Posts tonen met het label Samuel Taylor Coleridge. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Samuel Taylor Coleridge. Alle posts tonen

dinsdag 29 april 2025

Paralellen

‘It is with nations as with individuals. In tranquil moods and peacable times we are quite practical. Facts only and cool common sense are then in fashion. But let the winds of passion swell, and straitway men begin to generalize; to connect by remotest analogies; to express the most univeral positions of reason in the most glowing figures of fancy; in short, to feel particular truths and mere facts, as poor, cold, narrow, and incommensurate with their feelings.’

Samuel Taylor Coleridge, ‘The Statesman’s Manuel’ (December 1816). In ‘The Collected Works of Samuel Taylor Coleridge. Lay Sermons. Edited by R.J. White’. London, Princeton, 1972, p. 15. 

© 1972 Routledge & Kegan Paul


zondag 2 maart 2025

Coleridges notebooks 14

‘In einem Schaukasten des Britischen Museums liegt ein Büchlein in Duodez, mit neunzig Blättern groben Papiers, teils mit Tinte, teils mit Bleistift flüchtig beschrieben, in schwarzes Leder sorgsam gebunden und als Ms. Additional 27 901 signiert. Es soll dem Besucher von der Handschrift des Mannes, der den “Alten Matrosen” dichtete, einde Vorstellung geben; und in der That ist es unter den vielen Autographen, die das Britische Museum von ihm besitzt, das interessanteste.’

Aloys Brandl, ‘S.T. Coleridges Notizbuch aus den Jahren 1795 – 1798. Nach der Originalhandschrift im Britischen Museum zum erstenmal vollständig herausgegeben von A. Brandl. Sonderabdruck aus dem Archiv für das Studium der neueren Sprachen, Bd XCVII, Heft 3/4’. Braunschweig, 1896. Blz. 333. 



‘In the British Museum is a small manuscript volume of ninety leaves, which is, in my judgment, one of the most illuminating human documents even in that vast treasure-house. It is a note book kept by Samuel Taylor Coleridge, partly in pencil, partly in ink, and always with most admired disorder. There are just two dates from cover to cover, but internal evidence makes clear that it embraces a period of about three years, from the spring of 1795 to the spring or summer of 1798, the years which lead up to and include the magnificent flowering of Coleridge’s genius on which his renown as a poet rests. It was printed thirty years ago by Professor Brandi of Berlin, but it lies so effectively buried in a German philological periodical that the latest English edition of Coleridge refers to it as vaguely as if it had been published in the moon. Yet its value is incalculable, not only for the understanding of Coleridge, but also as a document in the psychology of genius, and as a key to the secrets of art in the making.’

John Livingstone Lowes, ‘The Road to Xanadu. A Study in the Ways of the Imagination’. Boston, New York, 1927. Blz. 5. 

‘When I first saw the notebooks they were on open shelves in the library of Lord Coleridge in the Chanter’s House, Ottery St. Mary. That was at the close of 1930.’

Kathleen Coburn, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge. Volume 1. 1794 – 1804. Text.’ Abingdon, New York, 2002 [1962]. Blz. xi. 

‘The first moment of seeing the man’s own books, notebooks, and handwriting, was like taking a breath of air from some other climate or existence. (…) I was stunned not only by the sensory experience but by the quantity before me.’

Kathleen Coburn, ‘In pursuit of Coleridge’. London, 1977. Blz. 27. 


‘Samuel Taylor Coleridge (1772–1834) is one of the most remarkable writers and thinkers in one of English Literature’s most remarkable periods; and his Notebook is one of its masterpieces – perhaps the unacknowledged prose masterpiece of the age. It is well known to Coleridge scholars, of course, who refer to it habitually; and it has always had some noble champions outside the Coleridgean establishment (Geoffrey Grigson was a great admirer). But, on the whole, it has remained an undiscovered treasure to the general reader, the lover of poetry, and even the non-specialist student. Which is a great pity: for it is an astonishing and eminently readable document, a work, by turns, of philosophical profundity, descriptive beauty, verbal brilliance, and human comedy (and sometimes tragicomedy; and sometimes tragedy). The Notebook was an almost-lifelong companion; and at times – for though a gregarious man, he was often quite alone – it was Coleridge’s only associate, to which he entrusted his most private thoughts.’

‘Coleridge’s Notebooks. A selection. Edited by Seamus Perry’. Oxford, 2002. Blz. vii.


© 2025 Leo van der Sterren




zaterdag 2 januari 2021

De leeslijst van 2020

1. Stuart Y. McDougal, ‘Ezra Pound and the Troubadour Tradition’. Princeton (N.J.), 1972 [Reprint]. 

2. Ezra Pound, ‘Posthumous Cantos. Edited by Massimo Bacigalupo’. Manchester, 2015. Bevat onder meer de ‘Three Cantos’ (of ‘Ur-Cantos’) die in 1917 in Poetry gepubliceerd werden. 

3. A. David Moody, ‘Ezra Pound: Poet. A Portrait of the Man & His Work. Volume I. The Young Genius 1885 – 1920’. New York, 2009 [2007]. 

4. Jona Lendering & Vincent Hunink, ‘Het visioen van Constantijn. Een gebeurtenis die de wereld veranderde’. Utrecht, 2019 [2018]. Jammer van die ronkende ondertitel die afbreuk doet aan de op elke pagina leesbare twijfel aangaande de kenbaarheid van het (verre) verleden. 

5. A. David Moody, ‘Ezra Pound: Poet. A Portrair of the Man & His Work. Volume II. The Epic Years 1921 – 1939’. New York, 2018 [2014]. 

6. Jona Lendering, ‘Xerxes in Griekenland. De mythische oorlog tussen oost en west.’ Utrecht, 2019. 

7. Robert Archambeau, ‘Poetry and Uselessness. From Coleridge to Ashbery’. New York, Abingdon, 2020. 

8. Mensje van Keulen, ‘Ik moet u echt iets zeggen’. Amsterdam, Antwerpen, 2020. 

9. Benno Barnard, ‘Dagboek van een landjonker’. Amsterdam, Antwerpen, 2013. 

10. Sam Wasson, ‘The Big Goodbye. Chinatown and the last year of Hollywood’. London, New York, 2020. Fascinerend boek over the making of ‘Chinatown’, een film die in mijn top tien prijkt. Het ronkende tweede deel van de ondertitel, ‘the last year of Hollywood’, had meneer Wasson echter weg moeten laten, want die slaat nergens op. 

11. K. Schippers, ‘Andermans wegen. Verhalen & beschouwingen’. Amsterdam, 2020. 

12. Saša Stanišić, ‘Herkunft’. München, 2019. Stanišić schrijft het begrip ‘afkomst’ en daarmee de notie ‘identiteit’ aan gort. 

13. ‘De Parelduiker, jaargang 25, 2020, nummer 1. Louis Paul Boon.’ 

14. ‘Maatstaf 1, jaargang 47, 1999. Boon!’. Naar aanleiding van het Boon-nummer van De Parelduiker heb ik de speciale Maatstaf van 21 jaren geleden over Louis Paul Boon er nog maar eens bij gehaald. Dat bevat onder andere het ‘Dagboek van meneerke Boin behandelend het jaar 1978-1979’ dat Boon tot kort voor zijn dood bijhield, een bij vlagen aangrijpend verslag van Boons gevecht tegen depressiviteit, lichamelijke klachten en alcohol – en dat in een periode dat hem de Nobelprijs voor literatuur boven het hoofd hangt. 

15. Özcan Akyol, ‘Generaal zonder leger’. Amsterdam, 2020. Niet al te best, dit essay ter ere van de Boekenweek. De laatste bladzijde doet zelfs pijn aan de ogen. 

16. Valeria Luiselli, ‘Archief van verloren kinderen’. Amsterdam, 2019. Prachtige en ontroerende roman over kinderen die vanuit Zuid- en Midden-Amerika naar het noorden zijn getrokken om in de Verenigde Staten hun heil te zoeken, maar die dat einddoel nooit bereikt hebben en onderweg uit het zicht zijn geraakt – verloren dus. 

17. Arielle Veerman, ‘De langste adem. Een leven met Joost Zwagerman. Autobiografische roman’. Amsterdam, 2020. Over Joost Zwagerman. Die de hand aan zichzelf geslagen heeft. Door Arielle Veerman, de ex-echtgenote van Joost Zwagerman. Die tijdens en na de vechtscheiding vanuit Zwagermans kamp, om het maar in strijdtaal te stellen, scheef werd aangekeken omdat zij de oorzaak voor Zwagermans depressie en de noodlottige uitkomst daarvan zou zijn geweest. In dit boek vertelt zij haar kant van het verhaal. En dat mag. Maar de moeilijkheid met dit soort boeken steekt in het feit dat je snel geneigd bent om datgene wat je het laatste hoort, voor waar aan te nemen, terwijl er geen weerwoord vanuit het andere kamp, om het maar in strijdtaal te stellen, komt, althans ik heb daar niets van vernomen; ik ben wel geen toeschouwer van programma’s met pratende hoofden, dus het kan zijn dat ik iets gemist heb. Nu kun je zeggen dat het andere kamp al meer dan genoeg van zich heeft laten horen meteen na het overlijden van Joost Zwagerman, maar ik blijf toch moeite houden met het motief van het uit de doeken doen van deze geschiedenis, terwijl het boek als roman gewoon niet goed genoeg is. Vind ik. 

18. Drago Jančar, ‘Die nacht zag ik haar’. Amsterdam, Antwerpen, 2018. Titel van het boek en de stofomslag van de Nederlandse uitgave doen denken aan de Bouquet-reeks, maar niets is minder waar. Prachtig boek. 

19. Drago Jančar, ‘En ook de liefde’. Amsterdam, Antwerpen, 2019. Ook een prachtig boek. Maar waarom niet gewoon de foto waar het allemaal mee begint op de stofomslag in plaats van opnieuw die opzichtige kitsch?

20. László Krasznahorkai, ‘Satanstango’. Amsterdam, 2012. Een boek om je vingers bij af te likken. 

21. Michael Baigent, Richard Leigh & Henry Lincoln, ‘The Holy Blood and The Holy Grail. Illustrated Edition with Exclusive New Material’. London, 2005 [1982]. Lang geleden al eens gelezen maar de titel van deze nieuwe uitgave ronkte dermate dat hem versmaden geen optie was. En dus heb ik dit heerlijke onzinboek nog eens herlezen en de plaatjes eens goed bekeken. Wat mij niet meer bijstond, zijn de moeiteloosheid en vanzelfsprekendheid waarmee de auteurs werkelijk elke bestaande complottheorie erbij weten te halen. 

22. Robert Harris, ‘De officier’. Amsterdam, 2014. 

23. Mario Puzo, ‘The Godfather’. London, 2019 [1969]. 

24. Francis Ford Coppola, ‘The Godfather Notebook’. New York, 2020 [2016]. 

25. Mario Puzo & Francis Ford Coppola, ‘The Godfather. Final Shooting Script. Screenplay by Mario Puzo and Francis Ford Coppola’. 2012. 

26. Tom Santopietro, ‘The Godfather Effect. Changing Hollywood, America and Me’. New York, 2012. 

27. René Daumal, ‘Het drinkgelag. Een trilogie van de dorst’. Bleiswijk, 2020. 

28. Erwin Mortier, ‘De onbevlekte’. Amsterdam, 2020. 

29. Annejet van der Zijl, ‘Leon & Juliette’. Amsterdam, 2020. 

30. W.G. Sebald, ‘On the Natural History of Destruction’. New York, 2004 [1999]. 

31. Ferdinand von Schirach, ‘Schuld’. Amsterdam, 2011. 

32. Erwin Mortier, ‘ Godenslaap’. Amsterdam, 2009. Wat een fenomenaal boek! 

33. Ferdinand von Schirach, ‘Straf’. Amsterdam, 2019. 

34. Walter Kempowski, ‘Zwanenzang 1945’. Amsterdam, 2020. Slotdeel van Kempowski’s monumentale collectieve dagboek over de Tweede Wereldoorlog ‘Das Echolot’. Nu de rest nog onder handen nemen. 

