ en ‘Christabel van STC en ‘The Pedlar’, ‘The Ruined Cottage’ en ‘Tintern Abbey’ van WW. Maar ook met oog voor de maatschappelijke wantoestanden, de politieke oppressie en de worsteling in en met het leven van alledag. 

59. Elisabeth Schneider, ‘Coleride, Opium and Kubla Khan’. New York, 1983 [1953]. 

60. Malcolm Guite, ‘Mariner. A Voyage with Samuel Taylor Coleridge’. London, 2017. 

61. Valerie Purton, ‘A Coleridge Chronology’. Basingstoke, London, 1993. 

62. Kurt Saucke (ed.), ‘Eine Reise von Yarmouth nach Hamburg.’ Hamburg, 1992. 

63. Daniel Hahn, ‘Coleridge. Poetic Lives.’ London, 2009. Voor wie met Samuel Taylor Coleridge en zijn werk kennis wil maken. 

64. H.W. Piper, ‘The Singing of Mount Abora. Coleridge’s Use of Biblical Imagery and Natural Symbolism in Poetry and Philosophy.’ London, Toronto, 1987. 

65. Berta Lawrence, ‘Coleridge and Wordsworth in Somerset.’ Newton Abbot, 1970. 

66. Robert W. Graves, ‘The Poet as Prophet, Wanderer and Pilgrim in Coleridge’s “The Rime of the Ancient Mariner”.’ Woodstock, GA., 2015. 

67. Anne Applebaum, ‘Rode hongersnood. Stalins oorlog tegen Oekraïne’. Amsterdam, 2017. 

68. Samuel Taylor Coleridge, ‘Biographia Literaria. Edited by James Engell and W. Jackson Bate. The Collected Works of Samuel Taylor Coleridge.’ Princeton, 1984 [1983]. 

69. Judith Thompson, ‘John Thelwall in the Wordsworth Circle. The Silenced Partner.’ Basingstoke, 2012. Fascinerend boek over ‘der Dritte im Bunde’. John Thelwall, ‘Jacobijns’ politicus en orator, maar ook een niet onverdienstelijke dichter maakt kennis met Coleridge en Wordsworth, die dan nog welwillend staan ten opzichte van bepaalde, door de Franse Revolutie geïnspireerde radicale ideeën, de ideeën die Thelwall uitdraagt. Heel even maakt Thelwall deel uit van wat John Worthen later ‘The Gang’ zou noemen. Maar al tijdens de tien dagen in juli 1797 dat Thelwall in Nether Stowey (bij Coleridge) en in Alfoxden (bij Wordsworth) verblijft, ziet hij ‘the writing on the wall’: de beide andere dichters hebben geen behoefte aan een iets oudere mentor, hoewel ze wel van zijn standpunten aangaande poëzie leren en van zijn werk lenen (jatten), maar vooral niet aan een beruchte radicaal, omdat zowel Coleridge als Wordsworth begonnen zijn met opschuiven naar een politiek conservatisme, de eerste snel, de tweede langzamer, maar beiden zeker. En dus wordt Thelwall gedumpt. Coleridge en Wordsworth geven zich vervolgens veel moeite om de bewijzen van hun kortstondige vriendschap met Thelwall uit te wissen. Van de brieven die Thelwall aan Coleridge schreef, en dat moeten er vele zijn geweest, bleef er slechts eentje bewaard. De rest is bewust vernietigd. Wat het lenen cq. jatten van elkaar betreft, gaat Judith Thompson trouwens veel te ver. Ik chargeer een beetje maar zij doet het voorkomen alsof Coleridge en Wordsworth, zeker tot aan de wisseling van de achttiende naar de negentiende eeuw, geen regel schreven die niet iets met Thelwall te maken had. Maar dat Thelwall belangrijker was voor die eerste generatie van romantische dichters in Engeland dan tot onlangs werd aangenomen staat buiten kijf. Het is dus begrijpelijk en rechtvaardig dat hij de aandacht krijgt die hij verdient.

