Posts tonen met het label VPRO. Alle posts tonen
Posts tonen met het label VPRO. Alle posts tonen

maandag 21 juli 2014

Freek geeft thuis

In de eerste aflevering van VPRO’s Zomergasten van dit jaar presenteerde zich een zelfverzekerde zeventiger met een schat aan media-ervaring wiens leven een voortdurende worsteling heeft ingehouden om het zakelijke en het private met elkaar in evenwicht te brengen, maar waarin, zo gaf de zomergast impliciet toe, het werk toch te vaak had geprevaleerd ten koste van wat algemeen en lelijk het thuisfront genoemd wordt. Hij beweerde dat hij nu, door zijn kleinkinderen, zijn les geleerd had, maar ik vraag het me af. Freek de Jonge bestaat bij de gratie van zijn oeuvre, hij heeft en is zijn oeuvre. Iemand die een oeuvre heeft en is, zit anders in elkaar dan iemand die geen oeuvre heeft en is. Die laatste zal natuurlijker, ‘menselijker’ zo je wilt, overkomen omdat hij in en met zijn gedachten niet voortdurend in andere sferen verblijft.

Zelfvertrouwen, discipline, concentratie, dat zijn de bouwstenen waarmee De Jonge zijn verzamelde werk gedurende 52 jaren heeft geconstrueerd. Dat zijn dus grosso modo 48 jaren van werken en, schat ik zo in, 4 jaren van vrije tijd. Maar let op: de gedachten gingen ook in die 4 jaren dat er niet gewerkt werd hun eigen ondoorgrondelijke gang in dienst van het oeuvre.

De Jonge maakte handig gebruik van de beelden van de actuele gebeurtenissen die Nederland in hun greep houden. De waarschuwing voor het fundamentalistische nationalisme was volkomen terecht. Of ja, nationalisme. Het gaat eerder om even atavistische als achterlijke stammenstrijdjes waarin onverdraagzame en klein geschapen alfamannetjes die niet zelden niet weten wat ze doen omdat ze straalbezopen zijn of stijf staan van de verdovende middelen, de hoofdrol vervullen. En wat mij betreft had hij er het totalitaire islamisme aan toe mogen voegen.

Dit alleen al – het streven in bepaalde gebieden van deze wereld naar versnippering (en versnippering tot wat? wat is de kleinst denkbare entiteit? het gezin?) – doet het pleit voor een verenigd Europa zegevieren. Freek deed er goed aan om daaraan te herinneren want het kan niet genoeg herhaald worden in dit Europa waarin de populistische otters en en verwende snotblagen de grootste waffel hebben.

Freek verzorgde een keurige Zomergasten-avond. Al met al gaf hij zelfs een heel eind thuis.

© 2014 Leo van der Sterren

zaterdag 19 oktober 2013

De techmens

Verwoed lezer als ik ben, schaf ik regelmatig boeken aan. Ik koop ze in boekenwinkels of ik bestel ze, nieuw en tweedehands, via internet. Er komen meer boeken bij dan ik al lezend bij kan houden, maar ik probeer de twee sporen – die van boeken kopen en die van boeken lezen – toch enigszins gelijke tred te laten houden. Wanneer ik vind dat het aantal boeken dat ik koop het aantal boeken dat ik gebruik in te hoge mate overtreft, dan schroef ik de aankoopfrequentie terug en verhoog ik de leesfrequentie. Boeken kopen die niet gebruikt worden waarvoor ze bedoeld zijn, namelijk om te lezen of als naslagwerk, die bestaan niet. Iemand die boeken uitsluitend voor decoratieve of snobistische doeleinden verwerft, hoort wat mij betreft in de klasse van sukkels thuis. Dat je ’t maar weet.

Op 14 oktober zond de VPRO de Tegenlicht-documentaire ‘De techmens’ uit over nieuwe technologieën, zoals Google Glass, die mensen de mogelijkheid bieden om hun levens tot in detail in beeld en geluid vast te leggen, waardoor het virtuele en reële zich vermengen en er als het ware een andere werkelijkheid ontstaat. De registraties van die existenties kunnen tot in het oneindige bewaard blijven. Dit digitale geheugen met een onbeperkte opslagcapaciteit maakt het mogelijk om een bestaan dat afwezig is, weer op te roepen en te herleven of opnieuw te beleven.

