donderdag 31 oktober 2013

Feuilleton: Wamoete 3



De ochtend na het drinkgelag, dat zo uit de hand was gelopen dat het mythische dimensies zou krijgen, struinde Rein Rambachts, bijgenaamd Ruftenrein omdat hij van waswater walgde en nooit zijn kleren verschoonde als gevolg waarvan hij stonk als de twee weken oude inhoud van de kar van een schillenboer, door de velden waar het koren goudkleurig blonk bij het bos van Wamoete op een steenworp afstand van het machtige moeras waar de rusteloze doden doolden. Hij had een kater van hier tot ginder (hij had in de buitenlucht moeten blijven, gisteren bij Moens zijn bierhal – men had bruusk geweigerd hem binnen te laten vanwege de stank die zijn lichaam verspreidde) en stommelde met een kop die hij als een jongleur vervaarlijk op zijn nek moest balanceren over het droge veld. Het beloofde opnieuw een aartswarme dag te worden, zo’n dag dat de drukkende hitte tot wrede voosheid dreef. Hoewel het nog geen negen uur was heerste de zon reeds als een onaantastbare tiran. Schaduwen waren schaars. Pogingen om afkoeling te vinden leken bij voorbaat vergeefse ondernemingen. Er woei geen wind. Het koren stond er broos en stokstijf bij.

Zweetdruppels als ongeslepen regenbogen parelden op het lage voorhoofd van Ruftenrein. Zijn haveloze, gore hemd was doorweekt. Zijn voeten dreven in het lichaamsvocht dat in zijn schoenen was gesijpeld. En toen deed er zich een wonderlijk incident voor. Ruftenrein werd zich in een ogenblik van wat bij een mens met verstand als verstandsverbijstering te benoemen viel, de stank gewaar die zijn eigen lichaam uitwasemde. En toen bezondigde hij zich aan een handeling die hem nog nooit overkomen was en die eigenlijk ook wel een beetje decadent of pervers, maar in elk geval heel ongewoon was. Hij stak zijn neus zover als hij kon in de richting van een van zijn oksels, die geheime enclaves die een bijna zichtbare stank produceerden, zo penetrant en megalomaan was zij. Ruftenrein wist niet wat hij rook. De stank had dezelfde uitwerking als een vuistslag. En spontaan ging Ruftenrein van zijn stokje.

Maar zijn val werd niet gebroken door het koren. En hij belandde niet in het zand. Hij kwam op iets anders terecht. Een voorwerp dat hard en stijf aanvoelde. En koud! Akelig koud in deze hitte! Niet zonder moeite wist hij zich aan zijn bezwijming te ontworstelen en de ogen te openen waarop hij een dierlijke kreet van afgrijzen slaakte. Hij keek in twee doffe, dode ogen die leken te zijn ingelegd in een bed van bloed. En hij keek in een gapend rood gat dat een mond geweest moest zijn. En in die mond stak iets, een voorwerp dat hij herkende maar niet plaatsen kon – niet daar! Hernieuwde kracht uit zichzelf peurend veerde hij op, een hartverscheurend gehuil voortbrengend, als van een gewonde wolf. Vliegensvlug kwam hij bij zinnen en sloeg alarm in Wamoete dat vandaag eigenlijk geen poeha en gedoe kon hebben omdat het daarvoor veel te heet was.

Burgemeester Patterjé, pastoor Peels, veldwachter Philipsen, bijgenaamd Prolsnor, en onderwijzer Pospoom beenden in het kielzog van de onwelriekende Ruftenrein naar de plek des onheils, ondanks de verlammende weersgesteldheid gevolgd door nagenoeg de complete dorpsbevolking. Omringd door een van afgrijzen sidderende kring van dorpsbewoners namen de vier P’s het levenloze en ontklede lijk in ogenschouw, daar in dat goudgele korenveld bij de zoom van het bos van Wamoete op een steenworp afstand van het machtige moeras met zijn geesten en spoken en dwaallichten die al menig troubadour tot briljante ballades geïnspireerd hadden. Burgemeester Patterjé sprak zijn afgrijzen uit: ‘quelle camelote!’ Pastoor Peels sloeg een kruis ten einde zijn onbegrip te ventileren, hij sloeg het gehaast alsof hij een vlieg wegjoeg die irritant rond zijn hoofd kringelde. ‘Pater dimitte, illis non enim sciunt quid faciunt,’ declameerde hij vervolgens op dramatische toon. En toen: ‘meos circa lumbos mica, o castitatis lorica.’ Veldwachter Philipsen, bijgenaamd Prolsnor, fronste zijn wenkbrauwen, streek door zijn martiale snor en gromde somber. Onderwijzer Pospoom schudde zijn radeloze hoofd. ‘Le loup criait sous les feuilles,’ mompelde hij verwezen.

