Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2026.
Posts tonen met het label Notebooks. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Notebooks. Alle posts tonen
zondag 7 september 2014
Coleridges Notebooks 13
In het voorjaar van 1804 reist Samuel Taylor Coleridge, dan 31 jaren jong, aan boord van de Speedwell naar Malta om in het mediterrane klimaat genezing te vinden voor de vele kwalen die hem plagen, maar die het gevolg zijn van zijn dagelijkse en toenemende opiumgebruik waar hij in eerste instantie mee begonnen was ter leniging van zijn lichamelijke en geestelijke noden. Maar de reis van Malta paste ook in Coleridges neiging van escapisme. Op de vlucht voor zijn vrouw, voor verantwoordelijkheden en plichten waar hij niet mee om kon gaan, voor zijn indolentie, voor zijn neurosen en verslaving. Op de vlucht voor zichzelf, uiteraard tevergeefs . Op 19 april 1804 bereikt het schip Gibraltar waar Coleridge, in afwachting van het bericht dat men aan wal mag, de volgende lange notitie maakt in notebook 15.



Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2026.
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2026.
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
zaterdag 24 augustus 2013
Coleridges Notebooks 12
‘4 Sorts of Readers. 1. Spunges that suck up every thing and, when pressed give it out in the same state, only perhaps somewhat dirtier – . 2. Sand Glasses – or rather the upper Half of the Sand Glass, which in a brief hour assuredly lets out what it has received – & whose reading is only a profitless measurement & dozeing away of Time – . 3. Straining Bags, who get rid of whatever is good & pure, and retain the Dregs. – and this Straining-bag Class is again subdivided into the Species of the Sensual, who retain evil for the gratification of their own base Imaginations, & the calumnious, who judge only by defects, & to whose envy a beauty is an eye-sore, a fervent praise respecting an other a near-grievance, and the more virulent in its action because the miserable man does not dare confess the Truth to his own Heart – . 4 and lastly, the Great-Moguls Diamond Sieves – which is perhaps going farther for a Simile than its superior Dignity can repay, inasmuch as a common Cullender would have been equally symbolic/but imperial or culinary, these are the only good, & I fear the least numerous, who assuredly retain the good, while the superfluous or impure passes away & leaves no trace/’
(4 soorten van lezers. 1. Sponzen die alles opzuigen en, in elkaar gedrukt, alles in dezelfde toestand weer uitscheiden, alleen misschien iets viezer. 2. Zandlopers – of liever gezegd de bovenste helft van de zandloper, die in een klein uur doorlaat wat erin is gelopen – en wier lezing slechts een nutteloos meten en wegsluimeren van tijd is. 3. Filterzakken die doorlaten wat goed en puur is en die het bezinksel vasthouden – en deze klasse van filterzakken is op zijn beurt weer te verdelen in de soort van de zinnelijken die het kwaad bewaren voor de bevrediging van hun eigen, lage verbeelding en de soort van de lasteraars die alleen op grond van gebreken oordelen en voor wie, in hun nijd, de schoonheid een schandvlek voor het oog is en een hartstochtelijke loftuiting op iemand anders bijna een grief, en die des te kwaadaardiger in hun handelen zijn omdat de miserabele mens de waarheid niet aan zijn eigen hart durft toe te geven. 4. En, ten slotte, de diamantzeven van de grootmogols – wat misschien verder gaat als gelijkenis dan zijn superieure waardigheid kan aflossen, in zoverre als een gewone vergiet even symbolisch zou zijn geweest, maar keizerlijk of culinair, dit zijn de enige goede lezers en, zo vrees ik, het minst talrijk – die wel degelijk het goede behouden terwijl het overbodige of het onreine wegloopt en geen spoor achterlaat.)
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume III. 1808 – 1819. Text. Lemma 3242.
Coleridge krabbelde bovenstaande aantekeningen in 1808 of in 1811 in notebook 25 ten behoeve van de lezingen over literatuur die hij in die jaren hield. Hij putte daarbij uit een prozawerk van John Donne over zelfmoord, ‘Biathanatos’, (geschreven in 1608, maar pas na zijn dood gepubliceerd) waarin hij de volgende passage aantreft (hier in een meer gemoderniseerde spelling). ‘If therefore, of Readers, which Gorionides observes to be of Four sorts, (Spunges which attract all without distinguishing; Hour-glasses, which receive and pour out as fast; Bags, which retain only the Dregs of the Spices, and let the Wine escape; and Sives, which retain the best only,) I find some of the last sort, I doubt not but they may be hereby enlightened.’ (John Donne, ‘Biathanatos’, Londen, 1700, pp. v–vi.)
Wellicht heeft de zelfmoord van een bekende van Coleridge (Rochemont Barbauld, echtgenoot van Laetitia Barbauld, dichteres en kinderboekenschrijfster, door Coleridge aanvankelijk bewonderd, maar later verguisd) op 11 november 1808 tot de lectuur van ‘Biathanatos’ geleid. Maar misschien was het ook gewoon Coleridges eigen depressiviteit begeleid door hevige vlagen van diepe wanhoop die hem naar dit boek over zelfmoord deed grijpen. Niet zelden spookte de gedachte door zijn hoofd om een einde aan zijn leven te maken.
In een verslag door een van de toehoorders van de lezing die Coleridge op 21 november 1811 gaf, John Payne Collier, wordt een en ander als volgt samengevat: ‘He began by observing that Readers might be divided into four classes. 1. Sponges: persons who absorbed what they read and returned it nearly in the same state only a little dirtied. 2. Sand-glasses who permitted everything to pass away and were contented to dose away their time in actual idleness– 3. Strain-bags, who retained only the dregs of what they received– 4. Great Mogul Diamonds who were equally rare and valuable.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘Lectures 1808 – 1819. On literature’. London, Princeton, 1987, pp. 203 – 204.)
In 1904 werkt W.H. Harrison het nogal warrige resumé van Collier op zijn eigen, ook niet geheel vlekkeloze wijze uit (maar de twee tesamen maken een goede versie): ‘Coleridge gave four types of readers, one of which I have forgotten: 1st, Those whose minds are like an hour-glass; what they read runs in and runs out like the sand and not a grain is retained. 2nd, Those who are like sponges, which suck up everything and give it out again in much the same state, but a little dirtied. 3rd, Forgotten. 4th, The readers who are like the slaves in the mines of Golconda, they cast aside the dirt and dross, and preserve only the jewels.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘Lectures 1808 – 1819. On literature’. London, Princeton, 1987, pp. 203 – 204.)
Later verscheen de passage over de vier groepen van lezers in diverse, vaak op christelijke leest geschoeide periodieken, tijdschriften en almanakken met ronkende titels, zoals daar zijn: ‘Ward’s miscellany under the superintendence of a society for the advancement of literature, science, and religion’, ‘The evangelical repository and sunday school institute magazine’, ‘The leisure hour: An illustrated magazine for home reading’, ‘The New York mirror: A weekly gazette of literature and the fine arts’, ‘The parterre of poetry and historical romance’, ‘The collegian’ en ‘The Church of England magazine under the superintendence of clergymen of the United Church of England and Ireland’. In alle gevallen komt de eer van het doen van de uitspraak aan Coleridge toe.
© 2013 Leo van der Sterren
(4 soorten van lezers. 1. Sponzen die alles opzuigen en, in elkaar gedrukt, alles in dezelfde toestand weer uitscheiden, alleen misschien iets viezer. 2. Zandlopers – of liever gezegd de bovenste helft van de zandloper, die in een klein uur doorlaat wat erin is gelopen – en wier lezing slechts een nutteloos meten en wegsluimeren van tijd is. 3. Filterzakken die doorlaten wat goed en puur is en die het bezinksel vasthouden – en deze klasse van filterzakken is op zijn beurt weer te verdelen in de soort van de zinnelijken die het kwaad bewaren voor de bevrediging van hun eigen, lage verbeelding en de soort van de lasteraars die alleen op grond van gebreken oordelen en voor wie, in hun nijd, de schoonheid een schandvlek voor het oog is en een hartstochtelijke loftuiting op iemand anders bijna een grief, en die des te kwaadaardiger in hun handelen zijn omdat de miserabele mens de waarheid niet aan zijn eigen hart durft toe te geven. 4. En, ten slotte, de diamantzeven van de grootmogols – wat misschien verder gaat als gelijkenis dan zijn superieure waardigheid kan aflossen, in zoverre als een gewone vergiet even symbolisch zou zijn geweest, maar keizerlijk of culinair, dit zijn de enige goede lezers en, zo vrees ik, het minst talrijk – die wel degelijk het goede behouden terwijl het overbodige of het onreine wegloopt en geen spoor achterlaat.)