Niet a priori of principieel afkerig van nieuwe ontwikkelingen op technisch gebied (maar anderzijds ook geen technologische voortrekker), bekroop me toch een vreemd gevoel toen mij deze aflevering van Tegenlicht gepresenteerd werd. Of liever gezegd: vreemde gevoelens. De digitalisering van de wereld heeft enorme voordelen opgeleverd, dat staat buiten kijf. Ik zelf profiteer daar ook ten volle van. Maar de medaille kent ook keerzijdes. Een negatief kenmerk van het digitale tijdperk is dat er – onder het motto: we kunnen het maar vast hebben – onvoorstelbare hoeveelheden gegevens worden opgeslagen met de intentie daar naderhand iets mee te doen, maar dat er uiteindelijk niets mee gedaan wordt omdat de accumulaties eenvoudigweg te groot zijn gegroeid om te kunnen behappen en, na verloop van tijd, mogelijk verouderd en daarmee waardeloos blijken te zijn. Het is een tijd van beoogde afhandelingen van dingen die gegenereerd zijn, en het uitstel en uiteindelijke afstel van die afhandelingen omdat er teveel dingen gegenereerd zijn. Toch lijkt dat de nieuwste trend te zijn: data genereren omwille van het data genereren.

De jonge pioniers in ‘De techmens’ overschrijden grenzen. Als het aan hen ligt, worden de hoeveelheden te genereren data exponentieel vermenigvuldigd. Het vergaren van data wordt tot in het extreme doorgetrokken. Dit streven naar volledigheid past naadloos in en symboliseert het controlfreakerige dat veel mensen tegenwoordig aankleeft. Van de wieg tot het graf dient het leven geregeld te zijn. Het toppunt van de nieuwe dwaasheid is echter de opmerking die de hoofdredacteur van Wired UK en baanbreker Ben Hammersley maakt, terwijl hij de setting – hij die geïnterviewd wordt voor het televisieprogramma – fotografeert. ‘It’s not real unless you take a picture.’ Een grapje dat in zijn geval bloedserieus bedoeld is.

Iets bestaat niet als het niet gedigitaliseerd is. Iets is er niet als het niet in data is omgezet. Maar wat moet je met deze data? Wat heeft het voor zin om je leven volledig te digitaliseren? Waarom zou je alles willen vastleggen? Om toekomstige geschiedkundigen en archeologen te helpen of te plezieren? Naarmate er echter meer historisch materiaal voorhanden is, des te meer zal de wetenschapper naar verdieping streven. Maar tot het Ding-an-sich of het Event-an-sich zullen ook zij niet doordringen. Digitale volledigheid is, mede door de suggestie dat de werkelijkheid objectief gerepresenteerd wordt, valse volledigheid die veel meer pretendeert dan ze waar kan maken. En wat de goeroe’s van de nieuwe wereld ook mogen beweren, de mens wordt vanzelfsprekend wel dommer als hij stelselmatig verzuimt om zich feiten te blijven herinneren, als hij zijn geheugen systematisch zou beginnen te veronachtzamen. Ook dat deel van de hersenen heeft blijvende training nodig, in het bijzonder ten behoeve van het leggen van verbanden.

Dat mensen bijzondere gelegenheden vast willen leggen, daar zit niets onnatuurlijks aan. Dat is van alle tijden. Je kunt dat fixeren van speciale gebeurtenissen op allerlei manieren doen. Door jezelf op te leggen er elke dag aan te denken, of elke week of elk jaar. Door over de belevenis te schrijven. Door iets wat in relatie staat met het evenement te bewaren. Door foto’s te nemen. Door geluidsopnames te maken. Door te filmen. Niet alleen kan op dergelijke wijzen het geheugen naderhand op weg geholpen of geactiveerd worden, maar ook kunnen mensen aldus bewijzen dat ze bij een bijzondere gebeurtenis aanwezig waren, al is het maar om andere mensen de ogen uit te steken.

De fixatie van evenementen lijkt echter steeds vaker tot in het extreme te worden doorgevoerd. Mensen registreren datgene wat hen geboden wordt in plaats van ervan te genieten op het moment dat het plaatsvindt. En omdat zij druk doende zijn met registreren, kunnen zij datgene wat beleefd moet worden niet met volle en onverdeelde aandacht ervaren. De concentratie richt zich op de daad van het vastleggen. Mensen die dit doen, beogen – is te hopen – het evenement naderhand te beleven aan de hand van de kopie die zij ervan hebben gemaakt, daarmee als het ware een uitgesteld beleven creërend – met het risico dat er van uitstel afstel komt en met het gevaar dat de virtuele of gekopieerde werkelijkheid gaandeweg als meer werkelijk of waardevol wordt beoordeeld dan de werkelijke werkelijkheid.

Aan de nieuwe mentaliteit van uitgesteld beleven kleeft daarmee een dimensie die naar het metafysische neigt. Steeds meer mensen leven het leven niet nu, maar stellen het leven van het leven nu uit tot een later tijdstip. Dan leven zij het leven in geregistreerde vorm onder condities die zij nauwgezet kunnen prepareren en onder controle kunnen houden en die daardoor ideaal of in elk geval idealer zijn dan op het moment dat zij het werkelijke leven leefden.