Niet alleen had de dader het slachtoffer ontkleed, maar het lijk was met een riek dwars door de nek aan de grond gespietst. Van de riek was de steel afgebroken, zoveel kracht had de dader klaarblijkelijk gebruikt toen hij het werktuig in de nek van het slachtoffer had gedreven. De dode lag op een soort bed van stro en diens gezicht was dermate verminkt dat identificatie op basis daarvan uitgesloten leek te zijn. De hoofdhuid was in feite volledig van de schedel afgestroopt. Daar waar zijn tong behoorde te zitten prijkte zijn geslachtsdeel, dat provocerend en komiek uit de open mond stak. Daar waar zijn penis hoorde te zitten hing zijn tong, vastgeplakt aan het geronnen bloed. Er lagen glasscherven rond het lijk die onder het bloed zaten en die door de dader kennelijk als mes waren gebruikt om de genoemde chirurgische handelingen mee te verrichten. Zijn schedel van het slachtoffer was volledig verbrijzeld, kennelijk met de deegrol die op enige afstand van het lijk werd aangetroffen. De deegrol zag zwart van het gedroogde bloed en naderhand bleek dat er heuse deuken in het hout zaten.

In opdracht van de veldwachter verliet de onderwijzer de plaats van de misdaad ten einde de dokter in Schoemele te bellen met het verzoek om zich in Wamoete te melden. Een klein half uur later gaf de dokter acte de présence in zijn auto, achterna gehold door een hele horde opgewonden, smerige kinderen, en vaardigde, nadat hij het lijk één gezwinde blik vol minachting en walging waardig had gekeurd, de doodsverklaring uit. De medicus liet echter niet na om te laten merken hoe weerzinwekkend hij de hele toestand vond: de staat van verminking van het lijk, het domme gepeupel, de paap, de stank van Ruftenrein en de abnormale hitte. Maar het ontzielde lichaam diende nog verwijderd te worden. Na enige redetwisten wezen de overige notabelen de dokter aan als degene die de riek diende te verwijderen waarmee de overledene vast zat aan de grond, een goor werkje waar de dokter begrijpelijkerwijs weinig zin in had. Maar hij bekleedde nu eenmaal het ambt van medicus, dus kon hij er moeilijk onderuit komen. Met afgewend gezicht sjorde hij het stuk riek uit de nek van het slachtoffer. Zuchtend en blazend gooide hij het werktuig op de grond. ‘Bah,’ riep hij uit terwijl hij een te kleine oude lap over het lijk drapeerde.

De vier P’s selecteerden vier vrijwilligers uit het publiek om het lichaam op te tillen en op een brancard te leggen. Toen de vier het lijk van de grond aftilden, klonk er plots een ijzige kreet die door merg en been sneed. De kreet werd geslaakt door Jetje Veugen die terstond bezwijmde. Gealarmeerd door die gil dromde de dorpsbevolking nog verder samen rond het viertal dat het lijk op een meter boven de grond hield, verlamd door de consternatie. Opnieuw slaakte iemand een hartverscheurende schreeuw. Sien bijgenaamd de Appel stortte ter aarde. En Struise Stina en haar dochter Soera eveneens, ten prooi vallend aan een soort epileptische aanval. En her en der begonnen meiden en wijven te snikken en te grienen. De oorzaak van alle commotie, zo bleek, was gelegen in een artefact dat halverwege de nek van de dode en de grond aan een koord naar beneden bungelde en dat niet eerder zichtbaar was geweest omdat het ontzielde lijf er bovenop had gelegen. Het zonlicht weerkaatste op de rode edelsteen. ‘Het wonderding van Praterke,’ stootte Mutske van Lijshout snikkend uit. ‘Het andere wonderding,’ vulde Klazien verwezen maar niettemin niet zonder ontzag aan, zich prompt realiserend dat het wonderding waar zij op doelde geen wonderen meer zou verrichtten.