35. A. David Moody, ‘Ezra Pound: Poet. A Portrait of the Man & His Work. Volume III The Tragic Years 1939 – 1972’. New York, 2019.

36. Sándor Márai, ‘Gloed’. Amsterdam, 2001 [2000]. 

37. Loni Wolf, ‘Oorlogskind’. Amsterdam, 2009. 

38. Denis Johnson, ‘Treindromen’. Amsterdam, 2013 [2012]. 

39. Denis Johnson, ‘De naam van de wereld’. Amsterdam, 2020. 

40. Denis Johnson, ‘Sta stil’. Amsterdam, 2009. 

41. Ferdinand von Schirach, ‘Misdaden’. Amsterdam, 2010. 

42. Denis Johnson, ‘Een zuil van rook’. Amsterdam, 2008. Lijvige roman die soms doet denken aan ‘The Quiet American’ (al is Greenes meesterwerk meer subtiel ambigu) en soms ‘The Heart of Darkness’ in herinnering roept. Niet Johnsons sterkste boek, maar bij bladzijde 519 aanbeland, moest ik even mijn tenen samenknijpen van spanning en dat is me sinds ‘Publieke werken’ van Thomas Rosenboom niet meer overkomen. 

43. Philippe Sands, ‘De rattenlijn’. Amsterdam, 2020. Een hoge SS-officier slaat aan het einde van de Tweede Wereldoorlog op de vlucht en weet te ontsnappen aan de geallieerden in een tijd waarin noties van goed en kwaad, en de consequenties die daarmee verbonden zouden moeten zijn, opgeofferd worden ten behoeve van andere oogmerken die voortkomen uit dat nieuwe geopolitieke conflict waarin de Tweede Wereldoorlog naadloos overgaat, de Koude Oorlog. Aan het onderwerp ligt het niet (hoewel het verhaal dunner is dan Sands doet voorkomen), want dat biedt genoeg stof om een echt goede tekst te produceren. Dat heeft Sands niet gedaan. Het proza in ‘De rattenlijn’ is zo waardeloos dat het mij mateloos begon te storen en uiteindelijk de lectuur van dit boek verpest heeft. Ik begrijp ook niet dat professionele lezers dit boek hebben kunnen prijzen en/of in eindejaarslijstjes hebben kunnen opnemen. 

44. Bertran de Born, ‘The Poems of the Troubadour Bertran de Born. Edited by William D. Paden, Jr., Tilde Sankovitch, and Patricia H. Stäblein’. Berkeley, Los Angeles, London, 1986. 

45. Hilary Mantel, ‘Wolf Hall’. Utrecht, 2010. Een subliem boek voor wie zich laat meeslepen – wat Hilary Mantel overigens met gemak faciliteert. Wie echter de moeite neemt om enigszins afstand te nemen, moet constateren dat het perspectief wel heel erg bij een gebrekenloze Thomas Cromwell ligt hetgeen vanuit historisch oogpunt twijfels oproept. Het proza is ronduit meesterlijk. 

46. Hilary Mantel, ‘Het boek Henry’. Utrecht, 2012. 

47. Marjoleine de Vos, ‘Je keek te ver, een wandeling’. Amsterdam, 2020. Eerste boekje uit een reeks van vier over de fijne kunst van het wandelen. Zelf een fanatieke wandelaar beschouwde ik deze boekjes als verplichte kost. Het was bepaald geen straf om dit eerste boekje te lezen. En de hoeveelheid herkenbaarheden was groot. 

48. Gerbrand Bakker, ‘De 3 bestaat niet, een wandeling’. Amsterdam, 2020. Tweede boekje uit een reeks van vier over de fijne kunst van het wandelen, in dit geval in de Eiffel. Met veel humor verteld. 

49. Thomas Rosenboom, ‘De grote ronde, een wandeling’. Amsterdam, 2020. Derde boekje. 

50. Bregje Hofstede, ‘Bergje, een wandeling’. Amsterdam, 2020. Vierde en laatste wandelboekje. 

51. ‘Karolingische verhalen. Karel en Elegast. Floris en Blancefloer. De vier Heemskinderen. In de bewerking van J. A. Alberdingk Thijm’. Utrecht, Antwerpen, 1983. 

52. Hilary Mantel, ‘De spiegel & het licht’. Utrecht, 2020. 

53. Hal Foster, ‘Prins Valiant. Jaargang 1937’. ’s-Hertogenbosch, 2010. Pure nostalgie. 

54. Albert Camus, ‘De pest’. Amsterdam, 2020. 

55. Anne Fadiman, ‘At Large and At Small. Confessions of a Literary Hedonist’. New York, London, 2007. 

56. Stephen Maxfield Parrish (ed.), ‘Coleridge’s Dejection. The Earliest Manuscripts and the Earliest Printings’. Ithaca and London, 1988. 

57. Anne Fadiman, ‘Ex Libris. Confessions of a Common Reader’. New York, London, 1998. 

58. Adam Nicolson, ‘The Making of Poetry. Coleridge, the Wordsworths and Their Year of Marvels’. London, 2019. Schitterend relaas over dat zo welbekende annus mirabilis van Samuel Taylor Coleridge en William Wordsworth van juni 1797 tot september 1798 toen beroemde gedichten ontstonden als ‘Frost at Midnight’, ‘This Lime Tree My Bower’, ‘The Ancyent Marinere’, ‘Kubla Khan’ en ‘Christabel van STC en ‘The Pedlar’, ‘The Ruined Cottage’ en ‘Tintern Abbey’ van WW. Maar ook met oog voor de maatschappelijke wantoestanden, de politieke oppressie en de worsteling in en met het leven van alledag. 

59. Elisabeth Schneider, ‘Coleride, Opium and Kubla Khan’. New York, 1983 [1953]. 

60. Malcolm Guite, ‘Mariner. A Voyage with Samuel Taylor Coleridge’. London, 2017. 

61. Valerie Purton, ‘A Coleridge Chronology’. Basingstoke, London, 1993. 

62. Kurt Saucke (ed.), ‘Eine Reise von Yarmouth nach Hamburg.’ Hamburg, 1992. 

63. Daniel Hahn, ‘Coleridge. Poetic Lives.’ London, 2009. Voor wie met Samuel Taylor Coleridge en zijn werk kennis wil maken. 

64. H.W. Piper, ‘The Singing of Mount Abora. Coleridge’s Use of Biblical Imagery and Natural Symbolism in Poetry and Philosophy.’ London, Toronto, 1987. 

65. Berta Lawrence, ‘Coleridge and Wordsworth in Somerset.’ Newton Abbot, 1970. 

66. Robert W. Graves, ‘The Poet as Prophet, Wanderer and Pilgrim in Coleridge’s “The Rime of the Ancient Mariner”.’ Woodstock, GA., 2015. 

67. Anne Applebaum, ‘Rode hongersnood. Stalins oorlog tegen Oekraïne’. Amsterdam, 2017. 

68. Samuel Taylor Coleridge, ‘Biographia Literaria. Edited by James Engell and W. Jackson Bate. The Collected Works of Samuel Taylor Coleridge.’ Princeton, 1984 [1983]. 

69. Judith Thompson, ‘John Thelwall in the Wordsworth Circle. The Silenced Partner.’ Basingstoke, 2012. Fascinerend boek over ‘der Dritte im Bunde’. John Thelwall, ‘Jacobijns’ politicus en orator, maar ook een niet onverdienstelijke dichter maakt kennis met Coleridge en Wordsworth, die dan nog welwillend staan ten opzichte van bepaalde, door de Franse Revolutie geïnspireerde radicale ideeën, de ideeën die Thelwall uitdraagt. Heel even maakt Thelwall deel uit van wat John Worthen later ‘The Gang’ zou noemen. Maar al tijdens de tien dagen in juli 1797 dat Thelwall in Nether Stowey (bij Coleridge) en in Alfoxden (bij Wordsworth) verblijft, ziet hij ‘the writing on the wall’: de beide andere dichters hebben geen behoefte aan een iets oudere mentor, hoewel ze wel van zijn standpunten aangaande poëzie leren en van zijn werk lenen (jatten), maar vooral niet aan een beruchte radicaal, omdat zowel Coleridge als Wordsworth begonnen zijn met opschuiven naar een politiek conservatisme, de eerste snel, de tweede langzamer, maar beiden zeker. En dus wordt Thelwall gedumpt. Coleridge en Wordsworth geven zich vervolgens veel moeite om de bewijzen van hun kortstondige vriendschap met Thelwall uit te wissen. Van de brieven die Thelwall aan Coleridge schreef, en dat moeten er vele zijn geweest, bleef er slechts eentje bewaard. De rest is bewust vernietigd. Wat het lenen cq. jatten van elkaar betreft, gaat Judith Thompson trouwens veel te ver. Ik chargeer een beetje maar zij doet het voorkomen alsof Coleridge en Wordsworth, zeker tot aan de wisseling van de achttiende naar de negentiende eeuw, geen regel schreven die niet iets met Thelwall te maken had. Maar dat Thelwall belangrijker was voor die eerste generatie van romantische dichters in Engeland dan tot onlangs werd aangenomen staat buiten kijf. Het is dus begrijpelijk en rechtvaardig dat hij de aandacht krijgt die hij verdient.

70. Wordsworth en Coleridge, ‘Lyrische balladen.Vertaald en toegelicht door Jabik Veenbaas. Met een nawoord van Rob Schouten.’ Amsterdam, 2010. Het is lovenswaardig dat Jabik Veenbaas ‘Lyrical Ballads’ in het Nederlands vertaald heeft en daarmee een schare lezers in Nederland weet te bereiken. De recente alarmerende berichten met betrekking tot het leesgedrag in Nederland en de leescompetenties van de Nederlanders indachtig zal die schare echter (zeer) beperkt van omvang blijven. Maar het verdient alle lof dat dit belangrijke boek ook in Nederland wat meer aandacht krijgt. . Dat Jabik Veenbaas ervoor gekozen heeft een leeseditie te maken in plaats van een kritische editie ligt voor de hand. Je wilt de Nederlandse lezer niet opzadelen met allerlei details van tekstbezorging. Maar de keuze zal ook uit nood zijn geboren. Om grotere aantallen mensen in Nederland aan het lezen te krijgen dreigt er een tendens te ontstaan om die activiteit vooral zo leuk mogelijk te maken en daarmee zo gemakkelijk mogelijk. Het eenvoudig houden, dat is uitgerekend in het geval van de gedichten van William Wordsworth en Samuel Taylor Coleridge een nagenoeg onmogelijke opgave. Beide dichters hebben zoveel zowel gepubliceerde als handschriftelijke varianten gegenereerd dat de lezer zich bij elk boek van elk van de twee dient af te vragen wat hij nu eigenlijk aan het lezen is. Daarvan had Veenbaas meer rekenschap moeten geven. ‘Ik heb de structuur van de “Lyrical Ballads”-editie uit 1805 als uitgangspunt genomen…Wat de tekst van de gedichten aangaat, heb ik me echter georiënteerd op de latere, definitieve versies,’ schrijft hij in zijn Verantwoording. Nog afgezien van het feit dat de definitie van ‘definitief’ in de filologie oorlogen veroorzaakt heeft, bezondigt Veenbaas zich aan een m.i. al te grote vrijheid in de selectie van de teksten. ‘The Ancient Mariner’ van Coleridge biedt het meest in het oog springende voorbeeld omdat de editoriale ellende meteen bij zoiets ogenschijnlijk triviaals als de titel begint. ‘The Ancient Mariner’ is de titel in de uitgaves van ‘Lyrical Ballads’ van 1802 en 1805. De titel die Veenbaas gebruikt, ‘The Rime of the Ancient Mariner’, vertaald als ‘Het gedicht van de oude zeeman’, is de titel die vanaf ‘Sybilline Leaves’ (1817) door Coleridge gehanteerd werd en die daarna gemeengoed is geworden. Maar de oorspronkelijke naam van het gedicht, uit de eerste editie van ‘Lyrical Ballads’ van 1798, luidde ‘The Rime of the Ancyent Marinere’ en die curieuze schrijfwijze was bedoeld om de ballade een middeleeuws tintje te geven. Maar dan zijn we er nog niet. De versie die Veenbaas in zijn boek heeft opgenomen, is inderdaad de laatste versie, uit de verzamelde gedichten van1834. Deze versie bevat de glossen in de marge van de bladspiegel die Coleridge veel later dan 1805 heeft toegevoegd. Maar dat ook die versie niet definitief is blijkt alleen al uit het feit dat in de uitgaven van Coleridges gedichten tegenwoordig in de regel twee versies van ‘The Rime of the Ancient Mariner’ worden opgenomen: die van 1798 en die van 1834. De beide versies verschillen namelijk zozeer van elkaar dat elke voorkeur voor één van beide de andere tekort doet. Dat is nu precies wat Veenbaas heeft gedaan. De eenvoud dienende had hij eenvoudigweg bij de variant uit 1805 moeten blijven. 