70. Wordsworth en Coleridge, ‘Lyrische balladen.Vertaald en toegelicht door Jabik Veenbaas. Met een nawoord van Rob Schouten.’ Amsterdam, 2010. Het is lovenswaardig dat Jabik Veenbaas ‘Lyrical Ballads’ in het Nederlands vertaald heeft en daarmee een schare lezers in Nederland weet te bereiken. De recente alarmerende berichten met betrekking tot het leesgedrag in Nederland en de leescompetenties van de Nederlanders indachtig zal die schare echter (zeer) beperkt van omvang blijven. Maar het verdient alle lof dat dit belangrijke boek ook in Nederland wat meer aandacht krijgt. . Dat Jabik Veenbaas ervoor gekozen heeft een leeseditie te maken in plaats van een kritische editie ligt voor de hand. Je wilt de Nederlandse lezer niet opzadelen met allerlei details van tekstbezorging. Maar de keuze zal ook uit nood zijn geboren. Om grotere aantallen mensen in Nederland aan het lezen te krijgen dreigt er een tendens te ontstaan om die activiteit vooral zo leuk mogelijk te maken en daarmee zo gemakkelijk mogelijk. Het eenvoudig houden, dat is uitgerekend in het geval van de gedichten van William Wordsworth en Samuel Taylor Coleridge een nagenoeg onmogelijke opgave. Beide dichters hebben zoveel zowel gepubliceerde als handschriftelijke varianten gegenereerd dat de lezer zich bij elk boek van elk van de twee dient af te vragen wat hij nu eigenlijk aan het lezen is. Daarvan had Veenbaas meer rekenschap moeten geven. ‘Ik heb de structuur van de “Lyrical Ballads”-editie uit 1805 als uitgangspunt genomen…Wat de tekst van de gedichten aangaat, heb ik me echter georiënteerd op de latere, definitieve versies,’ schrijft hij in zijn Verantwoording. Nog afgezien van het feit dat de definitie van ‘definitief’ in de filologie oorlogen veroorzaakt heeft, bezondigt Veenbaas zich aan een m.i. al te grote vrijheid in de selectie van de teksten. ‘The Ancient Mariner’ van Coleridge biedt het meest in het oog springende voorbeeld omdat de editoriale ellende meteen bij zoiets ogenschijnlijk triviaals als de titel begint. ‘The Ancient Mariner’ is de titel in de uitgaves van ‘Lyrical Ballads’ van 1802 en 1805. De titel die Veenbaas gebruikt, ‘The Rime of the Ancient Mariner’, vertaald als ‘Het gedicht van de oude zeeman’, is de titel die vanaf ‘Sybilline Leaves’ (1817) door Coleridge gehanteerd werd en die daarna gemeengoed is geworden. Maar de oorspronkelijke naam van het gedicht, uit de eerste editie van ‘Lyrical Ballads’ van 1798, luidde ‘The Rime of the Ancyent Marinere’ en die curieuze schrijfwijze was bedoeld om de ballade een middeleeuws tintje te geven. Maar dan zijn we er nog niet. De versie die Veenbaas in zijn boek heeft opgenomen, is inderdaad de laatste versie, uit de verzamelde gedichten van1834. Deze versie bevat de glossen in de marge van de bladspiegel die Coleridge veel later dan 1805 heeft toegevoegd. Maar dat ook die versie niet definitief is blijkt alleen al uit het feit dat in de uitgaven van Coleridges gedichten tegenwoordig in de regel twee versies van ‘The Rime of the Ancient Mariner’ worden opgenomen: die van 1798 en die van 1834. De beide versies verschillen namelijk zozeer van elkaar dat elke voorkeur voor één van beide de andere tekort doet. Dat is nu precies wat Veenbaas heeft gedaan. De eenvoud dienende had hij eenvoudigweg bij de variant uit 1805 moeten blijven. 

