woensdag 30 oktober 2013

All the way from Persia



© 2013 Leo van der Sterren

dinsdag 29 oktober 2013

Feuilleton: Wamoete 2



Op een goede avond na een snikhete, tot duivelse dwaasheid drijvende hondsdag, zo’n dag dat de zon de hele dag zijn strenge stralen heeft uitgebraakt om de aarde te verzengen, zo’n dag dat de heiligen Gerlachus, Amelberga, Plechelmus en Otgerus in hun graven lagen te zweten, zo’n dag dat zelfs de geest van Ida Ponts het te warm vond om te spoken, sjokte Praterke met zijn knapzak op de rug het dorp Wamoete binnen. Wamoete lag ingeklemd tussen het machtige moeras met zijn vlozen en zijn vlaken, met zijn geesten en spoken en dwaallichten die al menige troubadour tot briljante ballades geïnspireerd hadden, en de grens met het enge buitenland. Wamoete, die uithoek van een uithoek in het uiterste zuiden van de zuidelijke provincie van ons geliefde vaderland.

Praterke bevingerde de talisman van rode edelsteen die hij aan een lint om zijn hals droeg. De steen fonkelde. Een glimmende glimlach gleed over Praterkes gezicht. Hij wendde zijn schreden rechtstreeks naar het enige café van Wamoete, Moens zijn bierhal, de laatste halte voor men het vertrouwde vaderland verliet, plaats om moed in te drinken. Enkele kinderen hadden zijn intrede in het dorp gadegeslagen en briefden dat sensationele nieuwtje door aan hun vaders. De mare circuleerde razendsnel in een klein, saai dorp als Wamoete. De mannen reageerden opgetogen, zij staken hun duimen op naar elkaar en klakten met hun tongen. Maar burgemeester Patterjé knarste met zijn tanden en teemde enkele verwensingen. ‘Monzieu, li sale salop.’ ‘Brisez la crapoul.’ Pastoor Peels fluisterde: ‘visita, quaesumus, Domine’ en sloeg een kruis in een poging om zijn woede over het verschijnen van Praterke te onderdrukken. Toen dat niet baatte, zette hij zich aan zijn schrijftafel en schreef een donderpreek van bijbelse allure waarop hij de parochie aanstaande zondag zou vergasten. De ergste hel en verdoemenis vormden de elementen van zijn preek. De woorden kwamen als vanzelf uit de pen gevloeid. Maar hij schroomde ook niet om zijn eclectisch vergaarde maar omvangrijke eruditie tentoon te spreiden. Veldwachter Philipsen (bijgenaamd Prolsnor) fronste zijn prollen van wenkbrauwen en streek door zijn snor, waarmee hij uitdrukking gaf aan zijn sombere bedenkelijkheid. Onderwijzer Pospoom schudde zijn hoofd toen hij de opgewonden kinderstemmen hoorde en vervolgens ontdekte wat die hysterie teweeg bracht. De wijven in de hutten en de huisjes verstijfden waar ze stonden, maar konden niet verhinderen dat de mannen ontsnapten aan hun ijzeren regimes ten einde het op een zuipen te zetten. En de meisjes bogen hun fijne halsjes en wendden hun porseleinen hoofdjes glimlachend af, terwijl zich subtiele blosjes op het glazuur aftekenden.

In een mum van tijd zat Wamoetes enige café vol en ook het erf vóór de kroeg. Het was bloedheet, zelfs op het ogenblik dat de zon achter de kruinen van het bos van Wamoete begon te zakken, en de hitte maakte dorstig. Kastelein Moens met de mottenkop en zijn vrouw Truus met de tepelloze tieten stonden achter de toog en werkten zich het schompes. In een oogwenk vond men de kroeg omgeven door een walm van stoere mannentaal, gebed in een odeur van verschaald bier en onvervalst plattelandszweet. Quaedtvliegh diste lugubere geschiedenissen over de Bokkenrijders op. Geen mens die ze geloofde, maar iedereen hing aan zijn lippen. Frans Sichtmans zong zijn keel schor met zijn schunnige wijsjes. Wiro Duismund en zijn donderaars hielden buiten zo huis dat een heuse stofwolk ten hemel rees vanaf het erf van Moens zijn bierhal, als een embleem van plattelandse ontaarding.