71. Wordsworth and Coleridge, ‘Lyrical Ballads. Edited by R.L. Brett and A.R. Jones. With a new introduction of Nicholas Roe.’ New York, London, 2006 [1968]. 

72. Lana Del Rey, ‘Violent Bent Backwards Over the Grass’. London, 2020. Het poëziedebuut van de Amerikaanse singer/songwriter Lana Del Rey wier muzikale voortbrengselen ik zeer waardeer. Maar dit boek valt tegen. Het bevat 130 bladzijdes waarvan 50 met gedichten (tekst). De rest bestaat uit foto’s en weergaven van olieschilderijen. ‘Violent Bent Backwards Over the Grass’ bevat een zevental gedichten dat de moeite waard is zoals het titelgedicht, de ode aan LA en ‘Tessa DiPietro’. De rest vond ik niet bijzonder, met de aantekening dat ik de ‘first thought, best thought’-methodiek verafschuw en het is deze werkwijze die Del Rey, een verklaard Ginsburg-fan, hanteert. Dat ontaardt in soms clichématige ontboezemingen en gevoelsuitbarstingen waar ik niet op te wachten zit als ik gedichten wil lezen. Poëzie is iets van en met woorden en niet van en met emoties – die mogen er wel in zitten, maar dan moeten wel de woorden deugen. 

73. E.P. Thompson, ‘The Romantics. England in a Revolutionary Age’. Suffolk, 1997. Essays vanuit een socialistische invalshoek over William Wordsworth, Samuel Taylor Coleridge en John Thelwall. 

74. Berend Strik, ‘Deciphering The Artist’s Mind’. New Haven, London, 2020. 

75 Jolijn Thijssen, ‘Pluis heeft TOS’. Huizen, 2020. Prachtig boek van een nog zeer jeugdige auteur over taalontwikkelingsstoornis. 

76. Josephine Rombouts, ‘Cliffrock Castle. Werken op een kasteel in Schotland’. Amsterdam, 2020 [2018]. 

77. James Vigus, ‘Platonic Coleridge’. London, 2009. 

78. Wordsworth and Coleridge, ‘Lyrical Ballads. 1798 and 1802. Edited with an Introduction and Notes by Fiona Stafford’. Oxford, 2013. 

79. Josephine Rombouts, ‘Terug naar Cliffrock Castle. Belevenissen op een Schots kasteel’. Amsterdam, 2019. Spannender dan deel één, vond ik. 

80. Justin Shepherd, ‘In Xanadu… A Companion to Samuel Taylor Coleridge’s Kubla Khan.’ 2016. Ash Farm als een soort bed & breakfast, maar dan wel zeer ver avant la lettre

81. Jan Verheyen, ‘Jan Verheyen presents Alle Remmen Los! Een afdaling in de riolen van pulpcinema uit de wilde jaren ’70.’ Antwerpen, Amsterdam, 2020. Elk decennium heeft zijn eigen cheepnis op cinematografisch gebied, maar de jaren zeventig van de vorige eeuw spanden inderdaad de kroon. Overigens ontbraken de verhalen over (de films van) Lina Romay, de langjarige partner en uiteindelijk de echtgenote van pulpcinematograaf Jésus Franco, en de kitscherige, tragisch aan haar einde gekomen sfinx Soledad Miranda in dit boek. 

82. Irene van der Linde (tekst), Nicole Segers (foto’s), ‘Bloed en honing. Ontmoetingen op de grenzen van de Balkan’. Amsterdam, 2020. Irene van der Linde en Nicole Segers maakten (ongeveer) dezelfde reis door de Balkan als Rebecca West deed in 1936 en 1937. West verwerkte haar ervaringen in een vuistdik boek ‘Black Lamb and Grey Falcon’ (1942). ‘Bloed en honing’ dijt ook behoorlijk uit, maar dat komt voornamelijk door de vele foto’s in dit prachtig vormgegeven boek. ‘Black Lamb and Grey Falcon’ bevatte geen foto’s en dat blijkt, na ‘Bloed en honing’, een gemis. De verbeelding vermag veel, maar heeft soms toch een zetje nodig. Tekstueel daarentegen kan ‘Bloed en honing’ in geen enkel opzicht tippen aan het dynamische prachtproza van Rebecca West. ‘Black Lamb and Grey Falcon’ behoort tot de meesterwerken in mijn bibliotheek, ‘Bloed en honing’ niet. Overigens ademen beide boeken pessimisme uit over de situatie op de Balkan. De verdeeldheden zitten zo diep ingesleten dat het kruitvat weer elk moment tot ontploffing kan komen. 

83. James Ellroy, ‘De zwarte dahlia’. Amsterdam, 1995 [1991]. 

84. Traci Elizabeth Lords, ‘Underneath It All’. New York, 2003. De autobiografie van Nora Louise Kuzma die onder haar pseudoniem Traci Lords als zestienjarige in de Amerikaanse porno-industrie verzeild raakte. Toen dat twee jaar later aan het licht kwam, moesten alle scenes waarin Lords acte de presence had gegeven als kinderpornografie bestempeld worden. Lords presenteert zich in haar boek eenzijdig als een naïef slachtoffer van niets ontziende mannelijke roofdieren. Dat die laatste categorie mannen bestaat en dat hun niets-ontzienheid geen grenzen kent, beseft een ieder die weet heeft van de wereld, maar Lords’ apologie en haar zelfbeeld als onschuldige engel komen bij vlagen als ongeloofwaardig over. Lords’ tienerjaren vertonen overeenkomsten met het verhaal van de Zwarte Dahlia, zoals verteld (o.a.) door James Ellroy: jonge meisjes die hun geluk zoeken in de bovenwereld van Hollywood, maar in de krochten van de stad belanden. 

85. Monika Helfer, ‘De bagage’. Amsterdam, 2020. 

86. Marieke Lucas Rijneveld, ‘De avond is ongemak’. Amsterdam, 2020 [2018]. Waarom zo opzichtig Wolkers nadoen? Omdat er tegenwoordig lezers zijn die geen weet hebben van Wolkers en zijn werk. 

87. Jason Lutes, ‘Berlin’. Toronto, 2019 [2018]. Knap beeldverhaal over de geschiedenis van Berlijn in de jaren voorafgaand aan Hitlers succesvolle greep naar de macht aan de hand van een aantal protagonisten uit verschillende milieus. 

88. Peter Handke, ‘De angst van de doelman voor de strafschop’. Amsterdam, 2019. 

89. Peter Handke, ‘De herhaling’. Amsterdam, 1988. Handkes idiosyncratische impressionisme vergt geduld.

90. Peter Handke, ‘Abschied des Träumers vom Neunten Land/Eine winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina oder Gerechtigkeit für Serbien/Sommerlicher Nachtrag zu einer winterlicher Reise.’ Frankfurt am Main, 2020 [1998]. 

91. Marieke Lucas Rijneveld, ‘Mijn lieve gunsteling’. Amsterdam, 2020. Ik ben tot en met bladzijde 125 gekomen. Conclusie: zoals niet van Harry Mulisch en Arnon Grunberg, ben ik geen fan van MLR. Rustig aan laten doen en negeren.

92. Cemile Sahin, ‘Alle Hunde sterben’. Berlin, 2020. 

93. Frank Westerman, ‘De brug over de Tara’. Amsterdam, 2007 [1994]. 

94. Peter Handke, 'Unter Tränen fragend. Nachträgliche Aufzeichnungen von zwei Jugoslavien-Durchquerungen im Krieg, März und April 1999'. Frankfurt am Main, 2000. 

95. Thomas Deichmann (ed.), ‘Noch einmal für Jugoslawien: Peter Handke’. Frankfurt am Main, 2017 [1999]. 

96. Marie-Christin Pollak, ‘Gerechtigkeit für Serbien. Gerechtigkeit für Peter Handke’. Norderstedt, 2007. 

97. Peter Handke, ‘Rund um das Große Tribunal’. Frankfurt am Main, 2013 [2003]. 

98. Peter Handke, ‘Die Tablas von Daimiel’. Frankfurt am Main, 2018 [2006]. 

99. Marie-Janine Calic, 'Krieg und Frieden in Bosnien-Hercegovina'. Frankfurt am Main, 2019 [1995]. 

100. Kurt Gritsch, ‘Peter Handke und „Gerechigkeit für Serbien“. Eine Rezeptionsgeschichte‘. Innsbruck, 2009. 

101. Connie Palmen, ‘I.M.‘. Amsterdam, 1998. Een paar dagen nadat ik dit boek (eindelijk) had gelezen, begon de televisieserie die op basis ervan gemaakt was. Dat die televisiereeks eraan kwam, daarvan had ik op het moment van de lectuur nog geen weet. Ik heb verfilming intussen gezien en in tegenstelling tot wat doorgaans het geval is, vond ik de film mooier dan het boek. 

102. Toon Theeuwen (ed.), ‘100 jaar psychiatrie in Venray. Geschiedenis van de psychiatrische instellingen Sint Anna en Sint Servatius‘. Zutphen, 2005. Op instigatie van de, van oorsprong Belgische, rooms-katholieke congregatie Broeders der Liefde begon medio 1905 de bouw van Sint Servatius, ‘Geneeskundig Gesticht voor mannelijke kranken en zenuwlijders‘, twee jaar later gevolgd door de aanleg van Sint Anna, ‘Geneeskundige Inrichting voor R.K. Vrouwelijke Krankzinnigen, onder het Bestuur van de Vereeniging der Zusters van Liefde te Venray‘, twee enorme instituten in een toen nog relatief klein dorp met ongeveer vijfduizend inwoners. Honderd jaar geestelijke gezondheidszorg, gestoeld op goede bedoelingen, maar blijvend ontsierd door zaken als elektroshock, cardiazol- en insulinekuren, leucotomie, lobotomie, permanente badverpleging en de vele vormen van fixatie. 

