Posts tonen met het label fictie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fictie. Alle posts tonen

zaterdag 9 november 2013

In memoriam Elizabeth Reed



‘Godverdomme, wat een bezoeking!’ De limiet aan wat een mens warmtematig kon verdragen, deed zich gelden, zelfs als je het grootste deel van je leven in Florida had gewoond en je wel het een en ander gewend was. De gedachte dat er aan de hitte niet te ontsnappen viel, had iets beklemmends, had bijna hetzelfde effect als een langzame, maar zekere wurging. Ja, zo voelde het aan. Het deed hem denken aan een nachtmerrie waar geen einde aan wil komen. Synchroon met de beproeving van de gesteldheid van de atmosfeer was er bovendien de melodie die in zijn hoofd rondtolde en die zich niet liet bezweren. Maar, zo hield Forrest Richard Betts zich voor, je moest dat soort van gedachten meteen uitbannen, anders zadelde je jezelf met de kippenzenuwen op.

Forrest Richard Betts, roepnaam Dickey, rechtte zijn rug. Hij keek naar links en rechts. Op de Riverside Drive heerste druk verkeer. En dat op een doordeweekse dag. Hij merkte dat menige automobilist hem observeerde. Hij wist, gewoon omdat hij het wist, dat vooral vrouwen een oogje op hem lieten vallen – de vrouwen in deze streken konden zich zowel in woorden als in daden zo grenzeloos ongeremd geven vanachter hun kanten façades van protestants fatsoen en pastorale fijnheid, daar had je soms geen idee van. Seksueel geteisem, dat was het. En dat in van die nachten die schiftten van de broeierigheid. Hij mocht dan weliswaar maar drie turven tellen, maar hij zag er wel degelijk stoer uit. Hij oogde als een tot zwerven gedoemde ex-kapitein van een geconfedereerde militie met zijn witte westerse hoed, zijn lange haar, zijn martiale snor en zijn potverdommetje. Ja, en dan droeg hij ook nog een Spaanse gitaar en een ransel op zijn rug. Dat completeerde het zorgvuldig gecultiveerde imago van veteraan, vagant, vrijbuiter, vagebond. ‘Ho, beau!’

Hij stak het asfalt en het gras van een parkje over. Hij passeerde het pompeuze witte bouwsel met de boog erin die ingang tot de Rose Hill begraafplaats bood en liep de Central Avenue op die licht naar boven liep. De snelweg op de dodenakker. De boulevard van uitgebluste dromen. De allee van de verwelkte hoop. De begraafplaats mocht met recht uitgestrekt genoemd worden. Links en rechts strekten de glooiende velden met zerken, praalgraven en ommuurde terrassen zich uit. Veel prominente doden hadden hier hun laatste rustplaats gevonden. En het wemelde van de gesneuvelden uit de Burgeroorlog. De eerste generatie slachtoffers van een genetische kwetsuur die nimmer helen zou.

Na enkele honderden meters afgelegd te hebben, helde de weg naar beneden. De spoorlijn werd zichtbaar, onopvallend maar niet minder misplaatst. Daarachter stroomde tussen oude bomen de rivier de Ocmulgee. Dickey Betts stapte over de rails heen en slenterde naar de rivier. De aanblik van het water dat, geflankeerd door kromme knoestige wachters, traag in de bedding kabbelde, bracht geen verkoeling, zelfs niet voor even en zelfs niet virtueel, in de verbeelding. Maar de Ocmulgee droeg niet voor niets ‘Ol’ muddy’ als bijnaam. Met hun neus bijna boven op het wateroppervlak hielden de wachters die zich op de oever geposteerd hadden, de rivier in de gaten. De rivier schonk leven aan wat dood was, maar de wachters dienden te verhinderen dat de rivier leven aan de doden gaf. Dat de rivier het vehikel werd waardoor de doden in hun uur van pseudoleven konden ontsnappen om zich elders te manifesteren.

Dickey Betts stapte terug over de spoorbaan en sloeg rechtsaf het kerkhof op. Aan zijn linkerzijde lagen in een ommuurd perceel twee terrassen, het achterste iets hoger dan het voorste terras. Daar om heen stonden bomen. De broertjes en Dickey hadden dit paradijsje officieel uitgeroepen tot hun favoriete hangplek. Hier zaten ze vaak te jammen, ook omdat de akoestiek er zo goed was. Het leek wel een hemelbed met het overhangende bladerdek van de bomen als baldakijn. Het hoger gelegen terras bood een maagdelijke aanblik, maar in het voorste lagen vier grote grafstenen en twee kleine plaquettes. De Napier-kavel. Hier resideerden enkele overleden Napiers. In het meest linkse graf was Briggs Hopson Napier bijgezet. Die kende Dickey intussen wel. Hij had enige informatie ingewonnen. Briggs Hopson (22 november 1838 – 11 april 1895) had als kapitein in de Georgia light artillery gediend. Hij had in 1864, toen de oorlog zich verplaatst had naar het zuiden en de soldaten van Georgia op hun eigen grondgebied slag moesten leveren, bij Cheaptree Creek, enkele kilometers ten noorden van Atlanta, zodanige verwondingen aan zijn rechter been opgelopen dat de doktoren geen andere uitweg zagen dan amputatie. Met de kanttekening dat de chirurgijns in die turbulente tijden al heel snel voor die specifieke oplossing kozen. Het afzagen van kapot geschoten of geïnfecteerde ledematen was regel, geen uitzondering.

Dickey Betts schoof de gitaar en de ransel van zijn schouder en drapeerde die voorzichtig in het gras. Hij ging op de bovenste trede zitten van het trapje dat naar het perceel leidde. De Ocmulgee was nu helemaal aan het zicht onttrokken door het hoge gras en de wachters op de oever. Hij diepte The Telegraph uit de ransel en begon die door te bladeren. Het altijd eendere en dus altijd oude nieuws van de oorlog in Vietnam. De nasleep van de orkaan Camille die in het zuiden meer dan tweehonderd slachtoffers had geëist, maar die Macon had gespaard, al had het ook in Georgia gespookt. De politie van Los Angeles tastte nog volledig in het duister met betrekking tot de moord op Sharon Tate en vier andere mensen die in of bij het huis van Polanski en Tate geweest waren. Men veronderstelde dat de moord een rituele achtergrond had. Een offerdaad. Geruchten van orgiën en zwarte missen deden hun rondedans. Hij had er zo zijn twijfels over. Hij had haar gezien in ‘Valley of the dolls’. Op het eerste gezicht een blondje zoals er zoveel waren. Maar er was meer. Die Sharon had de uitstraling van een heuse southern belle bezeten. Een aura van klasse en adel omgaf haar. Welke psychopaat had die daad begaan? Om een hoogzwangere vrouw zo toe te takelen. Een heer uit het zuiden zou zoiets in elk geval nooit over zijn hart verkrijgen. Die toonde respect voor zijn vrouwen, die koesterde ze. De krant zweeg nu over dat festival in Sullivan County, New York, waarover men zoveel ophef had gefabriekt. Meer dan een half miljoen jonge mensen hadden voor chaos gezorgd, een omstandigheid die tegen alle verwachtingen in niet het vreedzame karakter van de happening had verstoord. Zij hadden niet zo’n goede ervaring met festivals. Het circuit hing te veel van goedwillende amateurs aan elkaar. In Atlanta hadden ze niet kunnen optreden omdat de organisatie de boel had verstierd. Maar als ze een uitnodiging zouden hebben ontvangen om daar in Sullivan te spelen, met de wetenschap van vandaag, dan hadden ze dat wat graag gedaan. Ze zouden in een klap wereldfaam hebben gekregen omdat ze de rest van het podium zouden hebben weggespeeld! Love and peace, het zou wat – keiharde competitie, daar ging het om!