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume III. 1808 – 1819. Text. Lemma 3242.
Coleridge krabbelde bovenstaande aantekeningen in 1808 of in 1811 in notebook 25 ten behoeve van de lezingen over literatuur die hij in die jaren hield. Hij putte daarbij uit een prozawerk van John Donne over zelfmoord, ‘Biathanatos’, (geschreven in 1608, maar pas na zijn dood gepubliceerd) waarin hij de volgende passage aantreft (hier in een meer gemoderniseerde spelling). ‘If therefore, of Readers, which Gorionides observes to be of Four sorts, (Spunges which attract all without distinguishing; Hour-glasses, which receive and pour out as fast; Bags, which retain only the Dregs of the Spices, and let the Wine escape; and Sives, which retain the best only,) I find some of the last sort, I doubt not but they may be hereby enlightened.’ (John Donne, ‘Biathanatos’, Londen, 1700, pp. v–vi.)
Wellicht heeft de zelfmoord van een bekende van Coleridge (Rochemont Barbauld, echtgenoot van Laetitia Barbauld, dichteres en kinderboekenschrijfster, door Coleridge aanvankelijk bewonderd, maar later verguisd) op 11 november 1808 tot de lectuur van ‘Biathanatos’ geleid. Maar misschien was het ook gewoon Coleridges eigen depressiviteit begeleid door hevige vlagen van diepe wanhoop die hem naar dit boek over zelfmoord deed grijpen. Niet zelden spookte de gedachte door zijn hoofd om een einde aan zijn leven te maken.
In een verslag door een van de toehoorders van de lezing die Coleridge op 21 november 1811 gaf, John Payne Collier, wordt een en ander als volgt samengevat: ‘He began by observing that Readers might be divided into four classes. 1. Sponges: persons who absorbed what they read and returned it nearly in the same state only a little dirtied. 2. Sand-glasses who permitted everything to pass away and were contented to dose away their time in actual idleness– 3. Strain-bags, who retained only the dregs of what they received– 4. Great Mogul Diamonds who were equally rare and valuable.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘Lectures 1808 – 1819. On literature’. London, Princeton, 1987, pp. 203 – 204.)
In 1904 werkt W.H. Harrison het nogal warrige resumé van Collier op zijn eigen, ook niet geheel vlekkeloze wijze uit (maar de twee tesamen maken een goede versie): ‘Coleridge gave four types of readers, one of which I have forgotten: 1st, Those whose minds are like an hour-glass; what they read runs in and runs out like the sand and not a grain is retained. 2nd, Those who are like sponges, which suck up everything and give it out again in much the same state, but a little dirtied. 3rd, Forgotten. 4th, The readers who are like the slaves in the mines of Golconda, they cast aside the dirt and dross, and preserve only the jewels.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘Lectures 1808 – 1819. On literature’. London, Princeton, 1987, pp. 203 – 204.)
Later verscheen de passage over de vier groepen van lezers in diverse, vaak op christelijke leest geschoeide periodieken, tijdschriften en almanakken met ronkende titels, zoals daar zijn: ‘Ward’s miscellany under the superintendence of a society for the advancement of literature, science, and religion’, ‘The evangelical repository and sunday school institute magazine’, ‘The leisure hour: An illustrated magazine for home reading’, ‘The New York mirror: A weekly gazette of literature and the fine arts’, ‘The parterre of poetry and historical romance’, ‘The collegian’ en ‘The Church of England magazine under the superintendence of clergymen of the United Church of England and Ireland’. In alle gevallen komt de eer van het doen van de uitspraak aan Coleridge toe.
© 2013 Leo van der Sterren
Labels:
Golconda,
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
zaterdag 20 juli 2013
Coleridges ‘Notebooks’ 11
‘her eyes sparkled: as if they had been cut out of a diamond quarry in some Golconda of Faery land – and cast such meaning glances, as would have vitrified the Flint in a Murderer’s blunderbuss – ’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. 1794 – 1804. Text. Lemma 144.
Golconda, zo luidt de naam van een oude ruïnestad in de Indiase deelstaat Andhra Pradesh. Het op een heuvel gesitueerde complex bestaande uit vier forten die omringd worden door een tien kilometer lange muur, ligt even ten westen van de stad Haiderabad. De geschiedenis van de citadel begon in de twaalfde eeuw toen de Kakatiya-dynastie over het gebied heerste. Volgens de legende vond een herdersjongen een godenbeeld op de heuvel. Dit vormde voor de heerser van de Kakatiya-dynastie de aanleiding om er een eerste, nog primitief fort van leem te laten bouwen. Hij noemde de vestiging Golconda, afgeleid van het woord Golla Konda wat in de taal van die regio ‘herdersheuvel’ betekent. Vanaf de zestiende eeuw werd het bouwwerk uitgebreid met nieuwe fortificaties en monumenten.
Van 1518 tot 1687 behoorde Golconda tot het gelijknamige sultanaat waarvan het tot 1591 de hoofdstad was. In dat jaar stichtte sultan Muhammad Quli Qutb Shah een nieuwe hoofdstad, Haiderabad. In 1687 veroverde de Mogol-heerser Aurangzeb de stad Golconda die vanaf dat moment in verval raakte en uiteindelijk in zijn huidige ruïneuze staat terecht kwam. Van 1662 tot 1733 was er een handelspost van de Verenigde Oostindische Compagnie in Golconda gevestigd.
In het zuidoosten van het Golconda-gebied liggen de oudste diamantmijnen ter wereld. Hier zijn beroemde diamanten gevonden, onder anderen de Koh-i-Noor en de Darya-ye Noor.
Door de eeuwen heen dook de naam Golconda in diverse verslagen van Europese reizigers op, waaronder in dat van Marco Polo. In ‘Il Milione’ (‘De wonderen van de Oriënt’) spreekt de reiziger uit Venetië vol bewondering over het Land van Golconda. Hij identificeert Golconda met de Vallei der Diamanten waar eeuwen eerder Sindbad de Zeeman door de reuzenvogel Rok naar toe werd gevlogen en neergeworpen. De verteller van de ‘Verhalen van duizend en één nacht’, waarin de naam Golconda overigens niet expliciet vermeld wordt, doet kond van het feit dat er diamanten ter grootte van adelaarseieren voor het oprapen lagen in de Diamantenvallei.
Als kind was Samuel Taylor Coleridge niet alleen verzot op de reisverhalen uit de voorbije eeuwen, maar hij verslond ook ‘The Arabian nights’ entertainment’ (‘Verhalen van duizend en één nacht’). Nog voor zijn vijfde aan de lectuur beginnend, las Coleridge volgens eigen zeggen al op zesjarige leeftijd (!) de vier delen die uitgeverij Longmans in 1778 publiceerde (de uitgave zou later deel uitmaken van zijn bibliotheek). De verhalen maakten een diepe indruk op hem, zo diep dat hij zich jaren later, als man van middelbare leeftijd, nog verbaasde over het effect dat de vertellingen op hem hadden.
‘As I had read one volume of these tales over and over again before my fifth birth-day, it may be readily conjectured of what sort these fancies and feelings must have been. The book, I well remember, used to lie in a coiner of the parlour window at my dear father's vicarage-house: and I can never forget with what a strange mixture of obscure dread and intense desire I used too look at the volume and watch it, till the morning sunshine had reached and nearly covered it, when, and not before, I felt the courage given me to seize the precious treasure and hurry off with it to some sunny corner in our play-ground.’ Samuel Taylor Coleridge, ‘The friend’ (Volume I, Londen, 1969, p. 148).
Een latere reiziger door India die ook Golconda aandeed, was de Engelsman William Methwold (1590 – 1653). Diens verslag ‘A relation of Golconda’ werd opgenomen in een aantal boeken met reisverhalen van verschillende auteurs die Samuel Purchas aan het begin van de zeventiende eeuw samenstelde en publiceerde, ‘Purchas his Pilgrimage’. Coleridge kende de boeken van Purchas goed. Zo inspireerde een bepaalde passage in ‘Purchas his Pilgrimage’ hem in 1797 tot het schrijven van zijn beroemde gedicht ‘Kubla Khan’. Het is dus niet onaannemelijk dat Coleridge de naam Golconda hier vandaan heeft gehaald.
© 2013 Leo van der Sterren
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. 1794 – 1804. Text. Lemma 144.