© 2021 Leo van der Sterren

zaterdag 15 november 2014

Engelsheid 1



‘This house is delightful – in a beautiful situation – with river – old trees – fine swells and vallies and soft verdure even at this time of the year...The house, convenient, comfortable, perfectly neat, without the teizing precision of order – the library-drawing-room furnished with good sense – delightful armchairs low sofas – stools, plenty of moveable tables – books on tables and in open book-cases and in short all that speaks the habits and affords the means of agreeable occupation. In short Easton Grey might be cited as a happy model of what an English country gentleman's house is or ought to be...Mrs. Smiths easy unaffected well bred kind manners and Mr. Smiths literary and sensible conversation make their house one of the most agreeable I ever saw.

Last night he read to us from a book of manuscript treasures two admirable letters of Mackintosh written when he was in India and addressed to Mr Whishaw... Mr. Smith also shewed us some little unpublished poems of Lord Byrons and some notes of his in a copy of Scots Bards and Reviewers which do him honor and which Harriet has copied into our book so that you shall all see them – in time.’

Romanschrijfster Maria Edgeworth in een brief aan haar zus Honora. Zie: Maria Edgeworth, ‘Letters from England, 1813 – 1844’. Oxford, 1971, p. 227.

De meneer en mevrouw Smith waarvan in de brief sprake is, woonden gedurende de eerste decennia van de negentiende eeuw in het Easton Grey Manor House nabij Malmesbury in Wiltshire. Het echtpaar stond bekend om zijn liefde voor de literatuur. Mrs. Smith verzamelde bovendien handschriften. Zo had zij bijvoorbeeld enkele tientallen brieven van Alexander Pope in haar bezit. Zij is het die, waarschijnlijk door toedoen van Robert Southey, het Crewe manuscript van Coleridges beroemde gedicht ‘Kubla Khan’ in handen heeft gekregen. In 1859 werd de bibliofiele nalatenschap van Mrs. Smith op een veiling verkocht. De door Coleridge geschreven versie van ‘Kubla Khan’ – vooral van belang vanwege enkele afwijkingen van de gedrukte versie en de notitie ‘This fragment with a good deal more, not recoverable, composed, in a sort of Reverie brought on by two grains of Opium taken to check a dysentry, at a Farm House between Porlock & Linton, a quarter of a mile from Culbone Church, in the fall of the year, 1797’ – verdween voor één pond vijftien in een privécollectie en zou pas weer in 1934 opduiken.



© 2014 Leo van der Sterren

zondag 7 september 2014

Coleridges Notebooks 13

In het voorjaar van 1804 reist Samuel Taylor Coleridge, dan 31 jaren jong, aan boord van de Speedwell naar Malta om in het mediterrane klimaat genezing te vinden voor de vele kwalen die hem plagen, maar die het gevolg zijn van zijn dagelijkse en toenemende opiumgebruik waar hij in eerste instantie mee begonnen was ter leniging van zijn lichamelijke en geestelijke noden. Maar de reis van Malta paste ook in Coleridges neiging van escapisme. Op de vlucht voor zijn vrouw, voor verantwoordelijkheden en plichten waar hij niet mee om kon gaan, voor zijn indolentie, voor zijn neurosen en verslaving. Op de vlucht voor zichzelf, uiteraard tevergeefs . Op 19 april 1804 bereikt het schip Gibraltar waar Coleridge, in afwachting van het bericht dat men aan wal mag, de volgende lange notitie maakt in notebook 15.




Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2026.

zaterdag 17 mei 2014

Coleridge revisited

Van het beeld dat in biografieën en levensbeschrijvingen van de Engelse dichter en denker Samuel Taylor Coleridge (1772 – 1834) geschetst wordt, beklijven de negatieve aspecten vaak meer dan de gunstige (de affectieve portretten van mevrouw Coburn vormen een uitzondering op die regel). De meerderheid van wie iets te melden heeft over Coleridge volgt het ‘framework provided by the biographical pattern of early brilliance followed by long decline’ (J.C.C. Mays, ‘Coleridge’s experimental poetics’, Basingstoke, 2013, p. 4). Menige biograaf heeft Coleridge afgeschilderd als een genie, maar dan wel een genie dat niet deugde – zoals genieën zo vaak niet deugen. Zijn brille en eruditie staan in schril contrast met zijn neiging tot (uiterlijk) nietsdoen en zijn slechte gewoonte om dingen uit te stellen. In het bijzonder waar het de afhandeling van praktische zaken betrof, verzaakte Coleridge menigmaal zijn plichten, zoals onder andere, maar niet in de laatste plaats en zeker het hevigst mevrouw Coleridge zou ondervinden – te vaak stond die laatste er alleen voor, een compleet gezin bestierend. Sommige biografen vergoelijken deze houding: alles mag of moet wijken voor de kunst. Anderen, E.K. Chambers voorop, voeren aan dat die kunst maar van korte duur was en bestraffen hun protagonist met terugwerkende kracht en postuum door zijn negatieve gedragingen te benadrukken. Om het beeld van het voorwerp van hun aandacht te completeren of een bepaalde richting in te duwen, schromen zij niet om de waarheid geweld aan te doen.

Zo geeft Tom Mayberry, een biograaf die niet eens zo onwelwillend jegens de protagonist van zijn studie stond, in ‘Coleridge and Wordsworth/ The crucible of friendship’, wanneer hij van Coleridges getalm en uitstel rept, een citaat uit een brief van Coleridge aan Southey, een brief geschreven op een tijdstip dat beide mannen – schoonbroers nota bene – juist van elkaar vervreemd en gebrouilleerd waren geraakt. ‘You sate down and wrote [schrijft Coleridge aan Southey over Southey] – I used to saunter about and think what I should write.’ (Tom Mayberry, ’Coleridge and Wordsworth/ The crucible of friendship’, Stroud, 2000 [1992], p. 43 – een echo van deze volzin klink door in Coleridges late gedicht ‘Work without hope’). Mayberry wil met dit citaat aantonen dat Coleridge zich pijnlijk bewust was van zijn eigen tekortkoming. Hoewel verre van de indruk achterlatend zich als een macho te gedragen, zou Coleridge op een dergelijk moment van waterscheiding nooit de hand zo diep in eigen boezem gestoken hebben. Ook hij had zijn trots. En dat doet hij uiteindelijk ook niet, blijkt uit het vervolg van de passage uit de brief. ‘And we ought to appreciate our comparative Industry by the quantum of mental exertion, not the particular mode of it. By the number of Thoughts collected, not by the number of Lines, thro’ which these Thoughts are diffused.’ (‘Collected Letters of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Earl Leslie Griggs. Volume I 1785-1800.’ Oxford, 1956, p. 172). Coleridge construeert hier een beeld van Southey’s methode van schrijven als zijnde wijdlopig, onnadenkend en radicaal anders dan en daarmee inferieur aan zijn eigen letterkundige capaciteiten.

En toch wijst Coleridges vroege zelfbeeld van iemand die niet meer doet dan een beetje ronddrentelen en nadenken, terwijl de hele wereld rondom hem druk bezig is om zinvolle dingen te doen, vooruit naar diens toekomst. Afgezien van het feit dat het enthousiasme waarmee hij zich in ondernemingen stortte te vaak was weggeëbd voordat die projecten tot een goed einde waren gebracht waardoor een te groot deel van wat hij deed of schreef onaf en fragmentarisch van aard bleef (twee van zijn beroemdste gedichten ‘Kubla Khan’ en ‘Christabel’ hebben ‘fragment’ op het etiket staan), groeide vanaf ongeveer 1800 bij Coleridge het besef dat hij zich bezondigde aan een eigenlijk niet te tolereren lediggang, des te meer ontoelaatbaar omdat hij zich realiseerde dat hij over buitengewone geestelijke vermogens beschikte. Deze vaststelling coïncideerde met het vermoeden dat, zoals hij het noemde, zijn dichterlijke vermogen tanende was, een idee waaraan hij overigens vaak in de meest poëtische bewoordingen uitdrukking gaf. Onder dit hele complex van zelfbeoordeling (en vaak zelfveroordeling) deden ziekte, depressie en toenemende opiumverslaving bovendien hun minerende werk, leidend tot een vicieuze spiraal neerwaarts waarin de diverse oorzaken en gevolgen voortdurend van stuivertje wisselden. Wanneer er door dit mengsel vervolgens de nodige sociabiliteit, charme, humor en intellectuele ambitie geroerd worden, is het plaatje compleet.

In elk geval duiken er in Coleridges brieven en notebooks allerlei mismoedige opmerkingen op die erop wijzen dat Coleridge leed aan een soort van writer’s block. Hij verklaarde de dichter in zichzelf dood. Zijn arme Muze was weg. Waarom was hij niet een gewone leerlooier geworden zoals zijn goede vriend Thomas Poole dat was? ‘I abandon Poetry altogether,’ schrijft hij in een brief aan James Webb Tobin, ‘I leave the higher & deeper Kinds to Wordsworth, the delightful, popular & simply dignified to Southey; & reserve for myself the honorable attempt to make others feel and understand their writings, as they deserve to be felt & understood.’ (‘Collected Letters of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Earl Leslie Griggs. Volume I 1785-1800.’ Oxford, 1956, p. 623.) Of in brieven aan John Thelwall en Francis Wrangham: ‘I never had the essentials of Poetic Genius, & […] I mistook a strong desire for original power.’ Wordsworth, die behoorde tot de categorie der genieën, die mocht zich ‘a true Poet’ noemen, maar hij, Coleridge, was slechts ‘a kind of a Metaphysician’. (Collected Letters of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Earl Leslie Griggs. Volume I 1785-1800.’ Oxford, 1956., pp. 656 en 658).

‘My genial spirits fail,’schrijft hij in 1802 in zijn beroemde ‘Dejection: An ode’, doelend op het verlies van het vermogen om gedichten te schrijven. Maar als geen ander materialiseert dit gedicht Coleridges ambiguïteit in die periode: hij creëert prachtige poëzie over het onvermogen om poëzie te creëren, en spijts zijn ultrahoge zelfbewustzijn realiseert hij zich niet hoe paradoxaal zijn eigen situatie op het moment van schrijven is.

In oktober 1803 tekent hij een wanhoopsuitbarsting op zoals die her en der in zijn notebooks voorkomen. Niet alleen ontbeert het hem aan inspiratie om gedichten te schrijven, ten prooi gevallen aan ziekte en verslaving, heeft hij een heel jaar lang eigenlijk niets gedaan. ‘This is Oct[ober] 19. 1803. Wed[nesday] Morn[ing] tomorrow my Birth Day, 31 years of age! – O me! my very heart dies! – This year has been one painful Dream/ I have done nothing! – O for God's sake, let me whip and spur, so that Christmas may not pass without something having been done.’ (‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Kathleen Coburn. Volume 1, 1794 – 1804. Text.’ London, 1957. Lemma 1577.) Het moge duidelijk zijn: bij Coleridge begint officieel het mislukken in de moderne literatuur, niet alleen gematerialiseerd in wat hij schrijft maar ook hoe hij schrijft.

Zoals zijn vriend William Wordsworth tot aan zijn dood in 1850 aan zijn gedicht ‘The prelude’ zal blijven werken, een gedicht waaraan hij al in 1799 een aanvang heeft gemaakt, blijft Coleridge tot in zijn laatste levensjaar aan gedichten werken die hij al meerdere malen tot ‘gereed product’ bestempeld heeft. Het meest in het oog springende voorbeeld is zijn beroemdste gedicht ‘The ancient mariner’ dat, voor de eerste keer gepubliceerd in 1798, in ‘Lyrical ballads’ (‘in mock-medieval English’) als ‘The rime of the ancyent marinere’, tot 1834 voortdurend het onderwerp van revisie vormt. Zo beschouwd geldt zijn meest succesvolle en bekende gedicht als een mislukking en dat gaat eigenlijk voor alle gedichten op. ‘Kubla Khan’ vormt een uitzondering op die regel: dit gedicht heeft hij op zijn minst één keer overgeschreven (het Crewe-manuscript) en daarna, in 1816, persklaar gemaakt waarbij hij enkele relatief kleine wijzigingen doorvoerde (en het voorwoord toevoegde – dat dan weer wel). In het licht van de voortdurende herziening die zijn overige gedichten ten deel viel, vertegenwoordigt dit fragment ‘Kubla Khan’ een toonbeeld van revisionaire rust, en dus, zo mag de slotsom luiden, van relatieve volmaaktheid.