71. Wordsworth and Coleridge, ‘Lyrical Ballads. Edited by R.L. Brett and A.R. Jones. With a new introduction of Nicholas Roe.’ New York, London, 2006 [1968]. 

72. Lana Del Rey, ‘Violent Bent Backwards Over the Grass’. London, 2020. Het poëziedebuut van de Amerikaanse singer/songwriter Lana Del Rey wier muzikale voortbrengselen ik zeer waardeer. Maar dit boek valt tegen. Het bevat 130 bladzijdes waarvan 50 met gedichten (tekst). De rest bestaat uit foto’s en weergaven van olieschilderijen. ‘Violent Bent Backwards Over the Grass’ bevat een zevental gedichten dat de moeite waard is zoals het titelgedicht, de ode aan LA en ‘Tessa DiPietro’. De rest vond ik niet bijzonder, met de aantekening dat ik de ‘first thought, best thought’-methodiek verafschuw en het is deze werkwijze die Del Rey, een verklaard Ginsburg-fan, hanteert. Dat ontaardt in soms clichématige ontboezemingen en gevoelsuitbarstingen waar ik niet op te wachten zit als ik gedichten wil lezen. Poëzie is iets van en met woorden en niet van en met emoties – die mogen er wel in zitten, maar dan moeten wel de woorden deugen. 

73. E.P. Thompson, ‘The Romantics. England in a Revolutionary Age’. Suffolk, 1997. Essays vanuit een socialistische invalshoek over William Wordsworth, Samuel Taylor Coleridge en John Thelwall. 

74. Berend Strik, ‘Deciphering The Artist’s Mind’. New Haven, London, 2020. 

75 Jolijn Thijssen, ‘Pluis heeft TOS’. Huizen, 2020. Prachtig boek van een nog zeer jeugdige auteur over taalontwikkelingsstoornis . 

76. Josephine Rombouts, ‘Cliffrock Castle. Werken op een kasteel in Schotland’. Amsterdam, 2020 [2018]. 

77. James Vigus, ‘Platonic Coleridge’. London, 2009. 

78. Wordsworth and Coleridge, ‘Lyrical Ballads. 1798 and 1802. Edited with an Introduction and Notes by Fiona Stafford’. Oxford, 2013. 

79. Josephine Rombouts, ‘Terug naar Cliffrock Castle. Belevenissen op een Schots kasteel’. Amsterdam, 2019. Spannender dan deel één, vond ik. 

80. Justin Shepherd, ‘In Xanadu… A Companion to Samuel Taylor Coleridge’s Kubla Khan.’ 2016. Ash Farm als een soort bed & breakfast, maar dan wel zeer ver avant la lettre

81. Jan Verheyen, ‘Jan Verheyen presents Alle Remmen Los! Een afdaling in de riolen van pulpcinema uit de wilde jaren ’70.’ Antwerpen, Amsterdam, 2020. Elk decennium heeft zijn eigen cheepnis op cinematografisch gebied, maar de jaren zeventig van de vorige eeuw spanden inderdaad de kroon. Overigens ontbraken de verhalen over (de films van) Lina Romay, de langjarige partner en uiteindelijk de echtgenote van pulpcinematograaf Jésus Franco, en de kitscherige, tragisch aan haar einde gekomen sfinx Soledad Miranda in dit boek. 