Sinds maart maakte hij deel uit van die groep – en hij beschouwde zichzelf uitdrukkelijk als de senior en de inbrenger van gezond verstand van het stel. De verhuizing van Jacksonville naar Macon had aan de oprichting een officieel tintje gegeven. De teerling was geworpen. The Allman Brothers Band. Ze bulkten van de energie en verkeerden voortdurend in een roes, gewoon van de hoge verwachting. Stoned van ambitie. Maar ze vielen in die staat van euforie ook vaak ten prooi aan dronkenschap door spiritualiën. Hoe kon het anders? Ze waren jong! Ze zaten in de bloei van hun leven. Dat moest allemaal gecelebreerd worden. Er dienden zich trouwens meer redenen aan om feest te vieren. Er brak een spannende tijd aan. Hen was een platencontract ten deel gevallen. Bij Atlantic nog wel. Over een paar weken zouden ze in New York de nummers voor hun eerste elpee opnemen. Ze gingen de wereld veroveren.

De naam zei het al. Hij mocht zich dan de meest oude en wijze van het ensemble achten, nominaal maakten de broertjes die de band de naam hadden gegeven, de dienst uit. Zij vormden nu eenmaal een natuurlijke combine ten opzichte van eenlingen en dat gaf wel eens spanningen die de harmonie verstoorden. Maar dat hoorde bij het groepswerk. Concurrentie en competitie werkten op alle niveaus. Tussen groepen onderling zowel als binnen een groep. Ego’s die botsten. Hij was het niet anders gewend en liet zichzelf trouwens verre van onbetuigd. Ook hij had zijn schreden op het componeerpad gezet. Maar de ballotagecommissie, bestaande uit de twee rooie Allmannen, had zijn voortbrengselen tot nu toe steeds afgewezen. Je moest, dat wist hij ook wel, eerst een positie verworven hebben en daarvoor had hij nauwelijks gelegenheid gehad. Je moest gewoon supergoede muziek schrijven, die opdracht had hij zichzelf toebedeeld. En dat in drukke, hectische tijden, vooral als je onderweg was, in bussen, van het ene optreden naar het andere, kris kras door dit enorme land dat van een droom droomt. Maar goed, gevolg van deze situatie was dat Gregg Allman zich voorlopig profileerde als de compositorische hoofdleverancier van het naar zijn broer en hem genoemde orkest. Onder vijf van de zeven nummers die ze in New York zouden opnemen, prijkte de naam van Gregg Allman. Waaronder ‘Whipping post’, waaronder ‘Dreams’, waaronder ‘Every hungry woman’, nummers die intussen tot het vaste repertoire bij optredens behoorden. Dickey moest erkennen dat het fantastische composities waren. En dan had je die andere rooie nog. Forrest Richard Betts ging gebukt onder een oprecht en diepgeworteld ontzag voor Howard Duane Allman. Zomaar zeggen dat die fenomenaal gitaar speelde, zou een understatement zijn. Bovendien kon hij weergaloos met de flessenhals overweg. Hij had intussen een dermate gedegen reputatie als slidegitarist opgebouwd dat hij zich als een vaste kracht in de Fame opnamestudio in Muscle Shoals had ontpopt. Duane verkeerde in de kringen van de muzikale groten der aarde!

Vanuit de verte kondigde zich een trein aan. In de zinderende verte doemde een goederentrein op die op zijn gemak en ellenlang voorbijgleed. De treinen die enigszins respectloos deze laatste rustplaats passeerden, hielden de doden wakker en fit. En als de treinen het niet deden, dan waren zij er nog altijd, hij en die twee rooien en de rest. Of hij en de meiden. Het was me het zomertje wel op dat gebied. Elke vrouw was hongerig. Rae Lynn. Augusta. Ada. Lily Bell. Hij moest aan Suzanne denken. Hoeveel avonden had hij hier niet samen met haar doorgebracht. En dan Carmella. Die herinnering was nog vers. Wat een brok erotische doortastendheid, die Carmella! Vaak stond ze stijf van de geilheid. De laatste keer had de ongeoorloofde extase hen met zo’n onverschrokkenheid gepantserd dat ze het hier hadden gedaan, op dit kerkhof, tussen deze graven! In het hiernamaals van de Napiers die zo fanatiek waren heengegaan en zich vermenigvuldigd hadden. En dat net na middernacht, als de doden zich roeren. Maar Carmella en hij hadden zo aan en in elkaar verstrengeld gezeten, dat het spookuur ongemerkt aan hen voorbij was gegaan.

Dickey vouwde de krant dicht en stopte hem in zijn ransel. Hij haalde er een plectrum en de stemvork uit. Hij nam de gitaar op zijn schoot. De melodie in zijn hoofd bleef maar doordrammen. ‘All blues’ van de grote Miles Davis. Van het album ‘Kind of blue’. Wat een ontdekking was dat geweest! Wat een revelatie! Ze luisterden naar niets anders. Hij stemde de gitaar, sloeg enkele akkoorden aan en probeerde toen het melodietje te spelen dat hem maar bleef plagen. Na enkele pogingen had hij het onder de knie. Hij begon te improviseren. Hij vergat zijn gedachten en de wereld om hem heen. Hij raakte in een soort trance. Zijn vingers dwaalden af. En toen ontsnapte er een loopje aan hem dat hem euforisch maakte. Het ging als vanzelf. Maar hij zag heel helder een melodielijn voor zijn geestesoog. Hij zag de noten als het ware dansen. De noten wiegden zoals Carmella dat deed, traag dansend, sensueel, op de verleidelijke klanken van Miles Davis en John Coltrane. En toen brandschilderde hij de melodie op de vensters van zijn verbeelding. Dat was wat er gebeurde. Griffen, graveren, etsen, kerven, brandschilderen. Hij vond er direct de juiste woorden voor zoals de juiste noten hem waren toegevallen. Gehaast diepte hij de krant uit de ransel. Verwoed zocht hij naar het potlood. Hij had een potlood in de ransel gestopt. Niet meer dan een stompje weliswaar maar toch. En nu kon hij het niet vinden. Hij haalde een flessenhals tevoorschijn, de stemvork, een paar plectrums, een boekje, een zakmes. En toen ontdekte hij het potlood, daar in een naad van de ransel. Gelukkig had hij ook een mes om het potlood mee aan te punten. Gejaagd bladerde hij de krant door op zoek naar een pagina met veel wit. Daar had hij iets! Koortsachtig trok hij de lijnen van een tabulatuur op het krantenpapier en noteerde de noten die onder zijn schedeldak deinden. Hij joeg zichzelf op. Snel opschrijven voordat iemand hem zou storen. Een opzichter van het kerkhof. Een echte zwerver. Of de twee rooien. Of een persoon uit Porlock.