Golconda, zo luidt de naam van een oude ruïnestad in de Indiase deelstaat Andhra Pradesh. Het op een heuvel gesitueerde complex bestaande uit vier forten die omringd worden door een tien kilometer lange muur, ligt even ten westen van de stad Haiderabad. De geschiedenis van de citadel begon in de twaalfde eeuw toen de Kakatiya-dynastie over het gebied heerste. Volgens de legende vond een herdersjongen een godenbeeld op de heuvel. Dit vormde voor de heerser van de Kakatiya-dynastie de aanleiding om er een eerste, nog primitief fort van leem te laten bouwen. Hij noemde de vestiging Golconda, afgeleid van het woord Golla Konda wat in de taal van die regio ‘herdersheuvel’ betekent. Vanaf de zestiende eeuw werd het bouwwerk uitgebreid met nieuwe fortificaties en monumenten.
Van 1518 tot 1687 behoorde Golconda tot het gelijknamige sultanaat waarvan het tot 1591 de hoofdstad was. In dat jaar stichtte sultan Muhammad Quli Qutb Shah een nieuwe hoofdstad, Haiderabad. In 1687 veroverde de Mogol-heerser Aurangzeb de stad Golconda die vanaf dat moment in verval raakte en uiteindelijk in zijn huidige ruïneuze staat terecht kwam. Van 1662 tot 1733 was er een handelspost van de Verenigde Oostindische Compagnie in Golconda gevestigd.
In het zuidoosten van het Golconda-gebied liggen de oudste diamantmijnen ter wereld. Hier zijn beroemde diamanten gevonden, onder anderen de Koh-i-Noor en de Darya-ye Noor.
Door de eeuwen heen dook de naam Golconda in diverse verslagen van Europese reizigers op, waaronder in dat van Marco Polo. In ‘Il Milione’ (‘De wonderen van de Oriënt’) spreekt de reiziger uit Venetië vol bewondering over het Land van Golconda. Hij identificeert Golconda met de Vallei der Diamanten waar eeuwen eerder Sindbad de Zeeman door de reuzenvogel Rok naar toe werd gevlogen en neergeworpen. De verteller van de ‘Verhalen van duizend en één nacht’, waarin de naam Golconda overigens niet expliciet vermeld wordt, doet kond van het feit dat er diamanten ter grootte van adelaarseieren voor het oprapen lagen in de Diamantenvallei.
Als kind was Samuel Taylor Coleridge niet alleen verzot op de reisverhalen uit de voorbije eeuwen, maar hij verslond ook ‘The Arabian nights’ entertainment’ (‘Verhalen van duizend en één nacht’). Nog voor zijn vijfde aan de lectuur beginnend, las Coleridge volgens eigen zeggen al op zesjarige leeftijd (!) de vier delen die uitgeverij Longmans in 1778 publiceerde (de uitgave zou later deel uitmaken van zijn bibliotheek). De verhalen maakten een diepe indruk op hem, zo diep dat hij zich jaren later, als man van middelbare leeftijd, nog verbaasde over het effect dat de vertellingen op hem hadden.
‘As I had read one volume of these tales over and over again before my fifth birth-day, it may be readily conjectured of what sort these fancies and feelings must have been. The book, I well remember, used to lie in a coiner of the parlour window at my dear father's vicarage-house: and I can never forget with what a strange mixture of obscure dread and intense desire I used too look at the volume and watch it, till the morning sunshine had reached and nearly covered it, when, and not before, I felt the courage given me to seize the precious treasure and hurry off with it to some sunny corner in our play-ground.’ Samuel Taylor Coleridge, ‘The friend’ (Volume I, Londen, 1969, p. 148).
Een latere reiziger door India die ook Golconda aandeed, was de Engelsman William Methwold (1590 – 1653). Diens verslag ‘A relation of Golconda’ werd opgenomen in een aantal boeken met reisverhalen van verschillende auteurs die Samuel Purchas aan het begin van de zeventiende eeuw samenstelde en publiceerde, ‘Purchas his Pilgrimage’. Coleridge kende de boeken van Purchas goed. Zo inspireerde een bepaalde passage in ‘Purchas his Pilgrimage’ hem in 1797 tot het schrijven van zijn beroemde gedicht ‘Kubla Khan’. Het is dus niet onaannemelijk dat Coleridge de naam Golconda hier vandaan heeft gehaald.
© 2013 Leo van der Sterren
Labels:
Golconda,
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
zaterdag 22 juni 2013
Coleridges notebooks
Geen ‘lief dagboek’, geen ‘nachtkrabbel’. Maar wel, bijvoorbeeld: ‘O my poor Book!’ Op 22-jarige leeftijd tekende Samuel Taylor Coleridge's voor het eerst een memo op in een notitieboek. Daar zou het niet bij blijven. Tot vlak voor zijn dood in 1834 zou hij notitieboeken gebruiken. Sterker nog, hij zou hele boeken volpennen. Coleridge en zijn memoranda, ze waren onafscheidelijk. Toen hij in 1804 naar Malta reisde, nam hij zelfs een soort lessenaartje mee – ‘an elegant Thing to lock up my Letters, Papers, &c &c.’ – dat op zijn schoot kon rusten zodat hij zijn schrijfactiviteiten ook aan boord van het schip voort kon zetten, ‘That Wednesday I opened out my Trunk, & examined the littel Escritoire given me by Lady Beaumont. I had never connected any pleasure with neatness & convenience; now for the first time they seized my Heart at once by a hundred Tentacula of Love & affection & pleasurable Remembrances. How could it be otherwise? Every thing had been so manifestly placed there by the Hand of affectionate Solicitude!’
Zevenentwintig grote en kleine notitieboeken zijn er bewaard gebleven, een enorm Sammelsurium. De krabbels om min of meer alledaagse dingen te onthouden ontwikkelden zich tot de weergave van een filosofisch systeem en van een studie van Bijbelteksten. Maar het noteren omwille van het niet vergeten, ook en vooral van niet-praktische verschijnselen, maakt een groot deel uit van de inhoud van de notebooks, en van hun charme. Vaak wendt Coleridge zijn notitieboek aan zoals de hedendaagse mens het fototoestel gebruikt: door beschrijvingen in woorden probeert hij beelden vast te leggen en voor later te bewaren.
De notebooks bevatten de meest uiteenlopende posten: adressen, financiële overzichten, leesverslagen, interpretaties van literaire werken, beschrijvingen van reiservaringen, dromen, angsten, natuurfenomenen, dagboekachtige confessies, zelfanalyse, filosofische proefballonnen, autobiografische notities, seksuele fantasieën, aantekeningen voor lezingen, observaties van zijn kinderen, schema’s van te schrijven teksten, recepten, woordspelingen, lijstjes van Duitse woorden, Bijbelexegese, duistere onderzoekingen, sentimentele ontboezemingen, gebeden en flarden van gedichten. Toch vertegenwoordigde dat allemaal niet wat Coleridge voor ogen stond.
Coleridge wilde eigenlijk niets liever dan het leven inlijven in een gesynthetiseerd, geordend en overzichtelijk systeem. De pogingen om zo’n systeem te maken, verzandden echter juist in ongeordendheid en onoverzichtelijkheid waarvan de notebooks het gevolg zijn en vervolgens, naderhand, het voorbeeld en symbool werden. Coleridge was te ‘myriad-minded’ om zijn denken in een alomvattend schema te vatten. Het ging bij hem te zeer van de hak op de tak. Coleridge mag zich de meester van het fragment noemen. Van dat fragmentarische getuigen de notebooks. Van al dat heterogene en ongeordende materiaal vond het nodige naderhand zijn weg in publicaties van Coleridge, maar het overgrote deel werd pas bij de uitgave van de ‘Notebooks’ ontsloten, lang na het verscheiden van de dichter.
Het was niet Coleridges intentie dat zijn notebooks uitgegeven zouden worden, al vond hij wel dat ze bewaard dienden te blijven voor het nageslacht. In 1895 deed de kleinzoon van de dichter Ernest Hartley Coleridge een bloemlezing van werk uit de memoranda van zijn grootvader het licht zien, ‘Anima Poetæ’, en het jaar daarop bracht de Duitse geleerde Alois Brandl in Duitsland (!) een editie van het eerste notitieboek (‘Gutch notebook’) uit.
In de twintiger jaren van de vorige eeuw wist de Canadese literatuurwetenschapper Kathleen Coburn een reisbeurs voor Engeland te verkrijgen op basis van haar nieuwsgierigheid in de relatie die zij meende te zien tussen Coleridge en de Duitse filosofen uit diens tijd. Uiteraard was het thuisland van de dichter de plek om daar onderzoek naar te verrichten. Van het een kwam het ander. In 1930 ontmoette Coburn Lord en Lady Coleridge in hun woonplaats Ottery St. Mary: baron Geoffrey met een reputatie van koppigheid en afkeer van de sibbe van pedante boekwurmen, en zijn wat meer diplomatieke echtgenote Jessie. In eerste instantie verkeerden de Lord en Lady in de veronderstelling dat Coburn uitsluitend belangstelling had voor hun huis, Chanter's House. ‘Toen ik zei dat ik voornamelijk in manuscripten en geannoteerde boeken van de dichter in de bibliotheek geïnteresseerd was, kon ik zien dat zelfs zij haar zelfcontrole verloor. Geen woord werd er gezegd,’ schrijft Coburn in haar boek over haar ontdekking en uitgave van de notebooks, ‘In pursuit of Coleridge’.