De wrede moord op Praterke (dat het Praterke betrof werd bevestigd door de vondst van zijn bril vlak bij het lijk) ging gepaard met meer alarmerende omstandigheden. Zo kwam de dagloner Jeu Goumans, bijgenaamd Stokker, die avond niet thuis en de dagen daarop ook niet hetgeen zijn echtgenote, de Struise Stina, noopte tot het doen van aangifte van vermissing. De om de vermoorde Praterke in een hysterische rouw gedompelde Struise Stina, de mooiste en qua fysiek veruit aantrekkelijkste vrouw van Wamoete en de wijde omstreken, en haar dochter Soera, de mooiste jonge deerne uit het zuiden van het vaderland, werden zozeer extra aangegrepen door de verdwijning van hun man en vader dat men vreesde voor hun verstand. Maar ook andere vrouwen bleken overmand door verdriet. En de volgende dag bleek dat Scheve Zeik eveneens spoorloos verdwenen was. Als van de aardbodem weggevaagd. Maar eerlijk is eerlijk, Scheve Zeik werd heel wat minder gemist.

Omwille van de erbarmelijke toestand van de stoffelijke resten en het warme weer werd het ontzielde lichaam van Praterke twee dagen nadat men het gevonden had, ter aarde besteld in een goedkope kist van twijfelachtige kwaliteit tijdens wat een provisorische, maar daarom niet minder indrukwekkende begrafenis was. Het lijk was zo goed mogelijk opgelapt en uit piëteit en ten behoeve van een eventuele toekomstige identificatie had men de magische talisman om de nek laten hangen. Van heinde en verre waren de in hun paasbest getooide mensen samengestroomd bij de kerk van Wamoete. In een bomvol en snikheet godshuis hield pastoor Peels het requiem voor de overledene. En op de begraafplaats speelden zich opnieuw hartverscheurende taferelen af. Vooral de meiden en wijven baarden opzien. Zij lieten zich zozeer gaan dat de mannen elkaar verbaasd aanzagen en zich afvroegen of de Praterke die hier begraven werd wel de Praterke was die zij gekend hadden, in de kroegen in de dorpen, hier in het uiterste zuiden van de mooie, brave provincie in het zuiden van ons mooie, brave vaderland. Hoe dan ook, Mina, dochter van slager Zwevel uit Mamdel, Sika Strunks uit Savvelstrum, Bertie Brugge uit Den Beemd, Sien bijgenaamd de Appel uit Wamoete, alle vrouwen en meisjes strompelden in een dichte waas van apathie rond alsof een oneindig ongeluk hen getroffen had.

Op de derde dag na de begrafenis van Praterke, schortten de meiden en wijven in Wamoete hun rouwbeklag plotsklaps op. En gedurende de dagen daarop ebde de stemming van treurnis die in de omgeving van Wamoete heerste, geleidelijk in zijn geheel weg. Plotseling straalden de deernen en wijven een sereniteit uit die wel erg schril contrasteerde met de wanhopige gemoedstoestand van voorheen. Een inwendig plezier, geen gewoon plezier, maar een extatisch plezier maakte dat ze over de grond leken te zweven alsof de Heilige geest in hen was neergedaald. De mannen, toch al geen lichten van empathie, begrepen het nu echt niet meer. Deze onvoorspelbaarheid boezemde angst in. En ofschoon zij geen teken van leven van man en vader vernomen had, leken zelfs Struise Stina en haar prachtige dochter Soera, die bijou van het uiterste zuiden van de zuidelijke provincie van ons zuinige maar gezegende vaderland, ineens genezen te zijn van de gekte die om hen heen had gehangen als een zwerm bijen om de korf.

Wordt vervolgd.

© 2013 Leo van der Sterren

Geen opmerkingen:

Een reactie posten