Toen de wonderbaarlijke melodielijn op papier stond, bleef hij er euforisch naar staren. Beelden van Carmella die trage, zinnelijke bewegingen beschreef met haar lichaam walmden voor zijn geestesoog. Die wellustig met haar heupen draaide. Dit nummer verdiende haar naam. Hij schreef ‘In love with Carmella’ boven de tabulatuur. Maar onmiddellijk logenstrafte de ratio in hem die actie. Dit kon hij niet maken. Zij en Boz Scaggs vormden een koppel – weliswaar niet zo innig als Boz veronderstelde en maar bleef benadrukken, maar dan nog. Nee, dat zou indruisen tegen zijn zuidelijke eergevoel. Hij draaide zich om, naar de graven. De zerk ter rechterzijde van die van Briggs Hopson had een rechtop staande steen aan de kopse kant. Forrest Richard Betts las de tekst op de grafsteen. ‘Napier. Elizabeth Jones Reed. Wife of Briggs H. Napier. Nov. 9, 1845. May 3, 1935.’ De vrouw van de Briggs Hopson. Elizabeth Reed. Bessie. Op 20 april 1865 werd Briggs Hopson ontslagen uit het Ocmulgee Hospital in Macon. Zes dagen later trouwde hij met Elizabeth Reed in het huis van haar grootvader Dr. Elijah E. Jones in Madison, Georgia. Dickey vroeg zich af of zij, toen nog een tiener, als verpleegster in een van de hospitalen had gewerkt waar Briggs Hopson had gelegen? En of zij elkaar daar ontmoet hadden en verliefd waren geworden. Hij kraste ‘In love with Carmella’ door en krabbelde de woorden ‘In memory of Elizabeth Reed’ op het krantenpapier. Hij onderstreepte de titel. Ter bevestiging. Want met deze wijziging had hij Carmella gevrijwaard van relationele perikelen en oneer. En overal waar hij in de toekomst ‘In memory of Elizabeth Reed’ zou lezen, zou hij dat automatisch vertalen in ‘In love with Carmella’. Zo simpel was de werking van de associatie. Bovendien had hij, door voor de niemand compromitterende titel te kiezen, deze dode vrouw, Elizabeth Reed, als het ware weer tot leven gewekt – had hij haar een tweede kans gegeven door haar een merkwaardige wederopstanding te bezorgen. Wellicht viel haar de onsterfelijkheid ten deel. Met een gevoel van intense tevredenheid stopte Dickey Betts zijn spullen in de ransel. Gejaagd verliet hij de begraafplaats. De hitte speelde geen rol meer. Hij wilde de melodie uitwerken. Hij wist dat hij iets had gecomponeerd dat het gewone ver oversteeg. En daarna een feestje. Want deze scheppingsdaad wettigde wel een kleine viering. Waar de doden al niet goed voor zijn, mompelde hij. En wat een geluk, zo’n begraafplaats, voegde hij er in gedachten en nog onwetend van een onbillijk noodlot aan toe.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 4 november 2013

Feuilleton: Wamoete 5



Bijna twee decennia na de dramatische dag van de moord op Praterke en de verdwijning van Jeu Goumans, bijgenaamd Stokker, en Scheve Zeik moest de begraafplaats van Wamoete geruimd worden omdat er buiten het uit zijn voegen gebarsten dorp een nieuw, efficiënt kerkhof werd aangelegd vlakbij het eerste industrieterrein van de streek daar in het uiterste zuiden van de mooie, brave provincie in het zuiden van ons geliefde vaderland. Toen doodgraver Putse Hein bij het graf van Praterke aan de gang toog, kon hij zijn ogen niet geloven. Op dezelfde wijze als Ruftenrein vele jaren geleden alarm had geslagen toen hij op het lijk van Praterke was gestuit, zo luidde Putse Hein nu in paniek de noodklok. Hij haalde de notabelen erbij die op hun beurt de vier P.’s, intussen bejaard en gepensioneerd, sommeerden om te komen. De vier P.’s draafden braaf op, maar konden niet veel meer doen dan vaststellen dat de stoffelijke resten van Praterke zich vermenigvuldigd hadden sinds men die resten vele jaren geleden ter aarde had besteld om er vervolgens zand over te doen. In het graf lag niet één skelet, er lagen er twee. Twee geraamtes, twee schedels, twee paar tanden waarvan er één onmiskenbaar toebehoorde aan Scheve Zeik. En…zo merkte veldwachter Philipsen op, geagiteerd aan wenkbrauwen en snor plukkend: de talisman in de hoedanigheid van een rode edelsteen die om de hals van Praterke had gehangen toen die begraven werd, was verdwenen. Hoe verwoed doodgraver Putse Heins ook zocht te midden van de weinige resten van de doodskist en de botten, de talisman was weg. Dat, zo beklemtoonde Putse Heins, kon empirisch worden vastgesteld.

Na al het geploeter hing de doodgraver tegen een scheve grafsteen te hijgen als een paard. Met een vuile doek veegde hij zand en zweet van zijn gezicht. ‘Godnondeju,’ vloekte hij. Ondanks de voortschrijdende moderniteit met zijn demasqué der mythen en ondanks zijn blijk van positivisme hield hij diep van binnen met huid en haar vast aan zijn anachronistische bijgeloof. Met zijn vloek gaf hij te kennen het geloof te zijn toegedaan dat diegene die hier had gelegen uit de dood was opgestaan en twee anderen voor het lijden dat hem was aangedaan, had laten boeten. Of, nog erger, dat de verzameling geesten in Wamoete en omstreken er een nieuwe bij had. En niet zomaar eentje. Nee, een lastige, een linke, een lugubere. Burgervader Patterjé prevelde ‘merde’ en ‘mon coeur’. Veldwachter Philipsen fronste zijn wenkbrauwen en streek met zijn vingers over zijn martiale snor. Het maalde door zijn hoofd want het raadsel trof hem als zijnde te machtig. Onderwijzer Pospoom schudde zijn hoofd in woeste wanhoop, terwijl zijn twijfel aan de nut en noodzaak van de pedagogie naar ijle hoogten steeg. Pastoor Peels sloeg gehaast een kruis alsof hij een vlieg wegjoeg. Daarna declameerde hij de volgende woorden die ongetwijfeld een gewijde inhoud vertegenwoordigden: ‘iam domum itionem reges Atrides parant.’ En ten slotte exclameerde hij een ijselijke kreet: ‘vade retro!’ om vervolgens de begraafplaats in paniek te verlaten, daar in Wamoete, die uithoek van een uithoek in het uiterste zuiden van de zuidelijke provincie van ons geheiligde vaderland, ingeklemd tussen de grens met het enge buitenland en het machtige moeras met zijn vlozen en zijn vlaken, met zijn geesten en spoken en dwaallichten dat al menig troubadour tot briljante, maar ook minder tot de verbeelding sprekende ballades geïnspireerd had:

‘Wamoete, wamoete.
Bedwelmt de wind.
Gezoogd het kind.

Wamoete, wamoete,
de vuren in de zomp.
Verloren klomp.

Wamoete, wamoete,
oord van vergeten.
De goden weten.

Wamoete daar, Wamoete hier.
De wind zucht zacht door elke kier:
wamoete hier, wamoete hier?’

Waarmee het huis van het verhaal – hier en nu – voorlopig gesloten is.

© 2013 Leo van der Sterren

zaterdag 2 november 2013

Feuilleton: Wamoete 4



Een jaar na de traumatische gebeurtenissen in Wamoete folterde de zomer het land opnieuw ongenadig zoals een meesteres haar laffe slaaf toetakelt. Het land lag te zuchten en te zinderen onder de ziedende zon. De heiligen Gerlachus, Amelberga, Plechelmus en Otgerus vergoten zoveel zweet dat zij bijna uit hun graven verdampten. En de geest van Ida Ponts die toch al nooit wist waar zij het moest zoeken, was de draad nu helemaal kwijt. Die middag, rond enen, op het heetst van de dag viel er bij Wamoete in de verte een stofwolk te ontwaren. De jeugd, tuk op sensatie, groepeerde zich aan de rand van het machtige moeras met zijn geesten en spoken en kwalijke dampen. Een automobiel naderde het dorp en reed het onbeschoft onbesuisd binnen. Het voertuig stopte met veel aplomb bij het huis van Struise Stina, echtgenote van de vermiste Jeu Goumans, de mooiste en qua fysiek veruit de aantrekkelijkste vrouw van Wamoete en de wijde omstreken. En intussen de meest begeerde vrouw van het uiterste zuiden van ons mooie, brave vaderland – ware het niet dat haar dochter zich intussen als een geduchte concurrente inzake schoonheid had opgeworpen – en formeel nog steeds in de echt verbonden met de vermiste met de bijnaam Stokker.