Geoffrey Coleridge begon zijn gast te plagen. ‘Die oude Sam was slechts een dichter, weet je, deed niets nuttigs waar iemand iets aan had, er werd in de familie niet al te best over hem gedacht, eigenlijk een beetje een schande voor de familie…geen idee waarom een jong meisje als jij jouw tijd verdoet aan die oude schurk…ik weet tenminste nog iets over slachtvee.’
Maar gaandeweg begonnen de Lord en Lady haar met genegenheid te bejegenen. Ze noemden Coburn schertsend Bookie, want dat de jonge geleerde een onverbeterlijke boekenwurm was, dat hadden ze snel gemerkt. De Coleridges gaven haar inzage in de manuscripten en toestemming om alles te fotograferen. Ten slotte stonden ze toe dat Coburn – en uitsluitend Coburn! – de ‘Notebooks’ zou publiceren.
In 1957 verscheen het eerste boek in de reeks van de ‘Notebooks’, bestaande uit een deel tekst en een deel met noten. Het vijfde en laatste boek werd door Anthony John Harding verzorgd nadat Kathleen Coburn in 1991 was overleden. Deze twee delen zagen in 2002 het licht, hetzelfde jaar dat Seamus Perry een keuze van teksten uit de notebooks uitgaf onder de titel ‘Coleridge's Notebooks: A Selection ’, een boekje dat in het niet valt ten opzichte van de tien dikke ‘Notebook’-delen, maar dat ook voor Coleridge-adepten met een kleine beurs te betalen is en dat bovendien in een notendop weergeeft wat Coleridge bezig hield, als voorloper op het gebied van de literatuur, godswetenschap, filosofie en natuurwetenschappen. En als mens die minutieus zijn manisch-depressieve leven vastlegt.
‘O my poor Book! no other friend on earth have I but thee, unto whom I can discharge what yet my heart almost bursts with! – But I shall soon die.’
© 2013 Leo van der Sterren
Zevenentwintig grote en kleine notitieboeken zijn er bewaard gebleven, een enorm Sammelsurium. De krabbels om min of meer alledaagse dingen te onthouden ontwikkelden zich tot de weergave van een filosofisch systeem en van een studie van Bijbelteksten. Maar het noteren omwille van het niet vergeten, ook en vooral van niet-praktische verschijnselen, maakt een groot deel uit van de inhoud van de notebooks, en van hun charme. Vaak wendt Coleridge zijn notitieboek aan zoals de hedendaagse mens het fototoestel gebruikt: door beschrijvingen in woorden probeert hij beelden vast te leggen en voor later te bewaren.
De notebooks bevatten de meest uiteenlopende posten: adressen, financiële overzichten, leesverslagen, interpretaties van literaire werken, beschrijvingen van reiservaringen, dromen, angsten, natuurfenomenen, dagboekachtige confessies, zelfanalyse, filosofische proefballonnen, autobiografische notities, seksuele fantasieën, aantekeningen voor lezingen, observaties van zijn kinderen, schema’s van te schrijven teksten, recepten, woordspelingen, lijstjes van Duitse woorden, Bijbelexegese, duistere onderzoekingen, sentimentele ontboezemingen, gebeden en flarden van gedichten. Toch vertegenwoordigde dat allemaal niet wat Coleridge voor ogen stond.
Coleridge wilde eigenlijk niets liever dan het leven inlijven in een gesynthetiseerd, geordend en overzichtelijk systeem. De pogingen om zo’n systeem te maken, verzandden echter juist in ongeordendheid en onoverzichtelijkheid waarvan de notebooks het gevolg zijn en vervolgens, naderhand, het voorbeeld en symbool werden. Coleridge was te ‘myriad-minded’ om zijn denken in een alomvattend schema te vatten. Het ging bij hem te zeer van de hak op de tak. Coleridge mag zich de meester van het fragment noemen. Van dat fragmentarische getuigen de notebooks. Van al dat heterogene en ongeordende materiaal vond het nodige naderhand zijn weg in publicaties van Coleridge, maar het overgrote deel werd pas bij de uitgave van de ‘Notebooks’ ontsloten, lang na het verscheiden van de dichter.
Het was niet Coleridges intentie dat zijn notebooks uitgegeven zouden worden, al vond hij wel dat ze bewaard dienden te blijven voor het nageslacht. In 1895 deed de kleinzoon van de dichter Ernest Hartley Coleridge een bloemlezing van werk uit de memoranda van zijn grootvader het licht zien, ‘Anima Poetæ’, en het jaar daarop bracht de Duitse geleerde Alois Brandl in Duitsland (!) een editie van het eerste notitieboek (‘Gutch notebook’) uit.
In de twintiger jaren van de vorige eeuw wist de Canadese literatuurwetenschapper Kathleen Coburn een reisbeurs voor Engeland te verkrijgen op basis van haar nieuwsgierigheid in de relatie die zij meende te zien tussen Coleridge en de Duitse filosofen uit diens tijd. Uiteraard was het thuisland van de dichter de plek om daar onderzoek naar te verrichten. Van het een kwam het ander. In 1930 ontmoette Coburn Lord en Lady Coleridge in hun woonplaats Ottery St. Mary: baron Geoffrey met een reputatie van koppigheid en afkeer van de sibbe van pedante boekwurmen, en zijn wat meer diplomatieke echtgenote Jessie. In eerste instantie verkeerden de Lord en Lady in de veronderstelling dat Coburn uitsluitend belangstelling had voor hun huis, Chanter's House. ‘Toen ik zei dat ik voornamelijk in manuscripten en geannoteerde boeken van de dichter in de bibliotheek geïnteresseerd was, kon ik zien dat zelfs zij haar zelfcontrole verloor. Geen woord werd er gezegd,’ schrijft Coburn in haar boek over haar ontdekking en uitgave van de notebooks, ‘In pursuit of Coleridge’.
Geoffrey Coleridge begon zijn gast te plagen. ‘Die oude Sam was slechts een dichter, weet je, deed niets nuttigs waar iemand iets aan had, er werd in de familie niet al te best over hem gedacht, eigenlijk een beetje een schande voor de familie…geen idee waarom een jong meisje als jij jouw tijd verdoet aan die oude schurk…ik weet tenminste nog iets over slachtvee.’
Maar gaandeweg begonnen de Lord en Lady haar met genegenheid te bejegenen. Ze noemden Coburn schertsend Bookie, want dat de jonge geleerde een onverbeterlijke boekenwurm was, dat hadden ze snel gemerkt. De Coleridges gaven haar inzage in de manuscripten en toestemming om alles te fotograferen. Ten slotte stonden ze toe dat Coburn – en uitsluitend Coburn! – de ‘Notebooks’ zou publiceren.
In 1957 verscheen het eerste boek in de reeks van de ‘Notebooks’, bestaande uit een deel tekst en een deel met noten. Het vijfde en laatste boek werd door Anthony John Harding verzorgd nadat Kathleen Coburn in 1991 was overleden. Deze twee delen zagen in 2002 het licht, hetzelfde jaar dat Seamus Perry een keuze van teksten uit de notebooks uitgaf onder de titel ‘Coleridge's Notebooks: A Selection ’, een boekje dat in het niet valt ten opzichte van de tien dikke ‘Notebook’-delen, maar dat ook voor Coleridge-adepten met een kleine beurs te betalen is en dat bovendien in een notendop weergeeft wat Coleridge bezig hield, als voorloper op het gebied van de literatuur, godswetenschap, filosofie en natuurwetenschappen. En als mens die minutieus zijn manisch-depressieve leven vastlegt.
‘O my poor Book! no other friend on earth have I but thee, unto whom I can discharge what yet my heart almost bursts with! – But I shall soon die.’
© 2013 Leo van der Sterren
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
vrijdag 25 januari 2013
Coleridges ‘Notebooks’ 10
‘But Man is a noble Animal, splendid in Ashes, pompous in the Grave, solemnizing Nativities and Deaths with equal lustre.’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume III. 1808 – 1819. Text. Lemma 4373.