Vreemde gevoelens. Meervoud. Wat me namelijk ook verwonderde toen ‘De techmens’ zich voor mijn ogen ontrolde, was het feit dat mensen handelingen verrichten waardoor data gegenereerd worden, maar dat ze eigenlijk terdege beseffen – zonder het te zullen toegeven – dat ze niets met deze data zullen doen. Het lijkt wel alsof het niet eens meer om de data gaat. Eigenlijk gaat het om de te verrichten handelingen. De digitale voortbrenging en de devices om die voortbrenging te realiseren zijn niet langer uitsluitend middel, maar zijn tot doel verworden.

Maar wellicht stel ik me nu al gewoon op als een mens van middelbare leeftijd met ouderwetse standpunten. Wie weet leef ik al in het verleden. Misschien zijn dit de voorboden van de nieuwe wereld waar ik – volop van de oude – steeds meer van vervreemdt naarmate mijn leeftijd stijgt. Misschien streven de mensen in de toekomst niet meer naar het voortgebrachte maar enkel nog naar voortbrenging. Misschien zijn straks slechts de processen nog van belang en niet datgene wat die processen opleveren.

Ik denk er anders over. Het heeft geen zin om dingen te gegenereren of te produceren die niet gebruikt worden. Dat geldt voor boeken net zo goed als voor data.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 2 september 2013

Zomerdaan

Daan Roosegaarde – kunstenaar, ontwerper, uitvinder, ondernemer, maar vooral dromenbouwer – had de eer om als laatste zomergast van 2013 zijn ideale televisieavond in te vullen. Roosegaarde belichaamt in zijn eentje zo’n beetje de nieuwe wereld, waarin het streven naar de oplossingen van de huidige problemen zal worden aangedreven door duurzaamheid, ‘tech’ en door een nieuwe houding van de mensen – niet meer gericht op bezit en consumptie, maar op samen delen en speelsheid. Ik geloof dat ik het zo wel ongeveer mag samenvatten.

Het enthousiasme van Roosgaarde werkte aanvankelijk aanstekelijk. Zijn optimisme leek onverwoestbaar. Maar op een gegeven moment begon het gebruik van de woorden ‘gaaf’ en ‘tof’ te irriteren. Het werd te zeer een jochie-achtige goed nieuws-show. Het bestaan op deze aarde bestaat niet uitsluitend uit kommer en kwel, maar dat wil niet zeggen dat alles rozengeur en maneschijn is. Als De Jong, die in de regel al even jongensachtig meedeinde op de goede vibraties, zijn eigen gast een enkele keer met de voeten op aarde zette door kritische kanttekeningen te plaatsen, dan vond Roosegaarde dat ‘flauw’.

Overigens vroeg Roosegaarde niet zelden bevestiging bij zijn gastheer voor de wilde zienswijzen die hij lanceerde. Dan ontpopte er zich plotsklaps een jochie van acht, negen die geen enkel benul had van de inherente waarde van zijn plannen (als die er al was) en of zijn gesprekspartner deze zoveelste, spontane, impulsieve aanzet tot een project nu zou goed- of afkeuren. Die blijken van onzekerheid toonden al hoe zwak het fundament is waarop Roosegaardes denkbeelden gebaseerd zijn – als het bladerdek op het meertje in Nieuwkoop waarop Roosegaarde als kind speelde: als je er gewoon overheen liep, gebeurde er niets, maar als je teveel kracht zette, zakte je er doorheen, het water in, terwijl het bladerdek zich weer boven je sloot. Gevaarlijk, ja, gaf ook Roosegaarde toe, maar zonder blijk te geven van een besef van de werkelijke risico’s die hij daarbij had gelopen, omdat de waan van de eigen onsterfelijkheid prevaleerde (en prevaleert).

Het kostte mij soms enige moeite om het ultra-optimistische betoog van Roosegaarde te volgen, maar bij de keuze van fragmenten, die zich kenmerkte door een bepaalde eenzijdigheid, bevonden zich enkele wonderschone filmpjes zoals de lichtgevende kwallen, de nieuwe heren van de thee en de mierenstad. En niet te vergeten de beelden van Roosegaardes eigen werken. Vooral ‘Lotus 7.0’ en ‘Dune’ ogen prachtig. Maar al met al vond ik, terwijl ik deze tekst zit te tikken en naar iets oudwereldlijks als ‘Orange skies’ van Love luister, Roosegaardes optreden te eenzijdig speels en te zeer getuigend van een gebrek aan gerichtheid en diepgang. Enigszins flauw woordspelend zou je Roosegaarde een visionair kunnen noemen wiens visioenen visie ontberen.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 26 augustus 2013

Zomerwouter

Voormalig PVDA-coryfee en minister van financiën Wouter Bos was de vijfde zomergast van dit seizoen. En ofschoon Bos als bestuursvoorzitter van het Medisch Centrum van de Vrije Universiteit nu een compleet andere functie bekleed dan die van tweedekamerlid of bewindsman, lag het voor de hand dat de aandacht voornamelijk zou uitgaan naar het politieke bedrijf.