Terwijl het halve dorp was uitgelopen, stapte een chauffeur in uniform uit het voertuig en opende het achterportier. Een gedistingeerd heer in frak met een knap gezicht en rossig, maar zorgvuldig gecoiffeerd haar hees zich uit de auto. Met de waardigheid die alleen een waarlijk hoogstaand personage tentoon kan spreiden, schreed hij naar de deur van het huis waar Struise Stina sinds een jaar zonder haar man woonde en klopte krachtig aan. De deur zwaaide langzaam open. De nieuwsgierigen sloegen met open mond gade hoe de hoge heer de deur verder open duwde. Ondanks het daglicht heerste er in het stulpje zo’n duisternis dat niemand kon zien wie er binnen stond. Zonder omwegen nam de hoge heer het woord met een geaffecteerd stemgeluid: ‘U smaakt als een wijndruif, u geurt als een balsem, u straalt als een zon, u zijt het gedijen van mijn hoogste liefde.’ De hoge heer zweeg even, schraapte zijn keel en vervolgde kort en bondig. ‘Wilt gij mij huwen?’ Even was het stil, doodstil; wie goed luisterde kon de hitte horen zinderen. Even gebeurde er niets. Het tafereel versteende. Toen fluisterde – het tafereel maakte nog zoveel indruk dat de doorgaans luidkeels fulminerende kenau het slechts tot een eerbiedig fluisteren bracht – Mien van Moesbuukske enkele woorden in het oor van Lies Liessen die langs haar stond. ‘Maar zij is geen weduwe.’ En toen klonk er gestommel bij de geopende deur. En tot grote verbazing van alle toeschouwers stapte niet Stina over de drempel van het kot maar haar dochter Soera. Eenmaal buiten knoopte Soera zonder enige bedenking haar schort los en liet die met een gebaar op de grond vallen dat van een grenzeloze minachting getuigde ware het niet dat het woord aanstootgevend de geste meer recht deed. Het was alsof zij zich met de handigheid van een professionele ontkleedkunstenares van al haar kleren had ontdaan en spiernaakt bij de deuropening stond, zo obsceen had de wijze geoogd waarop zij de schort van haar intussen welig rond geworden vormen had laten afglijden. Maar het jurkje dat zij onder de schort droeg, liet ook weinig aan de verbeelding over. Soera nam de uitgestoken hand van de hoge heer vast en liet zich met opgeheven hoofd naar het automobiel begeleiden. Zowel het mansvolk als het vrouwvolk bezondigde zich aan het werpen van hitsige blikken die zich schaamteloos aan haar jonge, weelderige lijf met de pronte borsten en malse dijen hechtten. Soera vlijde zich met een koninklijke dynamiek op de achterbank van de auto waarna de hoge heer zich plechtig langs haar zette.

Juist op het ogenblik dat de chauffeur het achterportier wilde sluiten, klonk er een ijselijke oerkreet vanuit het huis dat Soera net had verlaten. De kreet was zo polarisch dat het waarachtig koel werd in de oven van Wamoete. Struise Stina kwam haar huisje uit gestoven en vloog op de auto af. De chauffeur belemmerde echter dat zij het voertuig bereikte. Struise Stina stribbelde tegen en ging bijkans op de vuist met de chauffeur. Ze was volslagen buiten zinnen maar ze had geen kans tegen de boom van een kerel die zijn best deed om de staat van haar kleren zo min mogelijk te schenden, maar niet kon voorkomen dat bepaalde lichaamsdelen in het heetste van de strijd bloot vielen. De menigte zinderde van geilheid en genot. En toen stond ineens de hoge heer bij de vechtenden en petste Struise Stina in het gezicht. Klets, klonk het door het hele dorp. Waarlijk een rake klap. Struise Stina zakte in elkaar maar de chauffeur ving haar handig op. De hoge heer maakte een gebaar naar de auto. De chauffeur sleepte Struise Stina naar de auto en plantte haar in de stoel naast de zijne. De hoge heer en de chauffeur stapten weer in het voertuig dat subiet wegvloof. Nog lang keken de verbouwereerde dorpsbewoners van Wamoete de stofwolk in de verte na. De overval had nog geen vijf minuten geduurd.

‘Maar zij is geen weduwe,’ wist Sien, bijgenaamd de Appel, uiteindelijk uit te brengen, verontwaardigd en enigszins amechtig naar adem happend. Saar van Harten die langs haar stond, keek haar nijdig aan; haar buurvrouw snapte er ook niks van. Maar ze had geen zin om het uit te leggen, niet aan iemand die de eenvoudigste dingen nog niet doorheeft. En toen pas wist Marie Uitmok, die nooit om woorden verlegen zat, maar nu door verbijstering verstomd was geweest, iets te zeggen. ‘Ehrenburgh,’ opperde ze toonloos. ‘Baron Ehrenburgh van Melikhoven.’ En Schele Truus was de derde die de unheimische stilte doorbrak door laconiek haar duit in het zakje der publieke opinie te doen: ‘die gaat aan de tweede pluk beginnen – maar met de jongste van de twee’, waaraan Merel Teunisse onthutst en naar lucht happend en met een stijgende stemgeluid toevoegde dat Soera uitgerekend gisteren zestien jaar was geworden.

Wordt vervolgd.

© 2013 Leo van der Sterren

donderdag 31 oktober 2013

Feuilleton: Wamoete 3



De ochtend na het drinkgelag, dat zo uit de hand was gelopen dat het mythische dimensies zou krijgen, struinde Rein Rambachts, bijgenaamd Ruftenrein omdat hij van waswater walgde en nooit zijn kleren verschoonde als gevolg waarvan hij stonk als de twee weken oude inhoud van de kar van een schillenboer, door de velden waar het koren goudkleurig blonk bij het bos van Wamoete op een steenworp afstand van het machtige moeras waar de rusteloze doden doolden. Hij had een kater van hier tot ginder (hij had in de buitenlucht moeten blijven, gisteren bij Moens zijn bierhal – men had bruusk geweigerd hem binnen te laten vanwege de stank die zijn lichaam verspreidde) en stommelde met een kop die hij als een jongleur vervaarlijk op zijn nek moest balanceren over het droge veld. Het beloofde opnieuw een aartswarme dag te worden, zo’n dag dat de drukkende hitte tot wrede voosheid dreef. Hoewel het nog geen negen uur was heerste de zon reeds als een onaantastbare tiran. Schaduwen waren schaars. Pogingen om afkoeling te vinden leken bij voorbaat vergeefse ondernemingen. Er woei geen wind. Het koren stond er broos en stokstijf bij.

Zweetdruppels als ongeslepen regenbogen parelden op het lage voorhoofd van Ruftenrein. Zijn haveloze, gore hemd was doorweekt. Zijn voeten dreven in het lichaamsvocht dat in zijn schoenen was gesijpeld. En toen deed er zich een wonderlijk incident voor. Ruftenrein werd zich in een ogenblik van wat bij een mens met verstand als verstandsverbijstering te benoemen viel, de stank gewaar die zijn eigen lichaam uitwasemde. En toen bezondigde hij zich aan een handeling die hem nog nooit overkomen was en die eigenlijk ook wel een beetje decadent of pervers, maar in elk geval heel ongewoon was. Hij stak zijn neus zover als hij kon in de richting van een van zijn oksels, die geheime enclaves die een bijna zichtbare stank produceerden, zo penetrant en megalomaan was zij. Ruftenrein wist niet wat hij rook. De stank had dezelfde uitwerking als een vuistslag. En spontaan ging Ruftenrein van zijn stokje.

Maar zijn val werd niet gebroken door het koren. En hij belandde niet in het zand. Hij kwam op iets anders terecht. Een voorwerp dat hard en stijf aanvoelde. En koud! Akelig koud in deze hitte! Niet zonder moeite wist hij zich aan zijn bezwijming te ontworstelen en de ogen te openen waarop hij een dierlijke kreet van afgrijzen slaakte. Hij keek in twee doffe, dode ogen die leken te zijn ingelegd in een bed van bloed. En hij keek in een gapend rood gat dat een mond geweest moest zijn. En in die mond stak iets, een voorwerp dat hij herkende maar niet plaatsen kon – niet daar! Hernieuwde kracht uit zichzelf peurend veerde hij op, een hartverscheurend gehuil voortbrengend, als van een gewonde wolf. Vliegensvlug kwam hij bij zinnen en sloeg alarm in Wamoete dat vandaag eigenlijk geen poeha en gedoe kon hebben omdat het daarvoor veel te heet was.