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
zaterdag 19 januari 2013
Het Gutch Notebook
Op een zeker moment in de eerste maanden van 1795 pent Samuel Taylor Coleridge, 22 jaren jong en beginnend dichter, een aantekening over Erasmus Darwins gedicht ‘Botanic garden’ neer in een notitieboek dat hij net gekocht heeft en dat veel later in handen zou komen van John Matthew Gutch (1776 – 1861) met wie hij op de middelbare school had gezeten (Christ’s Hospital in Londen – Coleridge zat van 1782 tot 1790 op deze school). Het is het tweede notitieboek dat Coleridge gebruikt. Maar vanaf het moment dat hij er de gewoonte van maakte om aantekeningen neer te krabbelen, medio 1794, zijn Coleridge en zijn notitieboeken onafscheidelijk. Waar hij ook gaat, hij sleept een notebook mee, soms zelfs met een draagbare inktpot. Het zogenaamde Gutch Memorandum Book zal door hem tussen 1794 en 1801 gebruikt worden. Deze fase van Coleridges leven omvat ook diens zogenaamde annus mirabilis, de jaren 1797 en 1798 waarin hij zijn naderhand beroemde gedichten ‘The rime of the ancient mariner’, ‘Kubla Khan’ en ‘Christabel’ schrijft.
Het is in deze tijdsspanne dat Coleridges persoonlijkheid gekenmerkt wordt door jeugdige overmoed en een enorm optimisme, idealisme en enthousiasme. Die eigenschappen vinden een uitlaatklep in een uitgelatenheid, spontaniteit en impulsiviteit die hem van het ene project in het andere storten. Als tijdens zijn studie in Cambridge geldproblemen hem plagen, onvlucht hij die situatie door in een impulsieve opwelling dienst in het leger te nemen, een avontuur waaraan hij slechts door behulpzame familieleden en veel geluk weet te ontsnappen. Hij treedt halsoverkop in het huwelijk met een vrouw, Sarah Fricker, waarvan hij niet blijkt te houden – en daar komt hij al snel achter. Hij wil zich met zijn gezin en enkele geestverwanten in Amerika vestigen om daar in een soort commune te gaan samenleven. Maar dat plan wordt getorpedeerd – waar hij stiekem blij om is. Hij knoopt vriendschappen aan en verwaarloost ze vervolgens weer. Ideeën voor het ene na het andere literaire of filosofische werk ontspruiten aan zijn koortsachtig opererende brein. Op het ene moment wil hij een revolutionair zijn, op het andere een prediker. Dan weer een filosoferende kluizenaar. Maar helaas, het ontbreekt Coleridge aan een lange adem. Op het gebied van de literatuur maar ook op andere gebieden van het leven gedraagt hij zich als een kortademige lyricus en niet als een persoon met epische kwaliteiten. En toch zal hij een aantal grote werken voor elkaar krijgen.
Het Gutch Memorandum Book of Gutch Notebook biedt een weerslag van de turbulentie in Coleridges leven gedurende die periode. De inschrijvingen zijn fragmentarisch, divers en in de regel kort. Recepten worden gevolgd door dichtregels, tegelwijsheden door ontwerpen voor predicaties en notities over boeken die hij gelezen heeft. Er staan memoranda en aantekeningen in. Rekeningoverzichten wisselen lijsten met huishoudelijke benodigdheden af. Later, als de kinderen geboren zijn, noteert hij voorvallen waarbij Hartley en Derwent betrokken zijn. Het Gutch Notebook bevat ook los staande beschrijvingen en zelfs een tweetal lijsten van geschriften die Coleridge voornemens is om te schrijven.
‘My Works
[a] Imitations of the Modern Latin Poets with an Essay Biog.
& Crit. on the Rest. Of Lit.–2 Vol. Octavo.
[b] Answer to the System of Nature–1 Vol. Oct.
[c] The Origin of Evil, an Epic Poem.
[d] Essay on Bowles
[e] Strictures on Godwin, Paley &c &c–
[f] Pantisocracy, or a practical Essay on the abolition of In-
div [id] ual Property.
[g] Carthon an Opera
[h] Poems
[i] Edition of Collins & Gray with a preliminary Dissertation.
[j] A Liturgy On the different Sects of Religion & Infidelity–
philosophical analysis of their Effects on mind & manners–.
[k] A Tragedy’
(The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Kathleen Coburn. Volume 1, 1794 – 1804. Text.’ New York, 1957. Lemma 161).
Van de plannen komt overigens maar weinig terecht.
Maar het Gutch Notebook bevat ook andere opsommingen.
‘Six o’clock. Light the fires. Clean out the kitchen. Put on the Tea kettle. Clean the Insides of the Boiling Pot. Shoes &c. C. and B
Eight o’clock. Tea things &c. put out & after cleaned up. Sara.
One o’clock – spit the meat. B & C
Two o’clock Vegetables &c. Sara
Three o’clock – Dinner.
Half past three – 10 minutes for clearing Dishes–’
(The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Kathleen Coburn. Volume 1, 1794 – 1804. Text.’ New York, 1957. Lemma 283).
Biograaf Edmund Kerchever Chambers neemt aan dat bovenstaande aantekening betrekking heeft op Coleridges trouwdag op 4 oktober 1795, als hij met Sarah Fricker in het huwelijk treedt.
Een eerste transcriptie van het Gutch Memorandum Book wordt in 1896 door Alois Brandl in het ‘Archiv für das Studium der neueren Sprachen und Litteraturen’ gepubliceerd, maar de Engelstalige wereld merkt deze uitgave nauwelijks op. Bovendien bevat deze transcriptie veel fouten. Het is pas in 1927 dat Lowes met zijn beroemde boek ‘The Road to Xanadu’ de aandacht weet te vestigen op ‘a small manuscript volume of ninety leaves’. Lowes heeft, in wat ook nu nog als een embleem voor literair speurwerk ver boven de middelmaat uitsteekt, het Gutch Notebook nauwkeurig bestudeerd en het al combinaties makend naast de gedichten uit het annus mirabilis gelegd.
In 1930 wordt een Canadese wetenschapper en Coleridge-adept Kathleen Coburn die voor een vervolgstudie in Oxford verblijft, op de thee uitgenodigd in Chanter’s House, Ottery St Mary, waar een nazaat van de dichter, baron Geoffrey Coleridge, resideert. Baron Coleridge, niet de meest fijnbesnaarde man, laat de ‘little bookworm’ de nodige plagerijen ondergaan, maar geeft haar uiteindelijk toegang tot de bibliotheek van zijn huis. En daar ontdekt Coburn wat je zou kunnen noemen de schat van Chanter’s House: tweehonderd boeken van anderen die door Samuel Taylor van annotaties zijn voorzien, vele brieven en, ten slotte, vijfenvijftig notitieboeken, door de dichter naarstig vol gepend in een tijdsspanne van veertig jaren. Met deze ontdekking dringt zich onmiddellijk de gedachte aan een uitgave van de Notebooks op, zodat ook het Gutch Notebook weer onder de aandacht komt. Coburn neemt deze titanentaak op zich en brengt de Notebooks tussen 1957 en 1990 uit. Tien kloeke boeken: vijf delen tekst en vijf delen met annoties – zie hier een van de grote werken die Coleridge voor elkaar heeft gekregen. En ditmaal zal de transcriptie vna het Gutch Notebook meer adequaat zijn.
Coburn heeft de sfeer waarin het Gutch Notebook gebruikt werd goed aangevoeld. Die sfeer was er een van verwachting. ‘Of the three notebooks extant that were in use before or during the composition of the great poems, the Gutch book provides the richest ore for this particular period. For this reason, and because its entries are so elusively short, the annotations here are the longest and most elaborate. The Gutch book is largely a work-book, in a sense that later books are not; and more to observations, statements and arguments. In the Gutch book the entries still point to the future, the tragic suspicion of self-defeat having not yet inflicted its paralyzing discouragement.’ (The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Kathleen Coburn. Volume 1, 1794 – 1804. Notes.’ New York, 1957, p. xx).
© 2013 Leo van der Sterrren
Het is in deze tijdsspanne dat Coleridges persoonlijkheid gekenmerkt wordt door jeugdige overmoed en een enorm optimisme, idealisme en enthousiasme. Die eigenschappen vinden een uitlaatklep in een uitgelatenheid, spontaniteit en impulsiviteit die hem van het ene project in het andere storten. Als tijdens zijn studie in Cambridge geldproblemen hem plagen, onvlucht hij die situatie door in een impulsieve opwelling dienst in het leger te nemen, een avontuur waaraan hij slechts door behulpzame familieleden en veel geluk weet te ontsnappen. Hij treedt halsoverkop in het huwelijk met een vrouw, Sarah Fricker, waarvan hij niet blijkt te houden – en daar komt hij al snel achter. Hij wil zich met zijn gezin en enkele geestverwanten in Amerika vestigen om daar in een soort commune te gaan samenleven. Maar dat plan wordt getorpedeerd – waar hij stiekem blij om is. Hij knoopt vriendschappen aan en verwaarloost ze vervolgens weer. Ideeën voor het ene na het andere literaire of filosofische werk ontspruiten aan zijn koortsachtig opererende brein. Op het ene moment wil hij een revolutionair zijn, op het andere een prediker. Dan weer een filosoferende kluizenaar. Maar helaas, het ontbreekt Coleridge aan een lange adem. Op het gebied van de literatuur maar ook op andere gebieden van het leven gedraagt hij zich als een kortademige lyricus en niet als een persoon met epische kwaliteiten. En toch zal hij een aantal grote werken voor elkaar krijgen.