Maar Bos begon de selectie van beeldfragmenten met een reclamefilmpje waarin een gedicht van Robert Frost werd voorgedragen ‘The road not taken’ had diepe indruk indruk op hem gemaakt toen hij het voor de eerste keer hoorde en hij was het nadien blijven herlezen. Je moest soms kiezen voor de weg die het minst voor de hand lag, zo interpreteerde Bos het gedicht. Je moest risico’s durven nemen in het leven.

Drie fragmenten uit de film ‘Margin call’ vertelden in een notendop het verhaal van de financiële en economische crisis en de oorzaken van die enorme malaise. De film legde de onverantwoordelijkheid en het cynisme in de financiële wereld bloot, maar, zo stelde Bos, die houding en dat gedrag waren voortgekomen uit de vordering van de consumenten die meer geld moesten en zouden uitgeven dan ze hadden. De financiële instellingen moesten daarin wel mee en deden dat uiteindelijk maar al te graag.

Naar aanleiding van een stuk uit ‘The passion’, vond Wilfried de Jong het gepast en nodig om naar de geloofsovertuiging van zijn gast te vissen. ‘Gaan we zo beginnen,’ repliceerde Bos om vervolgens, anders dan te zeggen dat kerkbezoek en bidden niet meer tot de wekelijkse cq. dagelijkse praktijk behoorden in huize Bos, geen openheid van zaken te geven. Een privéaangelegenheid, vond Bos.

Maar verder stond de avond in het teken van de politiek. En dus liet Bos veel politici de revue passeren. Marcel van Dam, Nelson Mandela, John Travolta als politicus in de speelfilm ‘Primary colors’, Martin McGuiness en Ken Maginnis (There’s much in a name), Joska Fischer, de emoties van Obama.

Een uitsnede uit het televisieprogramma van Harry Mens uit 2001 met daarin Pim Fortuyn die reageerde op de aanslagen van 9/11, ontlokte Bos een uitspraak die hij gepland had te doen en die dus was ingestudeerd: ‘Zonder de dood van Pim Fortuyn was ik geen PVDA-leider geworden.’ Maar Wilfried de Jong gaf nauwelijks respons op deze, als scoop bedoelde, voorgeprogrammeerde ontboezeming.

De kwestie Schinkelshoek en een stukje uit de film ‘The west wing’ voerden tot een kort college over het politieke fenomeen ‘spinnen’ – dat er trouwens altijd al is geweest. Alleen de naam is nieuw, en uiteraard afkomstig uit de Verenigde Staten. Door toedoen van Jack de Vries werd het CDA een kampioen in spinnen, maar bij de kwestie Schinkelshoek ging het mis, omdat men een belangrijk advies van De Vries in de wind sloeg, namelijk dat je niet in een vlek moest wrijven.

Impliciet definieerde Bos de ideale politicus. Dat was in zijn visie een politicus die al naar gelang de gelegenheid zich nu eens bediende van het grote verhaal – de politicus als visionair en idealist – en die zich vervolgens weer toelegde op het politieke handwerk van de vierkante centimeter – de politicus die door noeste arbeid (geploeter), volharding en onderhandelen kleine stapjes in de richting van verandering wist te zetten.

Aan het gedicht van Frost refererend vroeg De Jong of Bos in zijn leven de goede keuzes had gemaakt want het inslaan van de minst voor de hand liggende weg garandeerde immers geen geslaagd leven. Welk antwoord had De Jong op die vraag verwacht? Welk antwoord kun je verwachten? Daarom. Zo’n vraag stel je niet, en zeker niet in de setting van een vraaggesprek dat live wordt uitgezonden. Je laat de vraag rusten omdat het antwoord nooit te controleren is, en wellicht zelfs altijd gelogen. En als je al toegeeft dat je een bestaan met nogal wat mindere momenten hebt gehad, wie gaat de schuld daarvoor bij zichzelf neerleggen?

Bos gedroeg zich gedurende drie uur precies zoals te verwachten viel. Elke zomergast bepaalt zelf hoe ver hij in zijn ziel laat kijken. Bos opende slechts een klein kiertje en dat was zijn goed recht. Nogmaals, wat verwachten mensen eigenlijk? Complete gevoelsontladingen? Hysterische gemoedsuitbarstingen? Larmoyante bekentenissen? Tirades en lamentaties? De vullers van de heilige beeldbuis laten al meer dan genoeg uitzendingen met uitstortingen van emoties op hun medium toe en die komen meestal zo goedkoop over met die watervallen van krokodillentranen dat je vurig verlangt naar televisiemomenten zonder emotionele kitsch. Zomergasten nummer deed het zonder gevoelsprullaria, maar boeide niettemin van het begin tot het einde.