Burgemeester Patterjé, pastoor Peels, veldwachter Philipsen, bijgenaamd Prolsnor, en onderwijzer Pospoom beenden in het kielzog van de onwelriekende Ruftenrein naar de plek des onheils, ondanks de verlammende weersgesteldheid gevolgd door nagenoeg de complete dorpsbevolking. Omringd door een van afgrijzen sidderende kring van dorpsbewoners namen de vier P’s het levenloze en ontklede lijk in ogenschouw, daar in dat goudgele korenveld bij de zoom van het bos van Wamoete op een steenworp afstand van het machtige moeras met zijn geesten en spoken en dwaallichten die al menig troubadour tot briljante ballades geïnspireerd hadden. Burgemeester Patterjé sprak zijn afgrijzen uit: ‘quelle camelote!’ Pastoor Peels sloeg een kruis ten einde zijn onbegrip te ventileren, hij sloeg het gehaast alsof hij een vlieg wegjoeg die irritant rond zijn hoofd kringelde. ‘Pater dimitte, illis non enim sciunt quid faciunt,’ declameerde hij vervolgens op dramatische toon. En toen: ‘meos circa lumbos mica, o castitatis lorica.’ Veldwachter Philipsen, bijgenaamd Prolsnor, fronste zijn wenkbrauwen, streek door zijn martiale snor en gromde somber. Onderwijzer Pospoom schudde zijn radeloze hoofd. ‘Le loup criait sous les feuilles,’ mompelde hij verwezen.

Niet alleen had de dader het slachtoffer ontkleed, maar het lijk was met een riek dwars door de nek aan de grond gespietst. Van de riek was de steel afgebroken, zoveel kracht had de dader klaarblijkelijk gebruikt toen hij het werktuig in de nek van het slachtoffer had gedreven. De dode lag op een soort bed van stro en diens gezicht was dermate verminkt dat identificatie op basis daarvan uitgesloten leek te zijn. De hoofdhuid was in feite volledig van de schedel afgestroopt. Daar waar zijn tong behoorde te zitten prijkte zijn geslachtsdeel, dat provocerend en komiek uit de open mond stak. Daar waar zijn penis hoorde te zitten hing zijn tong, vastgeplakt aan het geronnen bloed. Er lagen glasscherven rond het lijk die onder het bloed zaten en die door de dader kennelijk als mes waren gebruikt om de genoemde chirurgische handelingen mee te verrichten. Zijn schedel van het slachtoffer was volledig verbrijzeld, kennelijk met de deegrol die op enige afstand van het lijk werd aangetroffen. De deegrol zag zwart van het gedroogde bloed en naderhand bleek dat er heuse deuken in het hout zaten.

In opdracht van de veldwachter verliet de onderwijzer de plaats van de misdaad ten einde de dokter in Schoemele te bellen met het verzoek om zich in Wamoete te melden. Een klein half uur later gaf de dokter acte de présence in zijn auto, achterna gehold door een hele horde opgewonden, smerige kinderen, en vaardigde, nadat hij het lijk één gezwinde blik vol minachting en walging waardig had gekeurd, de doodsverklaring uit. De medicus liet echter niet na om te laten merken hoe weerzinwekkend hij de hele toestand vond: de staat van verminking van het lijk, het domme gepeupel, de paap, de stank van Ruftenrein en de abnormale hitte. Maar het ontzielde lichaam diende nog verwijderd te worden. Na enige redetwisten wezen de overige notabelen de dokter aan als degene die de riek diende te verwijderen waarmee de overledene vast zat aan de grond, een goor werkje waar de dokter begrijpelijkerwijs weinig zin in had. Maar hij bekleedde nu eenmaal het ambt van medicus, dus kon hij er moeilijk onderuit komen. Met afgewend gezicht sjorde hij het stuk riek uit de nek van het slachtoffer. Zuchtend en blazend gooide hij het werktuig op de grond. ‘Bah,’ riep hij uit terwijl hij een te kleine oude lap over het lijk drapeerde.

De vier P’s selecteerden vier vrijwilligers uit het publiek om het lichaam op te tillen en op een brancard te leggen. Toen de vier het lijk van de grond aftilden, klonk er plots een ijzige kreet die door merg en been sneed. De kreet werd geslaakt door Jetje Veugen die terstond bezwijmde. Gealarmeerd door die gil dromde de dorpsbevolking nog verder samen rond het viertal dat het lijk op een meter boven de grond hield, verlamd door de consternatie. Opnieuw slaakte iemand een hartverscheurende schreeuw. Sien bijgenaamd de Appel stortte ter aarde. En Struise Stina en haar dochter Soera eveneens, ten prooi vallend aan een soort epileptische aanval. En her en der begonnen meiden en wijven te snikken en te grienen. De oorzaak van alle commotie, zo bleek, was gelegen in een artefact dat halverwege de nek van de dode en de grond aan een koord naar beneden bungelde en dat niet eerder zichtbaar was geweest omdat het ontzielde lijf er bovenop had gelegen. Het zonlicht weerkaatste op de rode edelsteen. ‘Het wonderding van Praterke,’ stootte Mutske van Lijshout snikkend uit. ‘Het andere wonderding,’ vulde Klazien verwezen maar niettemin niet zonder ontzag aan, zich prompt realiserend dat het wonderding waar zij op doelde geen wonderen meer zou verrichtten.

De wrede moord op Praterke (dat het Praterke betrof werd bevestigd door de vondst van zijn bril vlak bij het lijk) ging gepaard met meer alarmerende omstandigheden. Zo kwam de dagloner Jeu Goumans, bijgenaamd Stokker, die avond niet thuis en de dagen daarop ook niet hetgeen zijn echtgenote, de Struise Stina, noopte tot het doen van aangifte van vermissing. De om de vermoorde Praterke in een hysterische rouw gedompelde Struise Stina, de mooiste en qua fysiek veruit aantrekkelijkste vrouw van Wamoete en de wijde omstreken, en haar dochter Soera, de mooiste jonge deerne uit het zuiden van het vaderland, werden zozeer extra aangegrepen door de verdwijning van hun man en vader dat men vreesde voor hun verstand. Maar ook andere vrouwen bleken overmand door verdriet. En de volgende dag bleek dat Scheve Zeik eveneens spoorloos verdwenen was. Als van de aardbodem weggevaagd. Maar eerlijk is eerlijk, Scheve Zeik werd heel wat minder gemist.

Omwille van de erbarmelijke toestand van de stoffelijke resten en het warme weer werd het ontzielde lichaam van Praterke twee dagen nadat men het gevonden had, ter aarde besteld in een goedkope kist van twijfelachtige kwaliteit tijdens wat een provisorische, maar daarom niet minder indrukwekkende begrafenis was. Het lijk was zo goed mogelijk opgelapt en uit piëteit en ten behoeve van een eventuele toekomstige identificatie had men de magische talisman om de nek laten hangen. Van heinde en verre waren de in hun paasbest getooide mensen samengestroomd bij de kerk van Wamoete. In een bomvol en snikheet godshuis hield pastoor Peels het requiem voor de overledene. En op de begraafplaats speelden zich opnieuw hartverscheurende taferelen af. Vooral de meiden en wijven baarden opzien. Zij lieten zich zozeer gaan dat de mannen elkaar verbaasd aanzagen en zich afvroegen of de Praterke die hier begraven werd wel de Praterke was die zij gekend hadden, in de kroegen in de dorpen, hier in het uiterste zuiden van de mooie, brave provincie in het zuiden van ons mooie, brave vaderland. Hoe dan ook, Mina, dochter van slager Zwevel uit Mamdel, Sika Strunks uit Savvelstrum, Bertie Brugge uit Den Beemd, Sien bijgenaamd de Appel uit Wamoete, alle vrouwen en meisjes strompelden in een dichte waas van apathie rond alsof een oneindig ongeluk hen getroffen had.