82. Irene van der Linde (tekst), Nicole Segers (foto’s), ‘Bloed en honing. Ontmoetingen op de grenzen van de Balkan’. Amsterdam, 2020. Irene van der Linde en Nicole Segers maakten (ongeveer) dezelfde reis door de Balkan als Rebecca West deed in 1936 en 1937. West verwerkte haar ervaringen in een vuistdik boek ‘Black Lamb and Grey Falcon’ (1942). ‘Bloed en honing’ dijt ook behoorlijk uit, maar dat komt voornamelijk door de vele foto’s in dit prachtig vormgegeven boek. ‘Black Lamb and Grey Falcon’ bevatte geen foto’s en dat blijkt, na ‘Bloed en honing’, een gemis. De verbeelding vermag veel, maar heeft soms toch een zetje nodig. Tekstueel daarentegen kan ‘Bloed en honing’ in geen enkel opzicht tippen aan het dynamische prachtproza van Rebecca West. ‘Black Lamb and Grey Falcon’ behoort tot de meesterwerken in mijn bibliotheek, ‘Bloed en honing’ niet. Overigens ademen beide boeken pessimisme uit over de situatie op de Balkan. De verdeeldheden zitten zo diep ingesleten dat het kruitvat weer elk moment tot ontploffing kan komen. 

83. James Ellroy, ‘De zwarte dahlia’. Amsterdam, 1995 [1991]. 

84. Traci Elizabeth Lords, ‘Underneath It All’. New York, 2003. De autobiografie van Nora Louise Kuzma die onder haar pseudoniem Traci Lords als zestienjarige in de Amerikaanse porno-industrie verzeild raakte. Toen dat twee jaar later aan het licht kwam, moesten alle scenes waarin Lords acte de presence had gegeven als kinderpornografie bestempeld worden. Lords presenteert zich in haar boek eenzijdig als een naïef slachtoffer van niets ontziende mannelijke roofdieren. Dat die laatste categorie mannen bestaat en dat hun niets-ontzienheid geen grenzen kent, beseft een ieder die weet heeft van de wereld, maar Lords’ apologie en haar zelfbeeld als onschuldige engel komen bij vlagen als ongeloofwaardig over. Lords’ tienerjaren vertonen overeenkomsten met het verhaal van de Zwarte Dahlia, zoals verteld (o.a.) door James Ellroy: jonge meisjes die hun geluk zoeken in de bovenwereld van Hollywood, maar in de krochten van de stad belanden. 

85. Monika Helfer, ‘De bagage’. Amsterdam, 2020. 

86. Marieke Lucas Rijneveld, ‘De avond is ongemak’. Amsterdam, 2020 [2018]. Waarom zo opzichtig Wolkers nadoen? Omdat er tegenwoordig lezers zijn die geen weet hebben van Wolkers en zijn werk. 

87. Jason Lutes, ‘Berlin’. Toronto, 2019 [2018]. Knap beeldverhaal over de geschiedenis van Berlijn in de jaren voorafgaand aan Hitlers succesvolle greep naar de macht aan de hand van een aantal protagonisten uit verschillende milieus. 

88. Peter Handke, ‘De angst van de doelman voor de strafschop’. Amsterdam, 2019. 

89. Peter Handke, ‘De herhaling’. Amsterdam, 1988. Handkes idiosyncratische impressionisme vergt geduld.

90. Peter Handke, ‘Abschied des Träumers vom Neunten Land/Eine winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina oder Gerechtigkeit für Serbien/Sommerlicher Nachtrag zu einer winterlicher Reise.’ Frankfurt am Main, 2020 [1998]. 

91. Marieke Lucas Rijneveld, ‘Mijn lieve gunsteling’. Amsterdam, 2020. Ik ben tot en met bladzijde 125 gekomen. Conclusie: zoals niet van Harry Mulisch en Arnon Grunberg, ben ik geen fan van MLR. Rustig aan laten doen en negeren.

92. Cemile Sahin, ‘Alle Hunde sterben’. Berlin, 2020. 

93. Frank Westerman, ‘De brug over de Tara’. Amsterdam, 2007 [1994]. 

94. Peter Handke, 'Unter Tränen fragend. Nachträgliche Aufzeichnungen von zwei Jugoslavien-Durchquerungen im Krieg, März und April 1999'. Frankfurt am Main, 2000. 