Het slot van Bos z’n televisieavond was even poëtisch als het begin met een prachtige opname van het nummer ‘My ever changing moods’ van de Style Council. ‘I wish we'd come to our senses and see there is no truth in those who promote the confusion for this ever changing mood’.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 19 augustus 2013

Zomerjohan

In 1988 begon de VPRO met Zomergasten, een avondvullend televisieprogramma met een even eenvoudige als aantrekkelijke formule, dat gedurende vijf of zes zondagen in de zomer wordt uitgezonden. De zomergast kiest beeldfragmenten uit en stelt zo zijn favoriete televisieavond samen waarna hij die stukjes film of allerlei andere dingen met een gesprekspartner bespreekt. Door zijn enthousiasme en zijn vertelkwaliteiten was de eerste zomergast, Pierre Janssen, meteen een schot in de roos. Maar in de derde uitzending van het programma werden grote hoogten bereikt, althans zo staat het in mijn geheugen gegrift.

Op 17 juli 1988 had regisseur Pieter Verhoeff de eer om zijn ideale televisieavond te verzorgen. Dat werd een soort ‘the best of the VPRO’-avond, maar het thema dat Verhoeff als een rode draad door zijn collage liet lopen, was het spel dat kunstenaars spelen met werkelijkheid en fictie. Zo vertoonde hij een fragment uit een documentaire waarin, als ik het me goed herinner, twee Duitse heren uitlegden wat de Anathanasius Kircher Society voorstelde en wat haar handelingen waren. Dit fragment representeerde een uitsnede uit de werkelijkheid, maar het had, met twee heren die zichzelf oneindig serieus namen en gewichtig deden, en zich daardoor tot hun eigen karikaturen ontpopten, zomaar een deel uit een uitzending van Van Kooten en De Bie kunnen zijn (waarvan Verhoeff ook een fragment toonde). Ik heb geen idee of Verhoeffs televisieavond nog te bekijken is, maar vermijd ook om dat te onderzoeken. Mocht dat namelijk wel het geval zijn, dan moet ik die uitzending opnieuw bekijken met de kans dat het tegenvalt en mijn herinnering aan die, in mijn ogen legendarische gelegenheid voorgoed verpest wordt.

De uitzending van gisteren raakte bijna aan de ijle hoogten die op 17 juli 1988 bereikt werden. De drie uren met theaterregisseur Johan Simons, iemand die ik tot gisteren niet kende, zaten vol met interessante filmbeelden en boeiende gespreksflarden tussen een gast en een gastheer die beiden op dreef waren. Johan Simons en Wilfried de Jong voelden elkaar aan zodat er iets moois opbloeide op dialooggebied. Misschien kwam het omdat ik niets van Simons wist en daarom onbevooroordeeld bij de beeldbuis kon plaatsnemen, maar ik heb gebiologeerd op het puntje van mijn stoel gezeten.

De avond begon met jeugdherinneringen met een prominente rol voor Simons’ vader die, getekend door een hazenlip, een slecht huwelijk en een gokprobleem, zich desondanks met veel humor door het leven sloeg. Verder stond die jeugd in Heerjansdam in het teken van een rotsvast geloof in de God van de reformatie. Het kon dan ook niet anders dan dat de watersnoodramp van 1953 door God gewild was, zo wist de zevenjarige Johan, toen hij op de ochtend van de eerste februari vaststelde dat het groen van het gras vervangen was door het grijs van het water.

Het leidmotief van deze zitting van Zomergasten was de kunst als onafhankelijke instantie die deel uitmaakt van de cultuur maar tegelijkertijd boven de cultuur (en de maatschappij) hangt en die de cultuur (en de maatschappij) becommentarieert.

Het onderwerp van het spel met werkelijkheid en fictie in de kunst (en het op het verkeerde been zetten van de recipiënten van kunstuitingen) werd aangestipt. Een fragment uit een documentaire over de mensen in een Russisch dorp werd, onder andere door de wijze van filmen, door Simons voorzien van het predicaat ‘kunst’. Maar dat kunstige stak ook vooral in het onvolmaakte.

De fotograaf Jeff Wall daarentegen ensceneert situaties en fotografeert die. Zijn doel is niet slechts het weergeven van een situatie zoals die zich in de werkelijkheid zou kunnen voordoen, maar het creëren van een werkelijkheid die door zijn dramatiek boven de werkelijke werkelijkheid uitstijgt.

En zoals ik mij hier en nu moet inspannen om, Simons parafraserend, weer te geven wat ik bedoel, zo had Simons regelmatig moeite om de gedachten te verwoorden die hem te binnen schoten.

Ook staken er inconsistenties in de discours van Simons wat hij ook ruiterlijk erkende. De frase ‘in het moment zijn’ kwam geregeld in het gesprek terug. De toestand van ‘in het moment zijn’ vergt van de kunstenaar dat die zich vrijmaakt van verleden en toekomst en alleen aan het nu denkt en aan het doel van nu kunst maken. Maar wat later in de uitzending vereist deze toestand volgens Simons juist dat iemand alles wat hij denkt, voelt en dus kan zijn tot uitdrukking brengt. Als iemand dat doet, dan betrekt hij daarin ook zijn verleden en zijn toekomst.