Het patroon volgend van eerdere gelegenheden schoolden tezelfdertijd de brave, krengerige huisvrouwen samen op het erf van de vrouw van Schobbejan aan de andere kant van Wamoete. Daar gaven zij een vertoon van gevloek en gefoeter ten beste, op de bodem van aangestampt zand ijsberend als in een soort van indianendans tot er ook hier, rond het hutje van Schobbejan, een stuurse stofwolk zweefde als een mistbank rond een spookschip. En de meisjes…de meisjes waren alleen en lieten zich bereidwillig aanranden door exotische gevoelens, met die geraffineerd-lome willoosheid die ze ook ten toon spreidden wanneer ze de bevelen van hun moeders en vaders tegen wil en dank en de broekriem indachtig gehoorzaamden. Maar met hun gedachten tevens heel ergens anders…

Moens zijn bierhal stond intussen te schudden op zijn grondvesten als een hogedrukketel die elk moment kan exploderen. Zekdempel deinde dol en dwaas door de gelagkamer. Lei Lenssen lalde als een leeuwerik uit een romantisch gedicht. Zakkenzwans wankelde ladderzat op zijn tandvlees. Iedereen was al lang door zijn vang. De stofwolk groeide intussen tot legendarische dimensies uit, stelde Praterke vast toen hij even naar buiten geglipt was om poolshoogte te nemen. Hoewel de duisternis langzaamaan bezit nam van de wereld, viel hem bij die gelegenheid de stofwolk aan de andere zijde van het dorp op en die observatie vormde de aanleiding tot een binnenpretje.

Hij ging de gelagkamer weer binnen en merkte dat er zich daar gedurende het poosje dat hij buiten had gestaan, een agressieve sfeer had ontpopt. Hij ving enkele opmerkingen op die onmiskenbaar voor geen andere oren dan de zijne bestemd waren. Dat was hij niet gewend en die omstandigheid sloeg hem toch even uit het veld. Hij hoorde de uit de kluiten gewassen zoon van Scheve Zeik met zijn schots en scheve tanden die de koers van zijn pis aangaven, de opmerking naar Jeu Goumansk, bijgenaamd Stokker, spuwen dat hij Praterke van bepaalde daden verdacht die hij vooralsnog weigerde te specificeren – maar dan ook heel vooralsnog, godverdomme. Hetgeen door een vrijwel laveloze Jeu Goumans volmondig en vals beaamd werd waarop die laatste zijn gelal vervolgde met de opmerking dat hij wel eens wilde weten hoe het zat met de tong van Praterke, want hij had zo het idee dat die tong radder kon bewegen dan de eigenaar van het orgaan het deed voorkomen. Het woord ‘dief’ viel. Het salvo ‘aderlaterke’ weerklonk. De aantijging ‘serpent’ fileerde de rook van pijp en sigaret. Twee gemene, gloeiende hoofden richtten zich naar Praterke ten einde in te schatten wat voor indruk hun woorden op de stomme maakten. Praterke negeerde de aantijgingen. Hij leunde voorover naar het touw van de bel die vlak boven zijn hoofd te blinken hing; het gelui van die bel zou hem redden. En redding zou hij nodig hebben want nauwelijks gehinderd door de zwakke protesten van anderen, begonnen de twee querulanten zich luidkeels af te vragen wat Praterke hier eigenlijk te zoeken had. Geen mens deed een echte poging om hun kwaaie dronk te smoren. Van afstand slingerden de oproerkraaiers hun insinuaties naar de bedreigde. ‘Gij, wamoete hier?’ ‘Wadoede hier?’ ‘Wadoet die knoetsoer ier?’ ‘Wee gij of ge ligt op stro.’ ‘Wamoete?’ Hun tronies verwrongen tot steeds dreigender karikaturen. En hoe kon een zwerver zoveel geld bezitten? Wat stelde een zwerver in staat om rondjes in kroegen te geven? ‘Hoe kenda?’ En waarom? ‘Worrum?’