95. Thomas Deichmann (ed.), ‘Noch einmal für Jugoslawien: Peter Handke’. Frankfurt am Main, 2017 [1999]. 

96. Marie-Christin Pollak, ‘Gerechtigkeit für Serbien. Gerechtigkeit für Peter Handke’. Norderstedt, 2007. 

97. Peter Handke, ‘Rund um das Große Tribunal’. Frankfurt am Main, 2013 [2003]. 

98. Peter Handke, ‘Die Tablas von Daimiel’. Frankfurt am Main, 2018 [2006]. 

99. Marie-Janine Calic, 'Krieg und Frieden in Bosnien-Hercegovina'. Frankfurt am Main, 2019 [1995]. 

100. Kurt Gritsch, ‘Peter Handke und „Gerechigkeit für Serbien“. Eine Rezeptionsgeschichte‘. Innsbruck, 2009. 

101. Connie Palmen, ‘I.M.‘. Amsterdam, 1998. Een paar dagen nadat ik dit boek (eindelijk) had gelezen, begon de televisieserie die op basis ervan gemaakt was. Dat die televisiereeks eraan kwam, daarvan had ik op het moment van de lectuur nog geen weet. Ik heb verfilming intussen gezien en in tegenstelling tot wat doorgaans het geval is, vond ik de film mooier dan het boek. 

102. Toon Theeuwen (ed.), ‘100 jaar psychiatrie in Venray. Geschiedenis van de psychiatrische instellingen Sint Anna en Sint Servatius‘. Zutphen, 2005. Op instigatie van de, van oorsprong Belgische, rooms-katholieke congregatie Broeders der Liefde begon medio 1905 de bouw van Sint Servatius, ‘Geneeskundig Gesticht voor mannelijke kranken en zenuwlijders‘, twee jaar later gevolgd door de aanleg van Sint Anna, ‘Geneeskundige Inrichting voor R.K. Vrouwelijke Krankzinnigen, onder het Bestuur van de Vereeniging der Zusters van Liefde te Venray‘, twee enorme instituten in een toen nog relatief klein dorp met ongeveer vijfduizend inwoners. Honderd jaar geestelijke gezondheidszorg, gestoeld op goede bedoelingen, maar blijvend ontsierd door zaken als elektroshock, cardiazol- en insulinekuren, leucotomie, lobotomie, permanente badverpleging en de vele vormen van fixatie. 

© 2021 Leo van der Sterren

zaterdag 22 augustus 2020

Coronamoeheid


Het heeft, verdoemd, zijn tijd nu wel geduurd!
Ik kan het woord 'corona' niet meer horen.
Of 'COVID 19', een ware vloek.
'Mondkapje' maakt dat ik kokhalzen moet.
Een vinnige aversie overvalt me
als 'anderhalve meter' uit een strot
ontsnapt - en er ontsnapt wat mij betreft
zo'n overdaad aan 'anderhalve meters'
dat ik door al dat bomen niet één bos
meer zie - en dat we 'met z'n allen', 'samen'
en 'met elkaar' maar aan die nieuwere
gewoonheid zullen moeten wennen. O,
dan elleboogt het braaksel zich een weg
naar waar gewoonlijk enkel taligs mij
verlaat. Te vaak, te veel ben ik recent
aan namen, woorden, frasen blootgesteld
die helemaal viraal geworden zijn.

© 2020 Leo van der Sterren

zaterdag 11 april 2020

Burgerlijk ongehoorzaam

Sinds een goede vriend uit Engeland in 2014 voorstelde om het jaar daarop in het noorden van Engeland (Lake District, Yorkshire) de coast-to-coast walk (van de Noordzee naar de Ierse zee of, gebruikelijker, want de wind in de rug, vice versa) te lopen, heb ik mij het wandelen als hobby toegeëigend. Voorheen had ik mij al jaren van sportieve activiteiten onthouden. De laatste keer dat ik gesport had (recreatief zaalvoetballen), was in 2007. Mijn lichaamsbeweging vanaf dat jaar bestond uit het mij naar en van de auto begeven – met een lichaamsgewicht dat zeven jaar later op grond van die instelling te verwachten viel, dus minstens vijftien kilo te zwaar.