Op de derde dag na de begrafenis van Praterke, schortten de meiden en wijven in Wamoete hun rouwbeklag plotsklaps op. En gedurende de dagen daarop ebde de stemming van treurnis die in de omgeving van Wamoete heerste, geleidelijk in zijn geheel weg. Plotseling straalden de deernen en wijven een sereniteit uit die wel erg schril contrasteerde met de wanhopige gemoedstoestand van voorheen. Een inwendig plezier, geen gewoon plezier, maar een extatisch plezier maakte dat ze over de grond leken te zweven alsof de Heilige geest in hen was neergedaald. De mannen, toch al geen lichten van empathie, begrepen het nu echt niet meer. Deze onvoorspelbaarheid boezemde angst in. En ofschoon zij geen teken van leven van man en vader vernomen had, leken zelfs Struise Stina en haar prachtige dochter Soera, die bijou van het uiterste zuiden van de zuidelijke provincie van ons zuinige maar gezegende vaderland, ineens genezen te zijn van de gekte die om hen heen had gehangen als een zwerm bijen om de korf.

Wordt vervolgd.

© 2013 Leo van der Sterren

dinsdag 29 oktober 2013

Feuilleton: Wamoete 2



Op een goede avond na een snikhete, tot duivelse dwaasheid drijvende hondsdag, zo’n dag dat de zon de hele dag zijn strenge stralen heeft uitgebraakt om de aarde te verzengen, zo’n dag dat de heiligen Gerlachus, Amelberga, Plechelmus en Otgerus in hun graven lagen te zweten, zo’n dag dat zelfs de geest van Ida Ponts het te warm vond om te spoken, sjokte Praterke met zijn knapzak op de rug het dorp Wamoete binnen. Wamoete lag ingeklemd tussen het machtige moeras met zijn vlozen en zijn vlaken, met zijn geesten en spoken en dwaallichten die al menige troubadour tot briljante ballades geïnspireerd hadden, en de grens met het enge buitenland. Wamoete, die uithoek van een uithoek in het uiterste zuiden van de zuidelijke provincie van ons geliefde vaderland.

Praterke bevingerde de talisman van rode edelsteen die hij aan een lint om zijn hals droeg. De steen fonkelde. Een glimmende glimlach gleed over Praterkes gezicht. Hij wendde zijn schreden rechtstreeks naar het enige café van Wamoete, Moens zijn bierhal, de laatste halte voor men het vertrouwde vaderland verliet, plaats om moed in te drinken. Enkele kinderen hadden zijn intrede in het dorp gadegeslagen en briefden dat sensationele nieuwtje door aan hun vaders. De mare circuleerde razendsnel in een klein, saai dorp als Wamoete. De mannen reageerden opgetogen, zij staken hun duimen op naar elkaar en klakten met hun tongen. Maar burgemeester Patterjé knarste met zijn tanden en teemde enkele verwensingen. ‘Monzieu, li sale salop.’ ‘Brisez la crapoul.’ Pastoor Peels fluisterde: ‘visita, quaesumus, Domine’ en sloeg een kruis in een poging om zijn woede over het verschijnen van Praterke te onderdrukken. Toen dat niet baatte, zette hij zich aan zijn schrijftafel en schreef een donderpreek van bijbelse allure waarop hij de parochie aanstaande zondag zou vergasten. De ergste hel en verdoemenis vormden de elementen van zijn preek. De woorden kwamen als vanzelf uit de pen gevloeid. Maar hij schroomde ook niet om zijn eclectisch vergaarde maar omvangrijke eruditie tentoon te spreiden. Veldwachter Philipsen (bijgenaamd Prolsnor) fronste zijn prollen van wenkbrauwen en streek door zijn snor, waarmee hij uitdrukking gaf aan zijn sombere bedenkelijkheid. Onderwijzer Pospoom schudde zijn hoofd toen hij de opgewonden kinderstemmen hoorde en vervolgens ontdekte wat die hysterie teweeg bracht. De wijven in de hutten en de huisjes verstijfden waar ze stonden, maar konden niet verhinderen dat de mannen ontsnapten aan hun ijzeren regimes ten einde het op een zuipen te zetten. En de meisjes bogen hun fijne halsjes en wendden hun porseleinen hoofdjes glimlachend af, terwijl zich subtiele blosjes op het glazuur aftekenden.

In een mum van tijd zat Wamoetes enige café vol en ook het erf vóór de kroeg. Het was bloedheet, zelfs op het ogenblik dat de zon achter de kruinen van het bos van Wamoete begon te zakken, en de hitte maakte dorstig. Kastelein Moens met de mottenkop en zijn vrouw Truus met de tepelloze tieten stonden achter de toog en werkten zich het schompes. In een oogwenk vond men de kroeg omgeven door een walm van stoere mannentaal, gebed in een odeur van verschaald bier en onvervalst plattelandszweet. Quaedtvliegh diste lugubere geschiedenissen over de Bokkenrijders op. Geen mens die ze geloofde, maar iedereen hing aan zijn lippen. Frans Sichtmans zong zijn keel schor met zijn schunnige wijsjes. Wiro Duismund en zijn donderaars hielden buiten zo huis dat een heuse stofwolk ten hemel rees vanaf het erf van Moens zijn bierhal, als een embleem van plattelandse ontaarding.

Het patroon volgend van eerdere gelegenheden schoolden tezelfdertijd de brave, krengerige huisvrouwen samen op het erf van de vrouw van Schobbejan aan de andere kant van Wamoete. Daar gaven zij een vertoon van gevloek en gefoeter ten beste, op de bodem van aangestampt zand ijsberend als in een soort van indianendans tot er ook hier, rond het hutje van Schobbejan, een stuurse stofwolk zweefde als een mistbank rond een spookschip. En de meisjes…de meisjes waren alleen en lieten zich bereidwillig aanranden door exotische gevoelens, met die geraffineerd-lome willoosheid die ze ook ten toon spreidden wanneer ze de bevelen van hun moeders en vaders tegen wil en dank en de broekriem indachtig gehoorzaamden. Maar met hun gedachten tevens heel ergens anders…

Moens zijn bierhal stond intussen te schudden op zijn grondvesten als een hogedrukketel die elk moment kan exploderen. Zekdempel deinde dol en dwaas door de gelagkamer. Lei Lenssen lalde als een leeuwerik uit een romantisch gedicht. Zakkenzwans wankelde ladderzat op zijn tandvlees. Iedereen was al lang door zijn vang. De stofwolk groeide intussen tot legendarische dimensies uit, stelde Praterke vast toen hij even naar buiten geglipt was om poolshoogte te nemen. Hoewel de duisternis langzaamaan bezit nam van de wereld, viel hem bij die gelegenheid de stofwolk aan de andere zijde van het dorp op en die observatie vormde de aanleiding tot een binnenpretje.

Hij ging de gelagkamer weer binnen en merkte dat er zich daar gedurende het poosje dat hij buiten had gestaan, een agressieve sfeer had ontpopt. Hij ving enkele opmerkingen op die onmiskenbaar voor geen andere oren dan de zijne bestemd waren. Dat was hij niet gewend en die omstandigheid sloeg hem toch even uit het veld. Hij hoorde de uit de kluiten gewassen zoon van Scheve Zeik met zijn schots en scheve tanden die de koers van zijn pis aangaven, de opmerking naar Jeu Goumansk, bijgenaamd Stokker, spuwen dat hij Praterke van bepaalde daden verdacht die hij vooralsnog weigerde te specificeren – maar dan ook heel vooralsnog, godverdomme. Hetgeen door een vrijwel laveloze Jeu Goumans volmondig en vals beaamd werd waarop die laatste zijn gelal vervolgde met de opmerking dat hij wel eens wilde weten hoe het zat met de tong van Praterke, want hij had zo het idee dat die tong radder kon bewegen dan de eigenaar van het orgaan het deed voorkomen. Het woord ‘dief’ viel. Het salvo ‘aderlaterke’ weerklonk. De aantijging ‘serpent’ fileerde de rook van pijp en sigaret. Twee gemene, gloeiende hoofden richtten zich naar Praterke ten einde in te schatten wat voor indruk hun woorden op de stomme maakten. Praterke negeerde de aantijgingen. Hij leunde voorover naar het touw van de bel die vlak boven zijn hoofd te blinken hing; het gelui van die bel zou hem redden. En redding zou hij nodig hebben want nauwelijks gehinderd door de zwakke protesten van anderen, begonnen de twee querulanten zich luidkeels af te vragen wat Praterke hier eigenlijk te zoeken had. Geen mens deed een echte poging om hun kwaaie dronk te smoren. Van afstand slingerden de oproerkraaiers hun insinuaties naar de bedreigde. ‘Gij, wamoete hier?’ ‘Wadoede hier?’ ‘Wadoet die knoetsoer ier?’ ‘Wee gij of ge ligt op stro.’ ‘Wamoete?’ Hun tronies verwrongen tot steeds dreigender karikaturen. En hoe kon een zwerver zoveel geld bezitten? Wat stelde een zwerver in staat om rondjes in kroegen te geven? ‘Hoe kenda?’ En waarom? ‘Worrum?’