Het Gutch Memorandum Book of Gutch Notebook biedt een weerslag van de turbulentie in Coleridges leven gedurende die periode. De inschrijvingen zijn fragmentarisch, divers en in de regel kort. Recepten worden gevolgd door dichtregels, tegelwijsheden door ontwerpen voor predicaties en notities over boeken die hij gelezen heeft. Er staan memoranda en aantekeningen in. Rekeningoverzichten wisselen lijsten met huishoudelijke benodigdheden af. Later, als de kinderen geboren zijn, noteert hij voorvallen waarbij Hartley en Derwent betrokken zijn. Het Gutch Notebook bevat ook los staande beschrijvingen en zelfs een tweetal lijsten van geschriften die Coleridge voornemens is om te schrijven.
‘My Works
[a] Imitations of the Modern Latin Poets with an Essay Biog.
& Crit. on the Rest. Of Lit.–2 Vol. Octavo.
[b] Answer to the System of Nature–1 Vol. Oct.
[c] The Origin of Evil, an Epic Poem.
[d] Essay on Bowles
[e] Strictures on Godwin, Paley &c &c–
[f] Pantisocracy, or a practical Essay on the abolition of In-
div [id] ual Property.
[g] Carthon an Opera
[h] Poems
[i] Edition of Collins & Gray with a preliminary Dissertation.
[j] A Liturgy On the different Sects of Religion & Infidelity–
philosophical analysis of their Effects on mind & manners–.
[k] A Tragedy’
(The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Kathleen Coburn. Volume 1, 1794 – 1804. Text.’ New York, 1957. Lemma 161).
Van de plannen komt overigens maar weinig terecht.
Maar het Gutch Notebook bevat ook andere opsommingen.
‘Six o’clock. Light the fires. Clean out the kitchen. Put on the Tea kettle. Clean the Insides of the Boiling Pot. Shoes &c. C. and B
Eight o’clock. Tea things &c. put out & after cleaned up. Sara.
One o’clock – spit the meat. B & C
Two o’clock Vegetables &c. Sara
Three o’clock – Dinner.
Half past three – 10 minutes for clearing Dishes–’
(The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Kathleen Coburn. Volume 1, 1794 – 1804. Text.’ New York, 1957. Lemma 283).
Biograaf Edmund Kerchever Chambers neemt aan dat bovenstaande aantekening betrekking heeft op Coleridges trouwdag op 4 oktober 1795, als hij met Sarah Fricker in het huwelijk treedt.
Een eerste transcriptie van het Gutch Memorandum Book wordt in 1896 door Alois Brandl in het ‘Archiv für das Studium der neueren Sprachen und Litteraturen’ gepubliceerd, maar de Engelstalige wereld merkt deze uitgave nauwelijks op. Bovendien bevat deze transcriptie veel fouten. Het is pas in 1927 dat Lowes met zijn beroemde boek ‘The Road to Xanadu’ de aandacht weet te vestigen op ‘a small manuscript volume of ninety leaves’. Lowes heeft, in wat ook nu nog als een embleem voor literair speurwerk ver boven de middelmaat uitsteekt, het Gutch Notebook nauwkeurig bestudeerd en het al combinaties makend naast de gedichten uit het annus mirabilis gelegd.
In 1930 wordt een Canadese wetenschapper en Coleridge-adept Kathleen Coburn die voor een vervolgstudie in Oxford verblijft, op de thee uitgenodigd in Chanter’s House, Ottery St Mary, waar een nazaat van de dichter, baron Geoffrey Coleridge, resideert. Baron Coleridge, niet de meest fijnbesnaarde man, laat de ‘little bookworm’ de nodige plagerijen ondergaan, maar geeft haar uiteindelijk toegang tot de bibliotheek van zijn huis. En daar ontdekt Coburn wat je zou kunnen noemen de schat van Chanter’s House: tweehonderd boeken van anderen die door Samuel Taylor van annotaties zijn voorzien, vele brieven en, ten slotte, vijfenvijftig notitieboeken, door de dichter naarstig vol gepend in een tijdsspanne van veertig jaren. Met deze ontdekking dringt zich onmiddellijk de gedachte aan een uitgave van de Notebooks op, zodat ook het Gutch Notebook weer onder de aandacht komt. Coburn neemt deze titanentaak op zich en brengt de Notebooks tussen 1957 en 1990 uit. Tien kloeke boeken: vijf delen tekst en vijf delen met annoties – zie hier een van de grote werken die Coleridge voor elkaar heeft gekregen. En ditmaal zal de transcriptie vna het Gutch Notebook meer adequaat zijn.
Coburn heeft de sfeer waarin het Gutch Notebook gebruikt werd goed aangevoeld. Die sfeer was er een van verwachting. ‘Of the three notebooks extant that were in use before or during the composition of the great poems, the Gutch book provides the richest ore for this particular period. For this reason, and because its entries are so elusively short, the annotations here are the longest and most elaborate. The Gutch book is largely a work-book, in a sense that later books are not; and more to observations, statements and arguments. In the Gutch book the entries still point to the future, the tragic suspicion of self-defeat having not yet inflicted its paralyzing discouragement.’ (The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge. Edited by Kathleen Coburn. Volume 1, 1794 – 1804. Notes.’ New York, 1957, p. xx).
© 2013 Leo van der Sterrren
Labels:
Gutch Notebook,
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
woensdag 9 januari 2013
Coleridges 'Notebooks' 9
‘The midnight-wild beasts staring at the Hunter’s Torch/or when the Hunter sees the Tyger’s eye glaring in the red light of his own Torch/–’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume III. 1808 – 1819. Text. Lemma 3770.
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume III. 1808 – 1819. Text. Lemma 3770.
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
zaterdag 29 september 2012
Coleridges ‘Notebooks’ 8
‘Christmas day. Received the Sacrament – for the first time since my first year at Jesus College/ Christ is gracious even to the Laborer that cometh to his Vineyard at the eleventh hour – 33 years absent from my Master’s Table/ – – Yet I humbly hope that spiritually I have fed on the Flesh & Blood the Strength and the life of the Son of God in his divine Humanity, during the latter years–. The administration & Communion Service of our Church is solemn & affecting – & very far to be preferred both to the Romish, which may excite awe & wonder in such as believe the real transmutation of the Bread & Wine, but assuredly no individual comfort or support – and to the few among our Dissenters who practice what to the shame of our Church the great majority of our Clergymen teach – & cold and flat the ceremonial is – as how can it be otherwise, when the Eucharist is considered as a mere and very forced metaphor for the mere purpose of reminding the Partakers of a single event, the sensible crucifixion of Jesus?
– and without any connection with that most vital mystery revealed in John VI, of which the Eucharist is at once Symbol & instance! – Compared with either the Romish or the Dissenting Service our’s is a subject of gratitude with me – Yet I cannot but think it capable of great improvement, both for the impression on the affections & for edification in knowlege – & it’s being disjoined from the Love-supper, I think a great misfortune/ – But this is a necessary consequence of a sterile National Church – i.e., a National Church that is merely such, instead of comprehending a Christian Church in it’s inmost concentric circle.’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume V. 1827 – 1834. Text. Lemma 5703.
– and without any connection with that most vital mystery revealed in John VI, of which the Eucharist is at once Symbol & instance! – Compared with either the Romish or the Dissenting Service our’s is a subject of gratitude with me – Yet I cannot but think it capable of great improvement, both for the impression on the affections & for edification in knowlege – & it’s being disjoined from the Love-supper, I think a great misfortune/ – But this is a necessary consequence of a sterile National Church – i.e., a National Church that is merely such, instead of comprehending a Christian Church in it’s inmost concentric circle.’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume V. 1827 – 1834. Text. Lemma 5703.
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
maandag 18 juni 2012
Coleridges Notebooks 7
‘Of my Mahometan Superstition – dread as to the destruction of Paper, I am almost ashamed to confess to myself, waht pulling back of Heart I feel whenever I wish to light a candle or kindle a fire with a Hospital or Harbour Report/and what a cumulus lie upon my Table, I am not able to conjecture what use they can ever be, and yet trembling lest what I thus destroyed might be of some use, in the way of knowledge. This seems the excess of a good feeling; but it is ridicilous. Monday, Feb. 11, 1805.’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2446.