Ofschoon Coleridge zelf op bepaalde ogenblikken het idee zal hebben gehad niets van zijn leven terecht te hebben gebracht, leert de enormiteit van zijn nalatenschap wel anders. In de tweede helft van zijn leven ontstaat er, naast de incidentele gedichten die blijven opborrelen uit de verdoemde bron en waarin hij meer energie steekt dan het volume en zijn eigen waardering ervan doen vermoeden, een reusachtige hoeveelheid proza die hem, die zogenaamd dus niets deed, in de decennia vlak na zijn dood een grote reputatie als denker en theoloog bezorgt. Aan het einde van de negentiende eeuw verandert zijn faam en krijgt hij warempel de statuur van poète maudit. Nog later, in de twintigste eeuw, volgen de uitgaven van zijn brieven, notebooks en de ‘Collected works’, tot nieuwe inzichten en nieuwe waardering leidend, ook voor zijn werkkracht, waar hij zelf het schrijven van brieven of van notities in schriften niet als werk zal hebben beschouwd. Maar Coleridges brieven, marginalia en notebooks vormen naast de ‘officiële’ publicaties een enorm corpus dat hem opnieuw en blijvend interessant maakt. De door de Princeton University en Bollingen uitgegeven ‘Collected works’ beslaan vijftig kloeke boeken. Als je van een gemiddelde van vierhonderd bladzijdes uitgaat, kom je dus op twintigduizend bladzijdes. Niet gering voor iemand die zelf vond dat het allemaal niet zo veel voorstelde.

© 2014 Leo van der Sterren

vrijdag 25 april 2014

Een sublieme bende



‘…no French Affair, but a mischiefuous gang of disaffected Englishmen…’

James Walsh, regeringsspion, 15 augustus 1797

‘A Night or two after a worse Rogue there came,
The head of the Gang, one Wordsworth by name’

Samuel Taylor Coleridge, ‘A solitoquy of the full moon’, april 1802

In 2003 zat ik zo te zeggen zwaar in Samuel Taylor Coleridge. De interesse in de Engelse dichter en denker bezat nog de versheid van de eerste aanleg en dat verklaart de gretigheid waarmee ik alles van de man wilde weten wat er te weten viel. Op dat moment, december 2003, vernam ik van het bestaan van het boek ‘The gang’ van John Worthen. De bibliotheek van de Radboud Universiteit had het boek niet in haar collectie, maar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag wel en dus vroeg ik het daar aan.

De eerste lezing van ‘The gang’ in februari 2004 ging meer dan eens gepaard met kippenvel. Het boek maakte zoveel indruk op mij dat ik het onlangs nog eens gelezen heb, een decennium na de eerste lectuur. Wat blijkt: het boek heeft aan zeggingskracht niets ingeboet. Ik heb het nu met evenveel, nee met meer plezier gelezen dan destijds – met meer kennis van zaken en meer mensenkennis ook, intussen, echte mensenkennis en uit boeken.

John Worthen beschrijft in ‘The gang’ de wederwaardigheden van een bepaalde groep personen in een bepaalde tijd, op een bepaalde plek. De groep die hij als the gang typeert, bestaat uit de Engelse dichters Samuel Taylor Coleridge en William Wordsworth, uit Dorothy Wordsworth, de zus van Wordsworth en diens beste vriendin, en de zussen Hutchinson, Mary en Sara. Een broer van William Wordsworth, John, maakt ook deel uit van de groep, zij het meer in naam dan fysiek. De periode die in ‘The gang’ wordt aangesneden, beslaat ruwweg de acht maanden van maart tot en met oktober 1802. De plaats van handeling is het Lake District, een dunbevolkt bergachtig gebied in het noorden van Engeland waar Wordsworth en Coleridge zich rond 1800 vestigden, ver van de cultuurcentra in Engeland. Wordsworth streek in 1799 in Grasmere neer, zijn huisje heette Dove Cottage. Coleridge verhuisde een jaar later met gezin en al naar het iets noordelijker gelegen Keswick en ging in Greta Hall wonen. Op grond hiervan werden beide dichters (en later ook Robert Southey, toen die zich in het Lake District neerliet) Lake poets genoemd. Maar ook andere plaatsen in Engeland (en Frankrijk) spelen een rol in de geschiedenis zoals het gehucht Gallow Hill bij Brompton in Yorkshire waar de vrijgezelle zussen Hutchinson wonen die de huishoudingen van hun broers bestieren.

In ‘The gang’ staat de beroemde vriendschap tussen Samuel Taylor Coleridge en William Wordsworth centraal. Niet lang nadat de mannen elkaar in augustus 1795 ontmoet hadden bloeide er een levenslange vriendschap op die vanzelfsprekend in het teken van de dichtkunst stond. Maar ook hadden beide dichters gevoelens van sympathie ten opzichte van bepaalde aspecten van de ontwikkelingen in Frankrijk en koesterden zij republikeinse opvattingen die destijds als niet ongevaarlijk golden (aan het einde van de achttiende eeuw werd gevreesd voor een invasie van Franse troepen in Engeland). Dit bracht de overheid er in 1797 toe om Coleridge en Wordsworth door een spion, de hierboven genoemde James Walsh (‘Spinozy’), te laten schaduwen.

Het meest tastbare resultaat van de vriendschap tussen Wordsworth en Coleridge vormde hun gezamenlijke gedichtenbundel ‘Lyrical ballads’ uit 1798, het manifest van de romantiek in Engeland, met onder andere een pleidooi voor een meer alledaags taalgebruik en meer alledaagse onderwerpen in de poëzie. Na deze eerste periode van onvoorwaardelijke vriendschap volgt er enige bekoeling in de relatie tussen Coleridge enerzijds en de Wordsworths aan de andere kant: op een reis naar Duitsland scheiden zich hun wegen op tamelijk dramatische wijze. Bij terugkeer in Engeland kiest Wordsworth voor domicilie in het Lake district. Later weet hij Coleridge zover te krijgen dat die hem volgt.



Naast die kern van de (opnieuw opbloeiende) vriendschap tussen de twee dichters, lopen er twee rode draden door het miniatuuruniversum van ruim tweehonderd jaren geleden waarin Worthen de lezer meeneemt. Het eerste motief is het aanstaande huwelijk van William Wordsworth met Mary Hutchinson en de gevolgen die de verbintenis zal hebben voor Dorothy Wordsworth die in Grasmere bij haar broer inwoont en dat later bij het getrouwde paar zal blijven doen – maar anders dan voorheen: de band tussen broer en zus – overigens zonder seksuele dimensie, er is geen sprake van incest – zal minder innig worden nu een van de twee zich verbindt met een derde. De tweede rode draad is het huwelijk van Samuel Taylor Coleridge met Sara Coleridge, een verbintenis die in een opvlieging tot stand is gekomen en die onder grote druk is komen te staan met als bijkomend effect dat Coleridge het zich op de hals heeft gehaald om zich in te beelden dat hij verliefd is geworden op Sara Hutchinson. Bovendien kampt hij met depressies en een opiumverslaving die hem bijna chronisch ziek maken. Al deze verwikkelingen leiden tot talloze taferelen waarin grote innigheid wordt afgewisseld met ontsteltenis en treurnis. De gebeurtenissen worden begeleid en becommentarieerd door een dialoog in de vorm van poëzie die de beide dichters voeren. Gedichten als ‘The leech gatherer’ (later bewerkt tot ‘Resolution and Independence’), ‘Intimations of Immortality from Recollections of Early Childhood’ en ‘Dejection: an ode’ ontstonden gedurende de lente en zomer van 1802 of lagen vaak op de schrijftafel van de dichters. Dit zijn de ware ‘conversation poems’. Maar ook de dames leveren een wezeenlijk aandeel in het groepsgesprek als kopiisten van de gedichten van de beide dichters en als dagboek- en brievenschrijvers.

In de marge van de wederwaardigheden van de groep, neemt Worthen de gelegenheid te baat om andere biografen van Coleridge te bekritiseren Hij wijst erop dat bepaalde delen van hun biografieën eenvoudigweg niet met bewijzen gestaafd kunnen worden en dus louter speculatief zijn. In het bijzonder deconstrueert Worthen de liefdesgeschiedenis tussen Coleridge en Hutchinson, zoals die door sommige biografen wordt gepresenteerd. Vooral Richard Holmes, die inderdaad de neiging vertoont om feiten te vervangen door in- en aanvullingen die meer sensatie opleveren, moet het ontgelden.

Eén uiting van verbondenheid binnen de groep vormt de zogenaamde Rock of Names, een rots langs de oude weg van Keswick naar Grasmere, tussen een meer, Thirlmere, en de Helvellyn bergketen. Coleridge en Wordsworth kerfden de namen van de leden van de groep in de rots en verleenden de groepsvriendschap daarmee eeuwigheidswaarde. Dat het streven naar eeuwigheid een beetje hoog gegrepen was, bleek in 1890 toen ingenieurs de rots opbliezen om plaats te maken voor een waterreservoir. De resten werden echter verzameld en in de jaren tachtig van de vorige eeuw gerestaureerd. De rots wordt nu gepreserveerd in het Wordsworth Museum in Dove Cottage.

Op 28 april 1981 besteedde de KRO-radio aandacht aan de Rots der Namen in de vorm van een programma dat werd gemaakt door de dichteres Gertrude Starink. Het hoorspel bestond uit een collage van gedichten, citaten uit de dagboeken en de brieven van de betrokkenen en andere bronnen. Later werd de tekst van het hoorspel in boekvorm uitgegeven onder de titel ‘The rock of names’. Het boekje staat geheel in het teken van wat je de groepspassie zou kunnen noemen.



Naast alle verwikkelingen binnen de groep gunt Worthen ons ook een kijkje in het leven van alledag rond het jaar 1800. ‘The gang’ wordt bevolkt door gewone mensen. Worthen haalt zelfs de vaak even verguisde als verafgode dichters van hun voetstuk. Hij beschrijft wat ze eten en hoe ze slapen – dat hun dagindeling nogal afwijkt van het programma van hun dorpsgenoten die de leden van de bende niet zelden als vreemde snuiters beschouwen. Een broer en zus die midden in de nacht de deur uitgaan om te wandelen – ongehoord. Coleridge die vaak ’s nachts leeft en dan tot vroeg in de middag uitslaapt, tot ergernis van zijn echtgenote. ‘Wat zullen de mensen er wel niet van zeggen!’ Wordsworth die zijn tijd verdeelt tussen het verwerken van een lading mest in de tuin en het maken van gedichten. Dat laatste doet hij in zijn hoofd terwijl hij in de tuin werkt of zit. Ook als hij te voet onderweg heeft, componeert hij poëzie. Om de net gemaakte verzen niet te vergeten, blijft hij ze hardop herhalen. Als Dorothy mee marcheert, helpt zij hem om de verzen te onthouden. De vermoeiende reizen: het duurt drie dagen om vanuit het Lake District in Londen te komen. Coleridge die elk voorwendsel aangrijpt om maar niet in zijn huis, Greta Hall, te hoeven verblijven waar de spanning soms te snijden is, en die meer onderweg is dan thuis, zo lijkt het. Er zijn de slechte gebitten van Coleridge en Dorothy Wordsworth. Het verlies van een tand grijpt haar zo aan dat zij het in haar dagboek vastlegt, zij die, eenendertig jaren jong, al diverse tanden mist.