Het ging over Simons’ pogingen om de massa te bereiken, pogingen die erop uitdraaiden dat hij slechts doordrong tot de elite. Uiteindelijk had Simons zich daarbij neer moeten leggen en had hij die elite geaccepteerd als een soort wegbereider in de kunst zonder welke de massa in elk geval nooit tot bij die kunst zou komen.

Wilfried de Jong wilde Johan Simons graag helpen met de juiste wijzen van uitdrukken en deed dat over het algemeen adequaat. Toch voegde hij niet altijd de juist uitleg toe. Naar aanleiding van een fragment uit ‘Van de schoonheid en de troost’ met de Zuid-Afrikaanse schrijver Coetzee, sloeg hij de plank bijvoorbeeld mis. Coetzee gaf in zijn interview met Wim Kayser te kennen eigenlijk helemaal niet geïnterviewd te willen worden. Datgene wat hij, Coetzee, te melden had, dat vertelde hij in zijn boeken die tot stand kwamen na ampele reflectie. Bij een interview ontbreekt de kans om te reflecteren omdat de setting verlangt dat er onmiddellijk antwoord wordt gegeven. Daardoor worden er zaken over het hoofd gezien. De Jong vulde Simons’ gedachtegang aan met een verklarende opmerking dat de taal dus tekortschiet. Maar de taal schiet in dit soort gevallen niet te kort; het is de geest die door het gebrek aan reflectie onvolledig of slordig werkt.

En toen kwam Jeroen Willems. En toen kwamen de emoties bij Simons die, zo gaf hij met gebroken stem te kennen, Willems als zijn zoon had beschouwd. Dit moment vormde de breuk in de uitzending. Simons moest zich echt vermannen om door te gaan. Als De Jong zou hebben voorgesteld om te stoppen, dan was Simons op dat voorstel ingegaan. Maar De Jong loodste zijn gast met groot inlevingsvermogen, met weglating van Jimi Hendrix en met uitgerekend nog een fragment met Jeroen Willems door dit pijnlijke en moeilijke ogenblik.

Gelukkig worstelde Simons dus verder, al bracht het vervolg van het programma niet meer de verve van daarvoor. Naar aanleiding van een prachtig fragment met dirigent Ricardo Muti die protesteerde tegen de afbraak van de cultuur in Italië, ontstak Simons in woede toen Zijlstra ter sprake werd gebracht, de staatssecretaris van cultuur die naar eigen zeggen blij was dat hij geen verstand van kunst had, omdat hij zo gemakkelijker bezuinigingen kon doorvoeren.

Het ging over de doodsangst van een man die nog van alles wil doen, maar die, hoe lang hij ook zal leven, nooit klaar zal zijn, omdat een kunstenaar nu eenmaal nooit klaar is.

Dat wat op een gedenkwaardige avond was uitgelopen, eindigde, toch nog, met Jimi Hendrix.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 12 augustus 2013

Zomerbea

Gisteravond gaf Beatrice de Graaf acte de présence bij Zomergasten. Een charmante, meisjesachtig ontwapenende spraakwaterval die duchtig college gaf, alsook les in genuanceerdheid. Daartegenover faalden de pogingen van Wilfried de Jong om de diepte van haar geloof te peilen. Want daar zat hij naar te vissen, naar de mate van gelovigheid van zijn gesprekspartner, alsof je zoiets in waarden of gradaties kunt uitdrukken. Vanzelfsprekend blijft het merkwaardig dat een wetenschapper in god gelooft. En één keer versprak ze zichzelf ook toen ze, naar aanleiding van een fragment uit de film ‘Des hommes en des dieux’ en nadat ze terloops een sneer aan het adres van Hans Teeuwen had uitgedeeld, het zinnetje ‘wat er dan gebeurt is in handen van de goden’ uitflapte en die vergissing corrigeerde door alsnog snel ‘God’ te zeggen ter vervanging van het heidense meervoud.

Aard en mate van het geloof van Beatrice de Graaf doorgronden. Op strategisch niveau was het de enige offensieve actie die De Jong ondernam om door te dringen tot de persoon achter de hoogleraar, een daad waarvan hij vooraf had kunnen weten dat die tot mislukken gedoemd was en die dan ook strandde bij de ontboezeming van De Graaf dat zij zichzelf als een ‘gigantische schijtluis’ beschouwde. Nooit ofte nimmer zou deze welbespraakte hoogleraar haar flank blootgeven. En dat was maar goed ook want emotioneel effectbejag – zowel duur als goedkoop – wordt er al meer dan genoeg nagestreefd door de heren en dames televisiemakers.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 5 augustus 2013