Toen Praterke vanuit een ooghoek waarnam dat de twee naar hem begonnen op te dringen, luidde hij de bel. Een oergeloei ontbrandde in de gelagkamer van Moens zijn bierhal. Het dak ging eraf. Praterke stopte uitbater Moens een kleurig geldbiljet toe en glipte de kroeg uit, zichzelf gelukkig prijzend dat hij beschermd werd door de zojuist ingetreden donkerheid. Maar de hitte regeerde nog en Praterke besefte dat het een heftig bedoening zou worden in de bierhal. Moens met de mottenkop en Truus met de tepelloze tieten zouden hun handen nog vol hebben aan die haveloze horde. Terwijl hij zijn oren spitste sloop Praterke door het verlaten dorp. Er hoefden geen tekens op de stijlen van de deuren te staan om hem te kunnen doen vaststellen welke huizen hij kon overslaan en welke huizen niet. Hij had ze voor het uitkiezen op deze hondsavond. Als een wolf stak hij zijn neus in de lucht met de wetenschap dat zijn instincten hem nog nooit in de steek hadden gelaten. Verlekkerd en tantaliserend likte hij met zijn gloeiend hete tong langs zijn tintelende lippen.

Wordt vervolgd.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 28 oktober 2013

Fleetwood Mac



Zaterdag 26.10.2013. Laat in de middag. Onderweg naar Amsterdam leek het wolkendek in het noordwesten wel een bergketen. ‘De eeuwige sneeuw die op toppen van het Himalaya-gebergte ligt.’

Avond. We wachten in de Ziggo Dome op de opkomst op de bühne van Fleetwood Mac. Het laatste concert van het Europese gedeelte van hun wereldtournee. Bekendmaking: technische problemen. Gaat het concert überhaupt door? Dat is de vraag. Waarop een tijdje later het antwoord volgt, als tegen kwart voor tien de zaallichten gedoofd worden en het sfeerlicht aangaat. Ja, het optreden vindt plaats.

Een degelijk optreden, zoals je mag verwachten van zo’n stelletje doorgewinterde rock-veteranen, al hebben de stembanden van Stevie Nicks wel wat schade opgelopen. En ik miste de zangpartijen van Christine McVie, vooral in ‘Rhiannon’ en ‘The chain’. Maar wat knalden ze er bij ‘Go your own way’ en ‘Don’t stop’ weer op los.

De vier kernleden van die door allerlei liefdes- en andere perikelen geplaagde Mac straalden (al te) demonstratief en ostentatief uit een groep te zijn, een hechte groep – vrienden zelfs. Ze sloofden zich ontzettend uit. Stevie Nicks – our poet, zoals Mick Fleetwood haar even later zou typeren – droeg haar vertolking van ‘Landslide’ op aan Lindsey Buckingham, die ook nog een knuffel van haar kreeg, en vervolgens aan de groep als geheel. Aan het einde van het optreden opnieuw dat duimendik erop liggende vertoon: wij zijn een hechte club, wij zijn vrienden. Plus opnieuw een liefdesscène van Nicks en Buckingham. Een paringsdans bijna. Gênant bijna. Wat was er aan de hand?

Zondag 27.10. 2013. Via allerlei media dringt het nieuws door dat de leden van Fleetwood Mac ’s nachts na het concert in de Ziggo Dome besloten hebben om het vervolg van de tournee (door Australië en Nieuw Zeeland) niet door te laten gaan. Bij bassist John McVie is kanker gediagnosticeerd. Dat was er aan de hand. Wellicht het besef van eindigheid, van vergankelijkheid, ‘mooi’ geïllustreerd door het verscheiden van Lou Reed. En dat als het moment van afscheid nadert, je dat maar beter als vrienden kunt doen.

Het enige eeuwige is de sneeuw op de toppen van het Himalaya-gebergte. En als iemand de eeuwigheid van de eeuwige sneeuw op de toppen van de bergen van de Himalaya betwist, wie kan die aanvechting op haar waarheid of onwaarheid controleren?