Tijdens de lectuur van Worthens boek moest ik denken aan ‘Possession’ van A. S. Byatt. Beide boeken ademen dezelfde sfeer uit. Dezelfde negentiende eeuw. Dezelfde Engelsheid in combinatie met het thema van de literatuur en het plattelandsleven, ’s zomers een idylle, ’s winters vaak een helse bezoeking. Maar nog eerder was mij de naam Jane Austen te binnen geschoten. ‘The gang’ zou zo maar voor een boek van Jane Austen kunnen doorgaan, maar dan ‘gebaseerd op ware feiten’, met in elk geval evenveel spanning en enkele malen interessanter.

Het huwelijk van William Wordsworth met Mary Hutchinson in oktober 1802 heeft een negatieve invloed op de toch al breekbare relatie tussen de beide dichters omdat Coleridge zich meer en meer buitengesloten voelt uit de kring rondom Wordsworth. Gaandeweg bekoelt de vriendschap, zo hecht als de band tussen beide mannen van 1797 tot 1802 is geweest, zal hij in elk geval niet meer worden. Maar in 1828 reizen ze als oude mannen nog samen naar het vasteland en doen ze onder andere de Lage Landen aan. Tot een echte breuk is het nooit gekomen. En al zijn de banden van lieverlede minder hecht geworden, ‘the gang’ is blijven bestaan. In die zin heeft de Rots der Namen van deze sublieme bende toch zijn betekenis en waarde behouden.

© 2014 Leo van der Sterren

zaterdag 18 januari 2014

Dat ding

De publicatie van ‘Kubla Khan’

Naar alle waarschijnlijkheid zette Samuel Taylor Coleridge zijn gedicht ‘Kubla Khan’ ergens tussen 9 en 14 oktober 1797 op papier toen hij op een voettocht westwaarts langs de kust van Somerset overnachtte op een boerderij, Ash Farm, aan de rand van Exmoor. Coleridge zocht een huis voor John Thelwall die hij als zijn vriend beschouwde maar die hij eveneens een beetje op afstand wilde houden vanwege diens radicale politieke opvattingen. Thelwall, een ‘linkse’, want Jacobijnse politieke activist, redenaar en dichter, wilde zich terugtrekken uit een turbulent publiek bestaan en verlangde ernaar om zich in een landelijke, rustige omgeving neer te laten. Aanvankelijk reageerde Coleridge met zijn gebruikelijke enthousiasme op Thelwalls wens om op het platteland te willen wonen. Maar toen Thelwall aankondigde zich in Coleridges woonplaats Nether Stowey te willen vestigen, zag Coleridge, die juist wilde breken met zijn progressieve verleden, zich genoodzaakt om daar een stokje voor te steken. In een brief van 21 augustus 1797 aan Thelwall begint hij al terug te krabbelen. In elk geval nam hij vervolgens het heft in eigen hand en ging hij op huizenjacht, wat hij wilde combineren met een bezoek aan de Valley of the Rocks bij Lynton. Maar in de verlaten streek bij Porlock voelde hij zich niet lekker. Zijn darmen bezorgden hem problemen. Hij zocht zijn toevlucht in de dichtst bijzijnde boerderij.

Zich eenmaal geïnstalleerd hebbend op de kamer die hem door de gastvrije boer was aangeboden, nam hij wat laudanum (in wijn of brandy opgeloste opium – een in die dagen relatief gemakkelijk verkrijgbaar ‘geneesmiddel’, het equivalent van de reguliere pijnstillers van nu) tegen zijn pijnlijke buik (ging het hier om een ontwenningsverschijnsel van een al lichtelijk verslaafde gebruiker van opiaten?). Toen begon hij te lezen in die bloemlezing van reisbeschrijvingen, ‘Purchas his Pilgrimages’ van Samuel Purchas. Op een gegeven moment kwam hij bij de passage over de Mongoolse vorst Cublai Can die in Xamdu een paleis liet bouwen en op dat moment dommelde hij in. Tijdens een soort van opiumdroom werden hem twee- tot driehonderd dichtregels van wat later in ‘Kubla Khan’ zou uitmonden, geopenbaard. Nadat hij ontwaakt was uit zijn sluimering, begon hij het gedicht meteen neer te pennen maar werd hij in die koortsachtige werkzaamheid gestoord door de komst van de beroemde ‘person from Porlock’. Na een uur had Coleridge de zakelijke bespreking, wellicht over de aankoop van een huis, met de persoon uit Porlock afgerond, maar was ook de betovering verbroken en de herinnering aan het visioen goeddeels opgelost. Er stonden vierenvijftig regels op papier, een kwart tot een zesde van wat er had kunnen staan.

Er circuleren onder Coleridge-kenners nog twee alternatieve tijdstippen van ontstaan van ‘Kubla Khan’, namelijk mei 1798 en oktober 1799. Maar het merendeel prefereert de versie dat ‘Kubla Khan’ uit oktober 1797 stamt, ook gezien een passage uit een brief die Coleridge direct na thuiskomst van zijn voettocht op 14 oktober 1797 aan Thelwall schreef, In dat epistel rept hij met geen woord over wat hij de afgelopen dagen zonder het medeweten van zijn vriend heeft uitgevoerd, maar qua inhoud en sfeer vertoont de brief overeenkomsten met ‘Kubla Khan’: ‘I can at times feel strongly the beauties, you describe, in themselves, & for themselves – but more frequently all things appear little – all the knowlege, that can be acquired, child's play – the universe itself – what but an immense heap of little things? – I can contemplate nothing but parts, & parts are all little – ! – My mind feels as if it ached to behold & know something great – something one & indivisible – and it is only in the faith of this that rocks or waterfalls, mountains or caverns give me the sense of sublimity or majesty! – But in this faith all things counterfeit infinity!’ (…) ‘I should much wish, like the Indian Vishna, to float about along an infinite ocean cradled in the flower of the Lotos, & wake once in a million years for a few minutes – just to know I was going to sleep a million years more.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘Collected letters of Samuel Taylor Coleridge’, Volume I, 1785 – 1800 , Oxford, 2000 [1956], pp. 349 en 350.)

Ook doen er allerlei theoriëen de ronde over de persoon van Porlock. Coleridge zou dat personage verzonnen hebben als excuus omdat hij op dat moment in zijn leven, in 1816, in zijn eigen beleving nauwelijks iets volbracht heeft. De veelbelovende jonge man is tot een volwassene uitgegroeid die een spoor van fragmenten en misschien zelfs van ruïnes achter zich aan sleept. Dat vergt uitleg. Anderen zien in de persoon van Porlock een symbool voor zijn echtgenote Sara Coleridge, die voorgaf de artistieke en filosofische ontplooiingen van haar echtgenoot te ondersteunen, maar die er eigenlijk iets van begreep noch er enige voeling mee had. William Wordsworth, met wie Coleridge een haat-liefde-verhouding had, maar die hij zeker als zijn rivaal beschouwde, zou model hebben gestaan voor de ongewenste gast. Nog niet zo lang geleden publiceerde een Engelse krant de zogenaamde primeur dat de persoon van Porlock Coleridges leverancier van opium zou zijn. Een drugsdealer dus – in een tijd dat een verdovend middel als opium in een tinctuur in menige winkel te koop was.

Behalve dat Coleridge zelf het als een onaf werkstuk beschouwde, net als ‘Christabel’ dat overigens ook in de laatste jaren van de achttiende eeuw ontstond, vertoont ‘Kubla Khan’ geen enkele gelijkenis met enig ander gedicht uit zijn oeuvre. Coleridge realiseerde zich wellicht niet dat hij voor zijn tekst diep in zijn onderbewustzijn had geboord, maar was zich wel bewust van de uniciteit van het werk. Bovendien zou het gedicht, dat zijn ontstaan in zekere zin te danken had aan het gebruik van een opiaat, met het verstrijken van de jaren en met de toenemende afhankelijkheid van Coleridge aan stimulantia, in een steeds verdachter licht komen te staan. Maar zo genereus als hij ‘Christabel’ liet transcriberen (waardoor er allerlei handgeschreven kopieën in omloop kwamen), zo angstvallig hield hij ‘Kubla Khan’ in portefeuille. Desondanks las hij het graag voor. Walter Scott, Mary Robinson en Charles Lamb waren onder diegenen die het gedicht te horen kregen. Maar ook Coleridges echtgenote Sara kende het en verafschuwde het, net zoals zij niets moest hebben van dat vreselijke ‘Christabel’ met zijn allusies naar seksuele perversiteiten die in die tijd met zijn ontluikende Victoriaanse moraal echt niet door de beugel konden. Toen Coleridge in 1815 bezig was met de samenstelling van ‘Sybilline leaves’ stuitte hij opnieuw op het onvoltooide gedicht, maar bleek de opname van ‘Kubla Khan’ in die verzamelbundel niet voorzien (evenmin als die van ‘Christabel’).

‘Kubla Khan’ bleef bijna negentien jaar veilig opbewaard tussen de bladen van de dunne portefeuille die Coleridges onuitgegeven poëtische werk bevatten. Maar op 10 april 1816 ontving Lord Byron, die in 1811 en 1812 lezingen van Coleridge had bijgewoond, zijn zestien jaar oudere college-dichter in zijn huis op 13 Piccadilly Terrace. Waarom his lordship zo’n plotselinge interesse aan de dag legde voor Coleridge, is niet bekend. Biografe Fiona MacCarthy houdt het erop dat de gevierde dichter een in zijn ogen schromelijk ondergewaardeerde collega een steuntje in de rug wil geven. Maar het feit blijft opmerkelijk vooral omdat Byron, geëxcommuniceerd als hij was door de Engelse samenleving, min of meer noodgedwongen op het punt stond om naar het vasteland van Europa af te reizen en in de hectiek van die weken wel andere dingen aan zijn hoofd had.

Hoe dan ook, op Byrons verzoek declameerde Coleridge ‘Kubla Khan’. Byrons vriend Leigh Hunt bevond zich in een aangrenzende kamer en hoorde Coleridge het gedicht voordragen. Het maakte grote indruk op hem. ‘He recited his 'Kubla Khan' one morning to Lord Byron, in his Lordship's house in Piccadilly, when I happened to be in another room. I remember the other's coming away from him, highly struck with his poem, and saying how wonderfully he talked. This was the impression of everyone who heard him.’ (Leigh Hunt, ‘The autobiography of Leigh Hunt’, Volume II, Londen, 1850, p. 228.) Byron overreedde Coleridge om ‘Kubla Khan’ en ‘Christabel’ in druk te laten verschijnen in de staat waarin de gedichten op dat moment verkeerden, dus als fragmenten. His lordship liet er geen gras over groeien en arrangeerde dat zijn uitgever John Murray (die persoonlijk niet gecharmeerd was van in elk geval ‘Christabel’) de beide gedichten zou laten drukken. Al op 12 april 1816 ondertekenden Murray en Coleridge een contract met allerlei verbeteringen en doorhalingen voor zestig, nee, zeventig Engelse ponden.

Overigens bevond zich zowel Coleridge als Byron op het moment van de ontmoeting op de drempel naar een nieuwe levensfase. Toen Byron op 25 april 1816 vanuit Dover naar Oostende voer, kon hij niet weten dat hij nooit meer voet op Engelse bodem zou zetten. Coleridge trok op 15 april 1816 in bij dokter James Gillman in Moreton House, Highgate, Londen, waar hij, gecontroleerd opium gebruikend, tot zijn dood in 1834 zou wonen. Eindelijk had hij weer een vast verblijf.