Toen in 2016 mijn echtgenote overleed, veranderde de aard van mijn wandelactiviteit. Wandelen was vanaf dat moment niet maar gewoon een min of meer vrijblijvend tijdverdrijf, maar maakte een groot deel uit van wat ik als een soort heelmiddel zou willen bestempelen, een therapie om met verlies en rouw om te gaan. De vrijblijvendheid ervan verdween en promoveerde tot een (meestal prettige) plicht. Het niet voldoen aan die plicht resulteerde in lichte, maar niettemin zodanig zwaarwegende gevoelens van gewetenswroeging dat binnen blijven geen optie was. Sinds 2016 wandel ik veel en fanatiek. Wandeltochten van vijftig kilometer zijn geen uitzondering.

Dit is het weekend van de vierde week dat ik thuis werk. Op de donderdag van de eerste week was ik ’s middags zo gaar van het binnen zitten dat ik mezelf om drie uur het huis heb uitgejaagd en een dik uur gelopen heb. Daar knapte ik van op. Vanaf de tweede week heb ik mezelf gedwongen om elke dag twee wandeltochten te maken. Om twaalf uur loop ik minimaal een half uur en om vier uur minimaal drie kwartier. Naast de langere wandeltochten in het weekend blijkt dit de remedie te zijn tegen de malaise die het gevolg is van het noodgedwongen (alleen) thuis vertoeven. Nog afgezien van de frisse neus, blijf ik door dit regime fit. Bovendien zie ik op deze manier ook nog eens wat andere mensen. Ten slotte mist zo’n wandeling nog steeds zijn therapeutische werking niet, zelfs na al die jaren.

Overigens houd ik mij keurig aan de nieuwe regels, zijnde die van de anderhalve-meter-maatschappij. Ik loop in mijn eentje (ben ik trouwens ook gewend). Als ik mensen tegen kom, dan ga ik uiterst rechts lopen. Wat de langere wandeltochten betreft, die leg ik meestal in afgelegen gebieden af waar bijna niemand komt (ja, die zijn er nog, al worden ze schaarser).

Eergisteren publiceerde NRC een artikel van Onno van Schayck, hoogleraar preventieve geneeskunde, en Maartje Willeboordse, bewegingswetenschapper, beiden verbonden aan de Universiteit Maastricht, waarin zij pleitten voor een handhaving van het huidige beleid. Een verscherping van dat beleid, dus een lockdown met een verbod op recreatief buiten verblijven (het regime dat sinds deze week in Frankrijk geldt) zou in hun optiek ‘funest zijn voor het afweersysteem dat we nu zo hard nodig hebben.’ Bovendien is bewegen noodzakelijk om een afname van de spiermassa tegen te gaan, onder andere de spieren om adem te halen die van levensbelang zijn als iemand onverhoopt toch met een Covid-19-besmetting op de Intensive Care belandt. Dit argument voeg ik graag toe aan mijn lijstje van motieven om te wandelen.

Ik acht de kans niet groot, maar mocht de overheid er toch toe besluiten om een uitgaansverbod in te voeren, waarbij het niet meer toegestaan zal zijn om buiten te joggen, fietsen en wandelen, dan moet ik een beroep doen op mijn zelfbeschikkingsrecht als menselijk individu, een recht dat boven welke wet dan ook uitgaat, en kan ik, hoe gezagsgetrouw ik mij normaal ook gedraag, geen gevolg geven aan die lastgeving. De redenen om naar buiten te gaan wegen dan simpelweg zwaarder dan een oekaze van overheidswege. Dan maar burgerlijk ongehoorzaam. Dan maar de kans op een boete. In het geval dat zich het laatste inderdaad zal voordoen, dus dat ik een boete krijg, zal ik die tot de laatste instantie en snik aanvechten.

© 2020 Leo van der Sterren

zondag 29 maart 2020

Vette collage



© 2020 Leo van der Sterren