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2446.
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
zondag 22 april 2012
Coleridges ‘Notebooks’ 6
In haar biografie getiteld ‘Perdita/Royal mistress, writer, romantic’, over de Engelse actrice, courtisane en schrijfster Mary ‘Perdita’ Robinson (1757 – 1800) die gedurende de laatste maanden van haar leven korte tijd bevriend was met Coleridge, typeert Sarah Gristwood Coleridges houding ten opzichte van vrouwen en seksualiteit als volgt: ‘Coleridge was simultaneously fascinated and appalled by female sexuality.’ Gristwood suggereert vervolgens dat Mary Robinson exact aan dat beeld voldeed en dat Coleridge om die reden (en niet vanwege haar poëzie, want zo goed was die nu ook weer niet en dat zag Coleridge ook wel in) door Robinson gefascineerd werd. Haar bestaan kenmerkte zich immers door het feit dat zij zich bewogen had tussen twee uitersten: zij belichaamde zowel de ‘high-class tart’ als de (naar het feminisme neigende) pre-Victoriaanse ‘bluestocking’. Overigens is datgene wat Gristwood in haar treffende volzin kernachtig samenvat, door Norman Fruman uitvoerig beschreven in het laatste, huiveringwekkende deel van zijn Coleridge-gehaktmalerij ‘The damaged archangel’.
In oktober 1802 pent Coleridge – dan al een nachtmens die in de stille uren dat alle andere mensen slapen, hele bibliotheken verslindt en de meest uiteenlopende kwellingen ondergaat – de volgende notitie in notebook 21 neer die illustreert dat het vrouwelijke geslacht bij hem reacties kon uitlokken die niet helemaal of zelfs helemaal niet volgens normale patronen verliepen.
‘October 3 – Night – My Dreams uncommonly illustrative of the non-existence of Surprize in sleep – I dreamt that I was asleep in the Cloyster at Christs Hospital & (had) awoken with a pain in my hand from some corrosion/boys & nurses daughters peeping at me/ On their implying that I was not in the School, I answered yes I am/I am only twenty – I then recollected that I was thirty, & of course could not be in the School – & was perplexed – but not the least surprize that I could fall into such an error/ So I dreamt of Dorothy, William & Mary – & that Dorothy was altered in every feature, a fat, thick-limbed & rather red-haired – in short, no resemblance to her at all – and I said, if I did not know you to be Dorothy, I never should suppose it/ Why, says she – I have not a feature the same/ & yet I was not surprized –
I was followed up & down by a frightful pale woman who, I thought, wanted to kiss me, & had the property of giving a shameful Disease by breathing in the face/
& again I dreamt that a figure of a woman of a gigantic Height, dim & indefinite & smokelike appeared – & that I was forced to run toward it – & then it changed to a stool – & then appeared again in another place – & again I went up in great fright – & it changed to some other common thing – yet I felt no surprize.’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. 1794 – 1804. Text. Lemma 1250.
Als na de dood van Mary Robinson in december 1800 haar dochter, Maria Elizabeth Robinson, bij Coleridge het verzoek neerlegt om een gedicht van hem in een bloemlezing, getiteld ‘The wild wreath’, ter nagedachtenis aan haar moeder op te mogen nemen, weigert hij dat: hij wil zich niet publiekelijk associëren met een vrouw die zich in haar latere leven ontpopt had als een verdienstelijke schrijfster en toonbeeld van deugdzaamheid, maar die eerder in haar turbulente bestaan een twijfelachtige reputatie had opgebouwd. Gedurende enige jaren viel Mary Robinson niet weg te branden uit de kranten en van de spotprenten. Zij was beroemd als actrice en berucht als courtisane en minnares van (onder anderen) de dan nog minderjarige Prince of Wales. Dat leverde haar invectieven op die haar nog lang bleven aankleven, zoals ‘mercenary strumpet’ en ‘royal harlot’ (zie Uitpost Kephala van 31 maart 2012).
In een lange, enigszins hysterische brief uit 1802 aan dochter Robinson legt Coleridge omstandig uit waarom hij geen gevolg kan geven aan haar verzoek. ‘Your Mother had indeed a good, a very good, heart – and in my eyes, & in my belief, was in her latter life a blameless Woman.’ In haar latere leven viel Mrs. Robinson niets te verwijten, zegt Coleridge, maar in de tijd daarvoor dus wel, dat is het wat hij – die op dat moment in zijn bestaan ideologisch op weg is van radicaliteit naar een keurigheid die soms naar het kleinburgerlijke doorslaat – hier impliceert. Desondanks wordt in ‘The wild wreath’ het gedicht ‘The mad monk’ van hem opgenomen. Dus hetzij Coleridge heeft naderhand alsnog toestemming gegeven, hetzij Maria Elizabeth Robinson heeft zijn weigering eenvoudigweg genegeerd.
Overigens was Coleridge niet de enige die zich na de dood van Mary Robinson van de voormalige beruchte courtisane distantieerde. Na de frivole laatste decennia van de achttiende eeuw begon Engeland op moreel gebied langzamerhand te veranderen, als het ware anticiperend op de morele strengheid van tijdens de regering van de koningin wiens naam voor altijd verbonden is met een groot deel van de negentiende eeuw, maar wiens geboorte pas zeventien jaar na 1802 zou plaatsvinden, een strengheid die overigens niet verhinderen kon dat mensen zich volop aan allerlei uitspattingen bleven overgeven – het moest alleen nog meer dan vroeger in het geheim plaatsvinden.
© 2012 Leo van der Sterren
In oktober 1802 pent Coleridge – dan al een nachtmens die in de stille uren dat alle andere mensen slapen, hele bibliotheken verslindt en de meest uiteenlopende kwellingen ondergaat – de volgende notitie in notebook 21 neer die illustreert dat het vrouwelijke geslacht bij hem reacties kon uitlokken die niet helemaal of zelfs helemaal niet volgens normale patronen verliepen.
‘October 3 – Night – My Dreams uncommonly illustrative of the non-existence of Surprize in sleep – I dreamt that I was asleep in the Cloyster at Christs Hospital & (had) awoken with a pain in my hand from some corrosion/boys & nurses daughters peeping at me/ On their implying that I was not in the School, I answered yes I am/I am only twenty – I then recollected that I was thirty, & of course could not be in the School – & was perplexed – but not the least surprize that I could fall into such an error/ So I dreamt of Dorothy, William & Mary – & that Dorothy was altered in every feature, a fat, thick-limbed & rather red-haired – in short, no resemblance to her at all – and I said, if I did not know you to be Dorothy, I never should suppose it/ Why, says she – I have not a feature the same/ & yet I was not surprized –
I was followed up & down by a frightful pale woman who, I thought, wanted to kiss me, & had the property of giving a shameful Disease by breathing in the face/
& again I dreamt that a figure of a woman of a gigantic Height, dim & indefinite & smokelike appeared – & that I was forced to run toward it – & then it changed to a stool – & then appeared again in another place – & again I went up in great fright – & it changed to some other common thing – yet I felt no surprize.’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. 1794 – 1804. Text. Lemma 1250.
Als na de dood van Mary Robinson in december 1800 haar dochter, Maria Elizabeth Robinson, bij Coleridge het verzoek neerlegt om een gedicht van hem in een bloemlezing, getiteld ‘The wild wreath’, ter nagedachtenis aan haar moeder op te mogen nemen, weigert hij dat: hij wil zich niet publiekelijk associëren met een vrouw die zich in haar latere leven ontpopt had als een verdienstelijke schrijfster en toonbeeld van deugdzaamheid, maar die eerder in haar turbulente bestaan een twijfelachtige reputatie had opgebouwd. Gedurende enige jaren viel Mary Robinson niet weg te branden uit de kranten en van de spotprenten. Zij was beroemd als actrice en berucht als courtisane en minnares van (onder anderen) de dan nog minderjarige Prince of Wales. Dat leverde haar invectieven op die haar nog lang bleven aankleven, zoals ‘mercenary strumpet’ en ‘royal harlot’ (zie Uitpost Kephala van 31 maart 2012).