‘Kubla Khan’ zou na publicatie veel negatieve reacties uitlokken. Maar die waren er ook al voordat het gedicht aan de openbaarheid was prijsgegeven. De dichter Charles Lamb, een vriend van Coleridge, noteerde op 26 april 1816 in een brief aan die andere vriend William Wordsworth: ‘Coleridge is printing Xtabel, by Ld Byron’s recommendation to Murray, with what he calls a vision, Kubla Khan—which said vision he repeats so enchantingly that it irradiates and brings heaven and Elysian bowers into my parlour while he sings or says it, but there is an observation “Never tell thy dreams,” and I am almost afraid that Kubla Khan is an owl that won’t bear day light, I fear lest it should be discovered by the lantern of typography and clear reducting to letters, no better than nonsense or no sense. When I was young I used to chant with extacy Mild Arcadians ever blooming, till somebody told me it was meant to be nonsense. Even yet I have a lingering attachment to it, and think it better than Windsor Forest, Dying Xtian’s address &c.’ (Charles en Mary Lamb, ‘The Works of Charles and Mary Lamb. Letters’ , Londen, 1905, p. 487.)

En ook echtgenote Sara Coleridge, van wie Coleridge gescheiden leefde, was, zoals al gememoreerd, niet blij met de ophanden zijnde publicatie van ‘Christabel’ en ‘Kubla Khan’ zoals zij hun vroegere buurman in Nether Stowey, Thomas Poole, liet weten: ‘You will also be sorry for another thing respecting him [Coleridge] – Oh! when will he ever give his friends anything but pain? he has been so unwise as to publish his fragments of “Christabel” & “Koula-Khan”. Murray is the publisher, & the price is 4s 6d – we were all sadly vexed when we read the advertisement of these things.’ (Stephen Potter (ed.) ‘Minnow among Tritons. Mrs. S.T. Coleridge’s letters to Thomas Poole 1799 – 1834’, Bloomsbury, 1934, p. 48.) Zo dacht Sara Coleridge erover. Deze dingen…dat ding ‘Koula-Khan’. Maar het tekende de praktisch ingestelde Sara dat zij in haar ontsteltenis en verdriet wel zo kien was om een belangwekkend iets als de prijs te vermelden.

Desalniettemin werd het ding, samen met dat andere ding ‘Christabel’ en met een gedicht ter opvulling ‘The pains of sleep’ op 25 mei 1816 door Murray uitgebracht. Coleridge voorzag zowel ‘Christabel’ als ‘Kubla Khan’ van een voorwoord. Voor beide gedichten gold dat hij ze weliswaar nooit had afgemaakt maar dat hij op enig moment een totaalbeeld van de gedichten helder voor ogen had gehad en zelfs een idee hoe ze hadden moeten eindigen.

Zo gaat wat Coleridge in het voorwoord bij ‘Christabel’ optekende ook op voor wat hij in de apologie bij ‘Kubla Khan’ schreef. Bij ‘Christabel’: ‘The first part of the following poem was written in the year one thousand seven hundred and ninety seven, at Stowey in the county of Somerset. The second part, after my return from Germany in the year one thousand eight hundred, at Keswick, Cumberland. Since the latter date, my poetic powers have been, till very lately, in a state of suspended animation. But as, in my very first conception of the tale, I had the whole present to my mind, with the wholeness, no less than with the liveliness of a vision.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘Christabel; Kubla Khan, a vision; The pains of sleep’, Londen, 1816, p. v.).

En in het voorwoord bij ‘Kubla Khan’: The author continued for about three hours in a profound sleep, at least of the external senses, during which time he has the most vivid confidence, that he could not have composed less than from two to three hundred lines; if that indeed can be called composition in which all the images rose up before him as things, with a parallel production of the correspondent expressions, without any sensation or consciousness of effort. On awaking he appeared to himself to have a distinct recollection of the whole, and taking his pen, ink, and paper, instantly and eagerly wrote down the lines that are here preserved. At this moment he was unfortunately called out by a person on business from Porlock, and detained by him above an hour, and on his return to his room, found to his no small surprise and mortification, that though he still retained some vague and dim recollection of the, general purpose of the vision, yet, with the exception of some eight or ten scattered lines and images, all the rest had passed away like the images on the surface of a stream into which a stone has been cast, but, alas! without the after restoration of the latter.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘Christabel; Kubla Khan, a vision; The pains of sleep’, Londen, 1816, pp. 52 – 53.)

Murray maakte wat zuinigjes reclame voor het boekje met zijn onopvallende bruine kaft in de Morning Chronicle en de Literary Adviser. ‘In 8vo 4s 6d Christabel &tc. By S.T. Coleridge “That wild and singularly original and beautiful poem”-- Lord Byron. John Murray, Albermarle St.’ Maar het mocht niet baten: de meeste kritieken waren negatief en vooral ‘Kubla Khan’ moest het ontgelden. In de meeste gevallen werd Coleridges, tegenwoordig wereldberoemde en veel geroemde droomfragment afgedaan als bare nonsens. ‘Perhaps the first great non-discursive poem,’ zo karakteriseerde biografe Rosemary Ashton het werk nog niet zo lang geleden. (Rosemary Ashton, ‘The life of Samuel Taylor Coleridge’, Oxford, 1997 [1996], p. 116.) Het is slechts één van de intussen ontelbare loftuitingen die het gedicht – dat ding – ten deel zijn gevallen.

© 2014 Leo van der Sterren


zaterdag 7 december 2013

zaterdag 24 augustus 2013

Coleridges Notebooks 12

‘4 Sorts of Readers. 1. Spunges that suck up every thing and, when pressed give it out in the same state, only perhaps somewhat dirtier – . 2. Sand Glasses – or rather the upper Half of the Sand Glass, which in a brief hour assuredly lets out what it has received – & whose reading is only a profitless measurement & dozeing away of Time – . 3. Straining Bags, who get rid of whatever is good & pure, and retain the Dregs. – and this Straining-bag Class is again subdivided into the Species of the Sensual, who retain evil for the gratification of their own base Imaginations, & the calumnious, who judge only by defects, & to whose envy a beauty is an eye-sore, a fervent praise respecting an other a near-grievance, and the more virulent in its action because the miserable man does not dare confess the Truth to his own Heart – . 4 and lastly, the Great-Moguls Diamond Sieves – which is perhaps going farther for a Simile than its superior Dignity can repay, inasmuch as a common Cullender would have been equally symbolic/but imperial or culinary, these are the only good, & I fear the least numerous, who assuredly retain the good, while the superfluous or impure passes away & leaves no trace/’

(4 soorten van lezers. 1. Sponzen die alles opzuigen en, in elkaar gedrukt, alles in dezelfde toestand weer uitscheiden, alleen misschien iets viezer. 2. Zandlopers – of liever gezegd de bovenste helft van de zandloper, die in een klein uur doorlaat wat erin is gelopen – en wier lezing slechts een nutteloos meten en wegsluimeren van tijd is. 3. Filterzakken die doorlaten wat goed en puur is en die het bezinksel vasthouden – en deze klasse van filterzakken is op zijn beurt weer te verdelen in de soort van de zinnelijken die het kwaad bewaren voor de bevrediging van hun eigen, lage verbeelding en de soort van de lasteraars die alleen op grond van gebreken oordelen en voor wie, in hun nijd, de schoonheid een schandvlek voor het oog is en een hartstochtelijke loftuiting op iemand anders bijna een grief, en die des te kwaadaardiger in hun handelen zijn omdat de miserabele mens de waarheid niet aan zijn eigen hart durft toe te geven. 4. En, ten slotte, de diamantzeven van de grootmogols – wat misschien verder gaat als gelijkenis dan zijn superieure waardigheid kan aflossen, in zoverre als een gewone vergiet even symbolisch zou zijn geweest, maar keizerlijk of culinair, dit zijn de enige goede lezers en, zo vrees ik, het minst talrijk – die wel degelijk het goede behouden terwijl het overbodige of het onreine wegloopt en geen spoor achterlaat.)

Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume III. 1808 – 1819. Text. Lemma 3242.

Coleridge krabbelde bovenstaande aantekeningen in 1808 of in 1811 in notebook 25 ten behoeve van de lezingen over literatuur die hij in die jaren hield. Hij putte daarbij uit een prozawerk van John Donne over zelfmoord, ‘Biathanatos’, (geschreven in 1608, maar pas na zijn dood gepubliceerd) waarin hij de volgende passage aantreft (hier in een meer gemoderniseerde spelling). ‘If therefore, of Readers, which Gorionides observes to be of Four sorts, (Spunges which attract all without distinguishing; Hour-glasses, which receive and pour out as fast; Bags, which retain only the Dregs of the Spices, and let the Wine escape; and Sives, which retain the best only,) I find some of the last sort, I doubt not but they may be hereby enlightened.’ (John Donne, ‘Biathanatos’, Londen, 1700, pp. v–vi.)

Wellicht heeft de zelfmoord van een bekende van Coleridge (Rochemont Barbauld, echtgenoot van Laetitia Barbauld, dichteres en kinderboekenschrijfster, door Coleridge aanvankelijk bewonderd, maar later verguisd) op 11 november 1808 tot de lectuur van ‘Biathanatos’ geleid. Maar misschien was het ook gewoon Coleridges eigen depressiviteit begeleid door hevige vlagen van diepe wanhoop die hem naar dit boek over zelfmoord deed grijpen. Niet zelden spookte de gedachte door zijn hoofd om een einde aan zijn leven te maken.

In een verslag door een van de toehoorders van de lezing die Coleridge op 21 november 1811 gaf, John Payne Collier, wordt een en ander als volgt samengevat: ‘He began by observing that Readers might be divided into four classes. 1. Sponges: persons who absorbed what they read and returned it nearly in the same state only a little dirtied. 2. Sand-glasses who permitted everything to pass away and were contented to dose away their time in actual idleness– 3. Strain-bags, who retained only the dregs of what they received– 4. Great Mogul Diamonds who were equally rare and valuable.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘Lectures 1808 – 1819. On literature’. London, Princeton, 1987, pp. 203 – 204.)

In 1904 werkt W.H. Harrison het nogal warrige resumé van Collier op zijn eigen, ook niet geheel vlekkeloze wijze uit (maar de twee tesamen maken een goede versie): ‘Coleridge gave four types of readers, one of which I have forgotten: 1st, Those whose minds are like an hour-glass; what they read runs in and runs out like the sand and not a grain is retained. 2nd, Those who are like sponges, which suck up everything and give it out again in much the same state, but a little dirtied. 3rd, Forgotten. 4th, The readers who are like the slaves in the mines of Golconda, they cast aside the dirt and dross, and preserve only the jewels.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘Lectures 1808 – 1819. On literature’. London, Princeton, 1987, pp. 203 – 204.)

Later verscheen de passage over de vier groepen van lezers in diverse, vaak op christelijke leest geschoeide periodieken, tijdschriften en almanakken met ronkende titels, zoals daar zijn: ‘Ward’s miscellany under the superintendence of a society for the advancement of literature, science, and religion’, ‘The evangelical repository and sunday school institute magazine’, ‘The leisure hour: An illustrated magazine for home reading’, ‘The New York mirror: A weekly gazette of literature and the fine arts’, ‘The parterre of poetry and historical romance’, ‘The collegian’ en ‘The Church of England magazine under the superintendence of clergymen of the United Church of England and Ireland’. In alle gevallen komt de eer van het doen van de uitspraak aan Coleridge toe.