Zomernelleke

In de tweede aflevering van Zomergasten leidde Nelleke Noordervliet de kijker/luisteraar eloquent en evenwichtig door haar leven aan de hand van spannende en minder spannende televisiefragmenten die niet zelden iets te maken hadden met de fase van Noordervliets jeugd en adolescentie, het einde van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw – die paar jaren dat er in Nederland en op de Nederlandse televisie zoveel meer kon dan in de jaren ervoor en erna. In tegenstelling tot de eerste uitzending van Zomergasten van dit seizoen maakte Wilfried de Jong nu wel een ontspannen indruk en hoefde hij zich niet te verschuilen achter een scherm van onaandoenlijkheid zoals hij deed bij het ongeleide projectiel Teeuwen. Het werd daardoor wel een minder spannende en soms zelfs ietwat gezapige aangelegenheid.

Nelleke Noordervliet, een vrouw die haar leven voor elkaar heeft en die dat uitdraagt – waar niets mis mee is, begon vrijwel meteen met een semi-gevleugeld woord. De tegenstelling tussen rede en gevoel bestond niet; rede en gevoel versus onverschilligheid, daarin stak de antithese. Daarna kwam haar verlegenheid aan de orde die haar gedurende de jeugdjaren nogal parten speelde, maar die ze ook op gevorderde leeftijd nog steeds niet had overwonnen. De Jong gaf Noordervliet ampele gelegenheid om uit te weiden over haar jeugd, maar de chronologie van haar biografie werd in het verloop van het gesprek niet meer opgepakt.

Begin jaren negentig werd Nelleke Noordervliet geraakt door een optreden van het Théâtre du Soleil die in ‘Les Atrides’ bekende tragedies uit de klassieke oudheid op geheel eigenzinnige wijze interpreteerden en vertolkten. De fragmenten waren helaas kort, maar ze oogden indrukwekkend en grepen inderdaad naar de keel. Dat verklaarde waarom een verder evenwichtige Noordervliet opeens fel werd: hier werd wat voor haar de essentie van het bestaan was, verbeeld. Hoe diende een mens te leven? Wat waren de wetten? Ik moet toegeven dat mij niet helemaal duidelijk was wat zij bedoelde. En wat Nelleke Noordervliet zo emotioneerde aan de overduidelijk gespeelde expressie van ach en wee van de in afschuwelijke kitsch opgetuigde operadiva Jessye Norman bleef mij zelfs een compleet raadsel.

Een kleine keuze uit de fragmenten. Rokende Rotterdamse arbeiders, een rokende Hannah Arendt (het leek wel alsof ze het erom deden), slavernij (‘geen herstelbetalingen’), Bhagwan, Is your brain really necessary?

Op het einde kwam de verlegenheid van Noordervliet nog een keer ter sprake. Die schuchterheid ging gepaard met geldingsdrang die zich in het geval van Noordervliet vertaald heeft in de productie van boeken. Die publieke uitingen veroorzaakten op hun beurt weer een gevoel van schaamte. Maar op het moment dat Noordervliet dat uit de doeken deed, was mijn aandacht al enkele keren verslapt.

Graag had ik de keuzefilm van Noordervliet ‘Z’ nog een keer bekeken. Maar ik moest verstek laten gaan omdat er de volgende dag gewoon gewerkt moest worden en ik dus mijn bed op diende te zoeken. Zomergasten biedt kwaliteit, maar vormt ook de uitzondering op de regel want kwaliteit wordt te vaak naar de uithoeken van de nacht verbannen.

© 2013 Leo van der Sterren

woensdag 31 juli 2013

Zomerhans 2

Hij had dus gerookt. Hans Teeuwen stak een paar sigaretten op tijdens de live-uitzending van het programma Zomergasten, afgelopen zondag. De directie van de VPRO of de studio van waaruit het programma werd uitgezonden gaat daarvoor een boete krijgen want zijn daad houdt in dat hij gerookt heeft op iemands werkplek. De belachelijke absurditeit van die straf, daar schieten woorden voor tekort, net als voor de (typisch Nederlandse – want veel te smal) ophef rondom die paar sigaretten, de reuring rond de rookdaad die zelfs het NOS-Journaal haalde. Of toch? Ja, de Engelse taal heeft er een woord voor dat het Nederlands ontbeert: pathetic.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 29 juli 2013

Zomerhans

De eerste woorden. ‘Dit is live, hè,’ zei de een. ‘Ja, dit is live,’ beaamde de ander. Alsof nu pas tot hen doordrong waar ze aan begonnen waren. Drie uur met elkaar opgescheept zitten en die tijd vol moeten praten. Dat is het lot van de twee mensen die besloten hebben om zich aan een uitzending van Zomergasten van de VPRO te wagen. Dit was de eerste van het nieuwe seizoen. De naam Hans Teeuwen had mijn verwachting hoog opgeschroefd, vooral in combinatie met Wilfried de Jong. Ik hoopte op een titanenstrijd, maar besefte dat het ook tegen kon vallen.