In een lange, enigszins hysterische brief uit 1802 aan dochter Robinson legt Coleridge omstandig uit waarom hij geen gevolg kan geven aan haar verzoek. ‘Your Mother had indeed a good, a very good, heart – and in my eyes, & in my belief, was in her latter life a blameless Woman.’ In haar latere leven viel Mrs. Robinson niets te verwijten, zegt Coleridge, maar in de tijd daarvoor dus wel, dat is het wat hij – die op dat moment in zijn bestaan ideologisch op weg is van radicaliteit naar een keurigheid die soms naar het kleinburgerlijke doorslaat – hier impliceert. Desondanks wordt in ‘The wild wreath’ het gedicht ‘The mad monk’ van hem opgenomen. Dus hetzij Coleridge heeft naderhand alsnog toestemming gegeven, hetzij Maria Elizabeth Robinson heeft zijn weigering eenvoudigweg genegeerd.
Overigens was Coleridge niet de enige die zich na de dood van Mary Robinson van de voormalige beruchte courtisane distantieerde. Na de frivole laatste decennia van de achttiende eeuw begon Engeland op moreel gebied langzamerhand te veranderen, als het ware anticiperend op de morele strengheid van tijdens de regering van de koningin wiens naam voor altijd verbonden is met een groot deel van de negentiende eeuw, maar wiens geboorte pas zeventien jaar na 1802 zou plaatsvinden, een strengheid die overigens niet verhinderen kon dat mensen zich volop aan allerlei uitspattingen bleven overgeven – het moest alleen nog meer dan vroeger in het geheim plaatsvinden.
© 2012 Leo van der Sterren
zondag 15 april 2012
Coleridges ‘Notebooks’ 5
‘What a beautiful Thing Urine is, in a Pot, brown yellow, transpicuous, the Image, diamond shaped of the of the Candle in it, especially, as it now appeared, I having emptied the Snuffers into it, & the Snuff floating about, & painting all-shaped Shadows on the Bottom.’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. 1794 – 1804. Text. Lemma 1766.
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. 1794 – 1804. Text. Lemma 1766.
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
donderdag 8 maart 2012
Coleridges ‘Notebooks’ 4
Het volgende citaat uit de Notebooks van Samuel Taylor Coleridge staat vooral bekend om de volzin ‘the spiritual platonic, old England’ die tot een gevleugeld woord is uitgegroeid. Coleridge, gelovige met twijfels, verwoordt in deze passage zijn afkeer van het verlichte, rationele, empirische Engeland van de achttiende eeuw, het Engeland van Locke, Hume, Pope, Johnson en Darwin (waarmee overigens niet Charles wordt bedoeld maar diens grootvader Eramsus). En hij drukt zijn hunkering uit naar het Engeland van zijn ideaalbeeld, gekenmerkt door een spiritualiteit die in zijn beleving voorgoed tot de verleden tijd behoorde.
‘Schiller disgusted with Kotzebueisms deserts from Shakespere. What? cannot we condemn a counterfeit, & yet remain admirers of the Original? This is a sufficient Proof, that the first Admiration was not sound, or founded on slund distinct perceptions/it was a sound feeling, but cloathed & manifested to the consciousness by false Ideas. And now the French Stage, is to be re-introtuced/O Germany! Germany! – Why this endless Rage of Novelty! Why, this endless Looking-out of thyself? – But stop! let me not fall into the Pit, I was about to warn others of – let me not confound the discriminating character & genius of a nation with the conflux of its individuals, in Cities & Reviews/Let England be Sir P. Sidney, Shakespere, Spenser, Milton, Bacon, Harrington, Swift, Wordsworth, and never let the names of Darwin, Johnson, Hume, furr it over! – If these too must be England, let them be another England/ – or rather let the first be old England, the spiritual platonic, old England/& the second with Locke at the head of the Philosophers & Pope of the poets, with the long list of Priestleys, Paleys, Hayleys, Darwins, Mr Pitts, Dundasses, &c &c be representative of commercial G. Britain/ these have their merits, but are as alien to me, as the Mandarin Philosophers & Poets of China/even so Leibniz, Lessing, Voss, Kant, shall be Germany to me, let whatever Coxcombs rise up, & shrill it away in the Grasshopper-vale of reviews/and so shall Dante, Ariosto, Giordano Bruno, be my Italy/Cervantes my Spain/and o! that I could find a France for my Love/but ah! spite of Paschal, Madame Guyon and Moliere France is my Babylon, the Mother of Whoredoms in Morality, Philosophy, Taste/the French themselves feel a foreignness in these Writers/How indeed is it possible at once to love Paschal, & Voltaire?’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2598.
© 2012 Leo van der Sterren
‘Schiller disgusted with Kotzebueisms deserts from Shakespere. What? cannot we condemn a counterfeit, & yet remain admirers of the Original? This is a sufficient Proof, that the first Admiration was not sound, or founded on slund distinct perceptions/it was a sound feeling, but cloathed & manifested to the consciousness by false Ideas. And now the French Stage, is to be re-introtuced/O Germany! Germany! – Why this endless Rage of Novelty! Why, this endless Looking-out of thyself? – But stop! let me not fall into the Pit, I was about to warn others of – let me not confound the discriminating character & genius of a nation with the conflux of its individuals, in Cities & Reviews/Let England be Sir P. Sidney, Shakespere, Spenser, Milton, Bacon, Harrington, Swift, Wordsworth, and never let the names of Darwin, Johnson, Hume, furr it over! – If these too must be England, let them be another England/ – or rather let the first be old England, the spiritual platonic, old England/& the second with Locke at the head of the Philosophers & Pope of the poets, with the long list of Priestleys, Paleys, Hayleys, Darwins, Mr Pitts, Dundasses, &c &c be representative of commercial G. Britain/ these have their merits, but are as alien to me, as the Mandarin Philosophers & Poets of China/even so Leibniz, Lessing, Voss, Kant, shall be Germany to me, let whatever Coxcombs rise up, & shrill it away in the Grasshopper-vale of reviews/and so shall Dante, Ariosto, Giordano Bruno, be my Italy/Cervantes my Spain/and o! that I could find a France for my Love/but ah! spite of Paschal, Madame Guyon and Moliere France is my Babylon, the Mother of Whoredoms in Morality, Philosophy, Taste/the French themselves feel a foreignness in these Writers/How indeed is it possible at once to love Paschal, & Voltaire?’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2598.
© 2012 Leo van der Sterren
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
zondag 26 februari 2012
Coleridges Notebooks 3
‘Modern Poetry characterized by the Poets ANXIETY to be always striking – The same march in the Greek & Latin Poets/Claudian, who had powers to have been any thing – observe in him the anxious craving Vanity! every Line, nay, every word stops, looks full in your face, & asks & begs for Praise. A Chinese Painting no distances no perspective/all in the fore-ground/and this is all Vanity. I am pleased that when a mere Stripling I had formed the opinion, that true Taste, was Virtue – & that bad writing was bad feeling.’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2728.
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume II. 1804 – 1808. Text. Lemma 2728.
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
maandag 13 februari 2012
Coleridges Notebooks 2
In de hete zomer van 1828 reizen Samuel Taylor Coleridge, William Wordsworth en diens dochter Dora door België (dat dan deel uitmaakt van Nederland), het Duitse Rijnland en Nederland. In Nederland bezoeken ze Nijmegen, Utrecht, Amsterdam, Haarlem, Leiden, Den Haag en Rotterdam. Tijdens of vlak na de reis per boot van Rotterdam naar Antwerpen, krabbelt Coleridge de volgende tekst in het notebook dat hij bij zich heeft.
‘Assuredly, I have been seldom more agreeably disappointed than in the voyage per Steam-boat from Rotterdam to Antwerp – for the first two or three hours on the Maas
Water and Windmills, Greenness, Islets Green,
Willows whose trunks beside the shadow stood
Of their own higher half, and willowy swamps,
Farm-houses that at anchor seemed & ‹on the› inland sky
The fog-transfixing Spires –
Water, wide water, greenness & green banks
And water seen ⌐... ¬’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume V. 1827 – 1834. Text. Lemma 5922.
© 2012 Leo van der Sterren
‘Assuredly, I have been seldom more agreeably disappointed than in the voyage per Steam-boat from Rotterdam to Antwerp – for the first two or three hours on the Maas
Water and Windmills, Greenness, Islets Green,
Willows whose trunks beside the shadow stood
Of their own higher half, and willowy swamps,
Farm-houses that at anchor seemed & ‹on the› inland sky
The fog-transfixing Spires –
Water, wide water, greenness & green banks
And water seen ⌐... ¬’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume V. 1827 – 1834. Text. Lemma 5922.
© 2012 Leo van der Sterren
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
maandag 6 februari 2012
Coleridges Notebooks 1
‘When no criticism is pretended to, & the Mind in its simplicity gives itself up to a Poem as to a work of nature, Poetry gives most pleasure when only generally & not perfectly understood.’
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. Text. Lemma 383.
Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. Text. Lemma 383.
Labels:
Notebooks,
Samuel Taylor Coleridge
Abonneren op:
Reacties (Atom)