© 2013 Leo van der Sterren

zaterdag 20 juli 2013

Coleridges ‘Notebooks’ 11

‘her eyes sparkled: as if they had been cut out of a diamond quarry in some Golconda of Faery land – and cast such meaning glances, as would have vitrified the Flint in a Murderer’s blunderbuss – ’

Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. 1794 – 1804. Text. Lemma 144.


Golconda, zo luidt de naam van een oude ruïnestad in de Indiase deelstaat Andhra Pradesh. Het op een heuvel gesitueerde complex bestaande uit vier forten die omringd worden door een tien kilometer lange muur, ligt even ten westen van de stad Haiderabad. De geschiedenis van de citadel begon in de twaalfde eeuw toen de Kakatiya-dynastie over het gebied heerste. Volgens de legende vond een herdersjongen een godenbeeld op de heuvel. Dit vormde voor de heerser van de Kakatiya-dynastie de aanleiding om er een eerste, nog primitief fort van leem te laten bouwen. Hij noemde de vestiging Golconda, afgeleid van het woord Golla Konda wat in de taal van die regio ‘herdersheuvel’ betekent. Vanaf de zestiende eeuw werd het bouwwerk uitgebreid met nieuwe fortificaties en monumenten.

Van 1518 tot 1687 behoorde Golconda tot het gelijknamige sultanaat waarvan het tot 1591 de hoofdstad was. In dat jaar stichtte sultan Muhammad Quli Qutb Shah een nieuwe hoofdstad, Haiderabad. In 1687 veroverde de Mogol-heerser Aurangzeb de stad Golconda die vanaf dat moment in verval raakte en uiteindelijk in zijn huidige ruïneuze staat terecht kwam. Van 1662 tot 1733 was er een handelspost van de Verenigde Oostindische Compagnie in Golconda gevestigd.

In het zuidoosten van het Golconda-gebied liggen de oudste diamantmijnen ter wereld. Hier zijn beroemde diamanten gevonden, onder anderen de Koh-i-Noor en de Darya-ye Noor.

Door de eeuwen heen dook de naam Golconda in diverse verslagen van Europese reizigers op, waaronder in dat van Marco Polo. In ‘Il Milione’ (‘De wonderen van de Oriënt’) spreekt de reiziger uit Venetië vol bewondering over het Land van Golconda. Hij identificeert Golconda met de Vallei der Diamanten waar eeuwen eerder Sindbad de Zeeman door de reuzenvogel Rok naar toe werd gevlogen en neergeworpen. De verteller van de ‘Verhalen van duizend en één nacht’, waarin de naam Golconda overigens niet expliciet vermeld wordt, doet kond van het feit dat er diamanten ter grootte van adelaarseieren voor het oprapen lagen in de Diamantenvallei.

Als kind was Samuel Taylor Coleridge niet alleen verzot op de reisverhalen uit de voorbije eeuwen, maar hij verslond ook ‘The Arabian nights’ entertainment’ (‘Verhalen van duizend en één nacht’). Nog voor zijn vijfde aan de lectuur beginnend, las Coleridge volgens eigen zeggen al op zesjarige leeftijd (!) de vier delen die uitgeverij Longmans in 1778 publiceerde (de uitgave zou later deel uitmaken van zijn bibliotheek). De verhalen maakten een diepe indruk op hem, zo diep dat hij zich jaren later, als man van middelbare leeftijd, nog verbaasde over het effect dat de vertellingen op hem hadden.
‘As I had read one volume of these tales over and over again before my fifth birth-day, it may be readily conjectured of what sort these fancies and feelings must have been. The book, I well remember, used to lie in a coiner of the parlour window at my dear father's vicarage-house: and I can never forget with what a strange mixture of obscure dread and intense desire I used too look at the volume and watch it, till the morning sunshine had reached and nearly covered it, when, and not before, I felt the courage given me to seize the precious treasure and hurry off with it to some sunny corner in our play-ground.’ Samuel Taylor Coleridge, ‘The friend’ (Volume I, Londen, 1969, p. 148).

Een latere reiziger door India die ook Golconda aandeed, was de Engelsman William Methwold (1590 – 1653). Diens verslag ‘A relation of Golconda’ werd opgenomen in een aantal boeken met reisverhalen van verschillende auteurs die Samuel Purchas aan het begin van de zeventiende eeuw samenstelde en publiceerde, ‘Purchas his Pilgrimage’. Coleridge kende de boeken van Purchas goed. Zo inspireerde een bepaalde passage in ‘Purchas his Pilgrimage’ hem in 1797 tot het schrijven van zijn beroemde gedicht ‘Kubla Khan’. Het is dus niet onaannemelijk dat Coleridge de naam Golconda hier vandaan heeft gehaald.

© 2013 Leo van der Sterren


zaterdag 22 juni 2013

Coleridges notebooks

Geen ‘lief dagboek’, geen ‘nachtkrabbel’. Maar wel, bijvoorbeeld: ‘O my poor Book!’ Op 22-jarige leeftijd tekende Samuel Taylor Coleridge's voor het eerst een memo op in een notitieboek. Daar zou het niet bij blijven. Tot vlak voor zijn dood in 1834 zou hij notitieboeken gebruiken. Sterker nog, hij zou hele boeken volpennen. Coleridge en zijn memoranda, ze waren onafscheidelijk. Toen hij in 1804 naar Malta reisde, nam hij zelfs een soort lessenaartje mee – ‘an elegant Thing to lock up my Letters, Papers, &c &c.’ – dat op zijn schoot kon rusten zodat hij zijn schrijfactiviteiten ook aan boord van het schip voort kon zetten, ‘That Wednesday I opened out my Trunk, & examined the littel Escritoire given me by Lady Beaumont. I had never connected any pleasure with neatness & convenience; now for the first time they seized my Heart at once by a hundred Tentacula of Love & affection & pleasurable Remembrances. How could it be otherwise? Every thing had been so manifestly placed there by the Hand of affectionate Solicitude!’

Zevenentwintig grote en kleine notitieboeken zijn er bewaard gebleven, een enorm Sammelsurium. De krabbels om min of meer alledaagse dingen te onthouden ontwikkelden zich tot de weergave van een filosofisch systeem en van een studie van Bijbelteksten. Maar het noteren omwille van het niet vergeten, ook en vooral van niet-praktische verschijnselen, maakt een groot deel uit van de inhoud van de notebooks, en van hun charme. Vaak wendt Coleridge zijn notitieboek aan zoals de hedendaagse mens het fototoestel gebruikt: door beschrijvingen in woorden probeert hij beelden vast te leggen en voor later te bewaren.

De notebooks bevatten de meest uiteenlopende posten: adressen, financiële overzichten, leesverslagen, interpretaties van literaire werken, beschrijvingen van reiservaringen, dromen, angsten, natuurfenomenen, dagboekachtige confessies, zelfanalyse, filosofische proefballonnen, autobiografische notities, seksuele fantasieën, aantekeningen voor lezingen, observaties van zijn kinderen, schema’s van te schrijven teksten, recepten, woordspelingen, lijstjes van Duitse woorden, Bijbelexegese, duistere onderzoekingen, sentimentele ontboezemingen, gebeden en flarden van gedichten. Toch vertegenwoordigde dat allemaal niet wat Coleridge voor ogen stond.

Coleridge wilde eigenlijk niets liever dan het leven inlijven in een gesynthetiseerd, geordend en overzichtelijk systeem. De pogingen om zo’n systeem te maken, verzandden echter juist in ongeordendheid en onoverzichtelijkheid waarvan de notebooks het gevolg zijn en vervolgens, naderhand, het voorbeeld en symbool werden. Coleridge was te ‘myriad-minded’ om zijn denken in een alomvattend schema te vatten. Het ging bij hem te zeer van de hak op de tak. Coleridge mag zich de meester van het fragment noemen. Van dat fragmentarische getuigen de notebooks. Van al dat heterogene en ongeordende materiaal vond het nodige naderhand zijn weg in publicaties van Coleridge, maar het overgrote deel werd pas bij de uitgave van de ‘Notebooks’ ontsloten, lang na het verscheiden van de dichter.

Het was niet Coleridges intentie dat zijn notebooks uitgegeven zouden worden, al vond hij wel dat ze bewaard dienden te blijven voor het nageslacht. In 1895 deed de kleinzoon van de dichter Ernest Hartley Coleridge een bloemlezing van werk uit de memoranda van zijn grootvader het licht zien, ‘Anima Poetæ’, en het jaar daarop bracht de Duitse geleerde Alois Brandl in Duitsland (!) een editie van het eerste notitieboek (‘Gutch notebook’) uit.

In de twintiger jaren van de vorige eeuw wist de Canadese literatuurwetenschapper Kathleen Coburn een reisbeurs voor Engeland te verkrijgen op basis van haar nieuwsgierigheid in de relatie die zij meende te zien tussen Coleridge en de Duitse filosofen uit diens tijd. Uiteraard was het thuisland van de dichter de plek om daar onderzoek naar te verrichten. Van het een kwam het ander. In 1930 ontmoette Coburn Lord en Lady Coleridge in hun woonplaats Ottery St. Mary: baron Geoffrey met een reputatie van koppigheid en afkeer van de sibbe van pedante boekwurmen, en zijn wat meer diplomatieke echtgenote Jessie. In eerste instantie verkeerden de Lord en Lady in de veronderstelling dat Coburn uitsluitend belangstelling had voor hun huis, Chanter's House. ‘Toen ik zei dat ik voornamelijk in manuscripten en geannoteerde boeken van de dichter in de bibliotheek geïnteresseerd was, kon ik zien dat zelfs zij haar zelfcontrole verloor. Geen woord werd er gezegd,’ schrijft Coburn in haar boek over haar ontdekking en uitgave van de notebooks, ‘In pursuit of Coleridge’.

Geoffrey Coleridge begon zijn gast te plagen. ‘Die oude Sam was slechts een dichter, weet je, deed niets nuttigs waar iemand iets aan had, er werd in de familie niet al te best over hem gedacht, eigenlijk een beetje een schande voor de familie…geen idee waarom een jong meisje als jij jouw tijd verdoet aan die oude schurk…ik weet tenminste nog iets over slachtvee.’
Maar gaandeweg begonnen de Lord en Lady haar met genegenheid te bejegenen. Ze noemden Coburn schertsend Bookie, want dat de jonge geleerde een onverbeterlijke boekenwurm was, dat hadden ze snel gemerkt. De Coleridges gaven haar inzage in de manuscripten en toestemming om alles te fotograferen. Ten slotte stonden ze toe dat Coburn – en uitsluitend Coburn! – de ‘Notebooks’ zou publiceren.

In 1957 verscheen het eerste boek in de reeks van de ‘Notebooks’, bestaande uit een deel tekst en een deel met noten. Het vijfde en laatste boek werd door Anthony John Harding verzorgd nadat Kathleen Coburn in 1991 was overleden. Deze twee delen zagen in 2002 het licht, hetzelfde jaar dat Seamus Perry een keuze van teksten uit de notebooks uitgaf onder de titel ‘Coleridge's Notebooks: A Selection ’, een boekje dat in het niet valt ten opzichte van de tien dikke ‘Notebook’-delen, maar dat ook voor Coleridge-adepten met een kleine beurs te betalen is en dat bovendien in een notendop weergeeft wat Coleridge bezig hield, als voorloper op het gebied van de literatuur, godswetenschap, filosofie en natuurwetenschappen. En als mens die minutieus zijn manisch-depressieve leven vastlegt.

‘O my poor Book! no other friend on earth have I but thee, unto whom I can discharge what yet my heart almost bursts with! – But I shall soon die.’

© 2013 Leo van der Sterren