Toen schoven de hoofden in beeld. Als het hoofd van Wilfried de Jong al iets uitdrukte, dan was het wel frisse tegenzin. Nee, dan het hoofd van Hans Teeuwen uit Budel. Hier zat een man die zijn best deed om te voorkomen dat het mombakkes voor zijn gezicht gleed. De spieren onder zijn hoofdhuid werkten hard om het gezicht in de plooi te houden. Maar soms diende hij zijn hoofd tot de orde te krabben. Hans Teeuwen uit Budel moest en zou er zorg voor dragen dat de clown in hem de regie niet overnam. Een bizarre worsteling. Een vreemd schouwspel.

De sessie van Teeuwen en De Jong kwam moeizaam op gang, zelfs bij een actueel onderwerp als het overlijden van Rita Reys. Dat had om het ijs ietwat te breken toch als welkome gespreksstof kunnen dienen. Kritisch kon Teeuwen haar overigens niet bejegenen, vond hij, want ze was net overleden. Voor elke kunstenaar geldt bovendien: eigen werk eerst.

De gesprekspartners oogden gespannen. Vooral gedurende het eerste uur was het alsof ze zich elke tien minuten moesten vermannen en zich moesten dwingen om met verve te denken: zo, en nu gaan we echt beginnen! Maar pas toen er bierglazen op de tafel prijkten, bij de asbak, ontstond er echte spontaniteit.

Wat is de ware aard van Hans Teeuwen? Die is onmogelijk te determineren, zoals die voor geen enkele mens te bepalen valt. Maar doordat Hans Teeuwen zich had voorgenomen om de dialectische maskers van ironie en meta-ironie af te laten, wat hem dus zichtbaar moeite kostte, schemerde er, begeleid door die merkwaardige mimiek, meer ware Teeuwen-aard door dan ik mij had voorgesteld. En hij kwam nuchterder en meer cerebraal over dan ik had verwacht.

Over de eerste fragmenten, ‘Singing in the rain’, Buster Keaton, Herman van Veen en Die Antwoord, had Teeuwen weinig zinnigs te melden. Dat zei hij zelf ook : ‘Daar was ik al bang voor, dat jij mij zou dwingen om inhoudelijk op die dingen in te gaan.’ En daar had hij dus eigenlijk geen zin in. Terwijl hij van zichzelf ook niet de clown mocht uithangen.

Het onderwerp godsdienst, in het bijzonder islam, maakte de tongen wat meer los. Zo bekende Teeuwen dat hij niet op de wijze tegen de islam durfde te fulmineren als Patrick Cordell, waarvan hij een filmfragment had uitgekozen, dat deed. Dat had hij, vond hij achteraf, eigenlijk wel moeten doen na de moord op zijn vriend Theo van Gogh. Maar zelfcensuur had de expressie van rauwe emoties verhinderd. Wilfried de Jong deed intussen verwoede pogingen om een en ander wat te nuanceren.

Naar aanleiding van een fragment over Moeder Theresa kregen de makers van Het Glazen Huis ervan langs. Lijden is niet nobel, en opzettelijk lijden ten behoeve van een ‘goed doel’ al helemaal niet.

Ook het onderwerp seks kwam aan bod naar aanleiding van fragmenten uit de film ‘Trash humpers’ en de keuzefilm ‘Boogie nights’. Teeuwen betreurde het dat het koninklijke hof niet gereageerd had op ‘Koningin’ uit ‘Industry of love’, maar van de andere kant begreep hij het ook wel weer. Vervolgens gaf hij een gedetailleerde cursus vingeren. Altijd met twee vingers.

Het voorlaatste stukje beeld en geluid, met als onderwerp Charles Manson, was goed voor de laatste provocatie. Teeuwen ontboezemde dat als hij zich het uiterlijk van God voorstelde, hij het gezicht van Charles Manson voor zich zag. Ik heb onlangs nog de boeken ‘Het schervengericht’ en ‘Helter skelter’ gelezen, hetgeen dat korte beeldfragmentje wel een extra dimensie gaf.

De avond werd luchtig afgesloten met een Frank Sinatra in volle glorie die zong alsof zijn leven er vanaf hing, met vanuit de coulissen een grappende Dean Martin. Dit, zo schoot mij te binnen, had Hans Teeuwen graag willen zijn: Frank Sinatra die met Dean Martin en Sammy Davis jr. dolt, terwijl de natie toekijkt. En als dat laatste niet meer het geval is, dan wat stoeien met de overvloedig voorhanden zijnde showgirls.

En het eindoordeel? Op het moment dat ik aan het kijken was, ervoer ik deze uitzending van Zomergasten als net geen flop. Nu, de dag erna, in retrospectie, stijgt de waardering toch weer iets. Maar geweldig was het niet.

© 2013 Leo van der Sterren