Toen Praterke vanuit een ooghoek waarnam dat de twee naar hem begonnen op te dringen, luidde hij de bel. Een oergeloei ontbrandde in de gelagkamer van Moens zijn bierhal. Het dak ging eraf. Praterke stopte uitbater Moens een kleurig geldbiljet toe en glipte de kroeg uit, zichzelf gelukkig prijzend dat hij beschermd werd door de zojuist ingetreden donkerheid. Maar de hitte regeerde nog en Praterke besefte dat het een heftig bedoening zou worden in de bierhal. Moens met de mottenkop en Truus met de tepelloze tieten zouden hun handen nog vol hebben aan die haveloze horde. Terwijl hij zijn oren spitste sloop Praterke door het verlaten dorp. Er hoefden geen tekens op de stijlen van de deuren te staan om hem te kunnen doen vaststellen welke huizen hij kon overslaan en welke huizen niet. Hij had ze voor het uitkiezen op deze hondsavond. Als een wolf stak hij zijn neus in de lucht met de wetenschap dat zijn instincten hem nog nooit in de steek hadden gelaten. Verlekkerd en tantaliserend likte hij met zijn gloeiend hete tong langs zijn tintelende lippen.

Wordt vervolgd.

© 2013 Leo van der Sterren

zaterdag 26 oktober 2013

Feuilleton: Wamoete 1



Een verwittiging vooraf: het pand van de vertelling die zich vanaf hier en nu – dit punt en deze tijd op het papier – ontrollen zal, herbergt de onmiskenbare eigenschappen van een streekverhaal. De kamers en kasten en muren zitten er vol van. En wel een streekverhaal dat zich afspeelt in het uiterste zuiden van de meest zuidelijke provincie van ons vaderland en in de goeie ouwe tijd dat in die contreien het heilige roomsche leven nog gedijde als een eunuch in een harem. Kerktorens fungeerden als oriëntatiepunten – letterlijk en figuurlijk – en de kerken als huizen van het spirituele. Zonbeschenen processies slingerden zich als blank glanzende slangen door het glooiende landschap. Plechtige Te Deums stierven zalvend met de wind weg. Noeste boeren floten bij de arbeid. De winters bikkelden. De zomers daverden. Geen zweem van twijfel zaagde het ontzag voor het gezag doormidden. De brave lieden baadden waarlijk in een zee van tijd omdat niemand de tijd bij zich droeg en termen als efficiency of key performance indicators nog niet bestonden. Eenvoud van geest en betrouwbaarheid golden als deugden en deugdzaamheid als een pluspunt. Tergend traag trok het bestaan voorbij als een beekje vol met water dat geen zin heeft om te stromen. De liedjes die over de weiden en velden dwarrelden, klonken een beetje simpel en dwaas:

‘Wie rusten wil in ‘t groene woud,
wie rusten wil met lusten,
hij kieze een plekje dicht in ’t hout
en vlije zich tot rusten.’

Of:

‘De ooievaar daalt op de daken neer.
Zing mij van zier, zing mij van zeer.
Bij de bestekamer aast de koes
en bij het graf de droes.’

Een streekgeschiedenis, meer bepaald een streekdrama, dat zich ontrolde in het uiterste zuiden van de meest zuidelijke provincie van ons vaderland, daar waar het dialect een zware stempel drukt op het taalgebruik en het intellectuele peil van de bewoners, zoals alle streekdialecten een invloed uitoefenen die verder reikt dan de taal alleen. Afgezien van het accent dat de dialectsprekers nooit helemaal zullen kunnen afleren of verbloemen, heeft de dialecticus die overgaat tot algemeen beschaafd Nederlands af te rekenen met een overvloed aan stopwoordjes. ‘Nog’, ‘ook’, ‘wel’, te pas en te onpas duiken die woordjes op en dat met een redundantie die als schrijnend aangeduid kan worden (‘Ge wet wel wonne, ik goj ok nog nie nor huus, want ik heb ok nog genne zin en as ik nog genne zin heb, wonne, dan mot ik ok niks, nog, wel, wonne?’). Wat ook opvalt, is het achterlijke gebruik van verkleinwoordjes. Alles wordt kleiner gemaakt dan het is. Minder erg. Of florissanter. Milder. Kindertalig. Veel wordt omfloerst, vergoelijkt.

De ostentatieve achterlijkheid van de plattelandsbevolking in die goeie ouwe tijden manifesteerde zich niet alleen in archaïsche dialecten en de uitwassen daarvan maar ook in irrationeel gedrag rondom bijnamen. Ene Johannes Janssen uit Buidelbeek werd Klenne Vizier (Kleinvizier) genoemd, maar omringde zich geenszins met oriëntaalse parafernalia, laat staan dat hij iets met voornoemde harem te maken had. En Leo Versleijen uit het melige Mamdel had het voorkomen van een stoffige meelbaal, maar droeg als bijnaam De Libellenelf. De Heilige gedroeg zich allesbehalve als een heilige. Zekdempel leek in niets op een mier en was geen toonbeeld van ijver. En de protagonist van dit verhaal had men een bijnaam toebedeeld die het tegenovergestelde uitdrukte van wat als zijn voornaamste eigenschap aangemerkt kon worden. Want Praterke praatte nimmer. Desondanks had iemand hem die titel toegedicht, die bovendien enigszins kleinerend tot de verkleinvorm was gereduceerd. En dus noemde men hem Praterke en niet Rooie hetgeen op grond van zijn rossige haren en snor toepasselijker zou hebben geklonken. En ook niet Schele of Brillenmans waartoe het feit dat hij een bril droeg en dat men brillen over het algemeen niet voor niets draagt, aanleiding zou kunnen geven. Hoe dan ook, in tegenstelling tot zijn medemensen die zwamden en zeverden en zeikten en zanikten dat het een lieve lust was, produceerde Praterke geen gearticuleerde geluiden met zijn mond. Zijn stembanden trilden nimmer, zijn tong bleef roerloos, zodat mensen zich afvroegen of hij stom was. En of hij wel een tong had. Zelfs wanneer hij lachte, deed hij dat in stilte en meestal met gesloten mond. Aan zijn gelaatsuitdrukking konden omstanders aflezen dat hij pret had, maar die schik werd geluidloos uitgedragen.

In weerwil van Praterkes eclatante zwijgzaamheid heetten de kasteleins van de huizen van spiritualia daar in het uiterste zuiden van de meest zuidelijke provincie van ons vaderland, Praterke altijd van harte welkom in hun etablissementen. In Savvelstrum, Buidelbeek aan de kostelijke Broeke, Schoemele, Snoddernaas, Snaaste, Beverslo, Mamdel bij de Veense Hoogten, Vreewegen met de scheve kerktoren, Tolevats, Wamoete aan de rand van het machtige moeras in de uithoek van een uithoek aan de grens. Van Zutendaal tot Herzogenrath, overal bereidden de uitbaters Praterke een beste ontvangst – uit eigenbelang. Op de eerste plaats zorgde Praterke er door zijn zwijgen voor dat de rest van het gezelschap meer praatte. En des te meer de kannenkijkers de mond roeren, des te meer zij drinken. En des te meer de lijpers innemen, des te sneller komen de kaken weer in beweging. Op de tweede plaats: zo zuinig als Praterke met zijn woorden omging, zo gul hanteerde hij zijn geldbeurs. Praterke kon het niet laten om per avond minstens één keer de bel te luiden, hetgeen inhield dat hij voor alle aanwezigen in een kroeg een rondje weggaf.

Praterke behoorde dus tot de graag geziene gasten, daar in de kroegen in het uiterste zuiden van ons vaderland, al vroeg menigeen zich af hoe die spiritualistische paupermecenas aan de geldsommen kwam die op zulke avonden over de toonbank gingen, want voor zover men wist voerde Praterke niets uit. Hij zwierf rond, meer deed hij niet. Maar hij zwierf niet rond als een typisch tragische zwerver. Op de een of andere manier wist hij steevast een zekere trots en waardigheid uit te stralen. Zijn kleding oogde sober en afgedragen maar hij ging niet in lompen gehuld. En om zijn hals hing een talisman van rode edelsteen, een ongetwijfeld kostbaar kleinood, dat menigmaal tot het werpen van begerige blikken prikkelde. En die traktaties in de kroegen moesten toch ook een klein vermogen kosten. Maar niemand die daarop dieper inging of daar naar doorvroeg. En gebeurde dat onverhoopt toch, dan luidde Praterke de bel. Zwijgend bewoog hij de klepel. Een dierlijk gebral barstte los en deed elke gelagkamer op zijn fundamenten daveren. Vergeten de zweem van verdachtheid omtrent Praterkes onverklaarbare liquiditeit.

Dat Praterke altijd verdween als sneeuw voor de zon of als een dief in de nacht, wekte evenmin achterdocht. Zoals Praterke gekomen was, zo bleek hij na een uur of zo verdwenen, als opgeslorpt door de lucht. Over het algemeen droegen de kroegbezoekers hem een te warm hart toe om achterdocht te koesteren of om daarover veel misbaar te maken. Anderzijds waren zij meestentijds te aangeschoten om het café te verlaten en huiswaarts te keren, waar – het mag niet gezegd worden, maar wij doen het toch – gemeenlijk wichten van wijven de scepter voerden en kinderen niets anders in de zin hadden dan buiten door de velden en de bossen struinen en kattenkwaad uithalen. En als de wijven met een naar purperheid voerende woede bevroedden dat de mannen en oudere jongens zich aan hun opzicht en hoede hadden onttrokken en zich aan benevelende dranken laafden, dan hokten de kenaus op een andere plek in het dorp samen en dreven elkaar tot grote hoogten van toorn op, naar oudtestamentische wraak zinnend. Het mansvolk zou niet weten wat hen overkwam als zij straks met een stuk in de kraag over de drempel van de huisstee naar binnen donderden. De deegrollen stonden al klaar.

Op het moment dat de mannen en de jongens zich in de locale taveerne zaten te bezatten, op het moment dat de wijven tegen het mansvolk samenspanden en de jonge kinderen hun slaap der rechtvaardigen sliepen, bleef een deel van de dorpsbevolking min of meer onbeheerd achter in de schamele stulpjes waaraan men destijds de kwalificatie woning durfde te verbinden, en dat waren de meisjes. O zo knoestig, afgeleefd en zuur als de vrouwen van boven de vijfentwintig waren, zo fris en aantrekkelijk oogden de meisjes. Sika Strunks uit Savvelstrum. Dora uit Deurwijk. Vaalse Lei uit Veterslo. Zij deden aan net geplukte appels denken. Aan bloemen die in volle bloei staan. Aan sappige lentelandschappen. De meisjes tooiden de dorpen van het uiterste zuiden van de meest zuidelijke provincie van het vaderland in die goeie ouwe tijden met hun schoonheid zonder weerga. De porseleinheid van hun hoofdjes en de pracht van hun onwaarschijnlijk fraai gevormde leden verblindden de ogen van de argeloze toeschouwer. En de kleurrijke helderheid van hun stemmen waarvan de engelenklanken door de straatjes van de pittoreske dorpjes klaterden, creëerde soms een elfachtige sfeer in de bedompte dorpjes. En als Sara Hemels, de dochter van de smid uit Snaaste, voorbij zweefde in haar etherische schoonheid, vielen monden open. En als Greta van Eden de paradijselijke gratie etaleerde die haar achternaam tot eer strekte, vielen mannen ten prooi aan een vreemde melancholie.

En uitgerekend op genoemde momenten vertoefden deze engelfeeën, deze lentewezens, deze wereldwonderen van schoonheid en jeugd uit het uiterste zuiden van het vaderland, eenzaam en alleen in de huisjes. Kasplantjes in kluizen ten einde tot muurbloempjes te degenereren, waarna ze met de eerste de beste boerenkinkel trouwden, kinderen baarden en verdorden tot de bittere, uitgedroogde vruchten die de volgende generatie van wichten van wijven zou uitmaken. En vreemd genoeg werden deze godinnen op zulke, letterlijk onbewaakte ogenblikken overmand, of liever gezegd: overvrouwd door gevoelens die hen in andere ogenblikken meestentijds volkomen vreemd waren, eenvoudig vanwege het feit dat de meisjes anders nooit op zichzelf waren. Altijd dromden er oude, lelijke, bemoeizieke lieden of drukte makende snotneuzen om hen heen. En altijd dienden de meisjes zich te verlagen – meestal letterlijk – tot geestdodende lichamelijke taken in hemeltergende huishoudens.

Hoe dan ook, op die zeldzame momenten dat de onbezonnenheid als een demon door de dorpjes doolde, bleven de brave meisjes moederziel alleen in de hopeloze stulpjes en begonnen zij, zoals Elfje Elzenhout uit Essenberg, rusteloos op die paar vierkante meters rond te zwerven als bevonden ze zich in een sprookjespaleis. Vreemde, onbestemde gevoelens welden op, gevoelens die gevoed werden door de gesprekken die de meisjes soms onderling voerden en waarin zij elkaar inlichtten over dingen van het lichaam, over genot, over verlossing. Een merkwaardige sensatie hield in hun onderlijven huis. Een onuitsprekelijke hunkering steeg op tot in hun hoofd. Bepaalde plekken van hun jonge lichamen begonnen onweerstaanbaar te tintelen, een gewaarwording die heel, heel aangenaam aandeed, maar die je op een bepaalde manier ook bijna misselijk maakte. Een gewaarwording die Marle van Meern uit Zank bij Zoeder onderging in de al warme maand april toen de wrede lust haar bijna tot razernij dreef. Of toen de deskundigen ten einde raad voor Truus Steegs een heuse uitdrijver van duivelen in de arm meenden te moeten nemen. Maar zelfs die misselijkheid voelde aangenaam aan. En dan konden sommige van die jonge meisjes de banieren van hun geweten die strakgespannen in hun eenvoudige hoofden hingen en de donderpreken van gods herauten over reinheid niet weerstaan, en lieten hun sidderende handen de vrije loop als slangen die zich om een lichaam kronkelen, een slijmerig stinkend spoor van rossig lustzweet achterlatend, en, vergezeld door een ongewis messianisme, een diepe gewaarwording van schuld over de uitwassen waartoe de zonde hen had verleid. En dan zongen Mina, dochter van slager Zwevel uit Mamdel, en Soera, dochter van Jeu Goumans bijgenaamd Stokker en Struise Stina uit Wamoete, en de mooiste jonge deerne uit het zuiden van het vaderland, lege liedjes om de ergste excessen van hun driften te sussen.

‘De liefde waait met alle winden mee,
over het land en over zee.
De liefde van maand van mei.
De bijen zoemen op de hei.’

Of:

‘Want is de liefde niet alleen een spel van handen
zoals gij ziet is zij een handig spel
van geest en wijn van lichaam en guirlanden
van hemel kermis en van hel.’

Wordt vervolgd.

© 2013 Leo van der Sterren