© 2013 Leo van der Sterren

Lou Reed

Vorig jaar zagen en hoorden we hem nog. Toen oogde hij al oud en breekbaar. In juni 2012 gaf die eeuwig eigenwijze Lou Reed op geheel eigen wijze zijn laatste optreden op Nederlandse bodem in de Heineken Music Hall (zie Uitpost Kephala van 22 juni 2012). Nu heb ik er moeite mee als mensen mythische proporties toebedeeld krijgen. Begrippen als ‘rocklegende’ of ‘muziek-icoon’ of ‘enlightened singer songwriter’ zijn van die typische ‘Grote Verhaal-’termen. Maar ontkennen dat Lou Reed een ‘rock pioneer’ en de ‘godfather of punk’ was, dat gaat natuurlijk niet. De invloed van met name de Velvet Underground valt bijna niet adequaat weer te geven. Maar ook de groten moeten dood. ‘Eeuwig eigenwijs’. Schrap het ‘eeuwig’ maar. ‘Sweet’ Lou Reed is niet meer.

© 2013 Leo van der Sterren

zondag 27 oktober 2013

All the way from India



© 2013 Leo van der Sterren

zaterdag 26 oktober 2013

Feuilleton: Wamoete 1



Een verwittiging vooraf: het pand van de vertelling die zich vanaf hier en nu – dit punt en deze tijd op het papier – ontrollen zal, herbergt de onmiskenbare eigenschappen van een streekverhaal. De kamers en kasten en muren zitten er vol van. En wel een streekverhaal dat zich afspeelt in het uiterste zuiden van de meest zuidelijke provincie van ons vaderland en in de goeie ouwe tijd dat in die contreien het heilige roomsche leven nog gedijde als een eunuch in een harem. Kerktorens fungeerden als oriëntatiepunten – letterlijk en figuurlijk – en de kerken als huizen van het spirituele. Zonbeschenen processies slingerden zich als blank glanzende slangen door het glooiende landschap. Plechtige Te Deums stierven zalvend met de wind weg. Noeste boeren floten bij de arbeid. De winters bikkelden. De zomers daverden. Geen zweem van twijfel zaagde het ontzag voor het gezag doormidden. De brave lieden baadden waarlijk in een zee van tijd omdat niemand de tijd bij zich droeg en termen als efficiency of key performance indicators nog niet bestonden. Eenvoud van geest en betrouwbaarheid golden als deugden en deugdzaamheid als een pluspunt. Tergend traag trok het bestaan voorbij als een beekje vol met water dat geen zin heeft om te stromen. De liedjes die over de weiden en velden dwarrelden, klonken een beetje simpel en dwaas:

‘Wie rusten wil in ‘t groene woud,
wie rusten wil met lusten,
hij kieze een plekje dicht in ’t hout
en vlije zich tot rusten.’

Of:

‘De ooievaar daalt op de daken neer.
Zing mij van zier, zing mij van zeer.
Bij de bestekamer aast de koes
en bij het graf de droes.’

Een streekgeschiedenis, meer bepaald een streekdrama, dat zich ontrolde in het uiterste zuiden van de meest zuidelijke provincie van ons vaderland, daar waar het dialect een zware stempel drukt op het taalgebruik en het intellectuele peil van de bewoners, zoals alle streekdialecten een invloed uitoefenen die verder reikt dan de taal alleen. Afgezien van het accent dat de dialectsprekers nooit helemaal zullen kunnen afleren of verbloemen, heeft de dialecticus die overgaat tot algemeen beschaafd Nederlands af te rekenen met een overvloed aan stopwoordjes. ‘Nog’, ‘ook’, ‘wel’, te pas en te onpas duiken die woordjes op en dat met een redundantie die als schrijnend aangeduid kan worden (‘Ge wet wel wonne, ik goj ok nog nie nor huus, want ik heb ok nog genne zin en as ik nog genne zin heb, wonne, dan mot ik ok niks, nog, wel, wonne?’). Wat ook opvalt, is het achterlijke gebruik van verkleinwoordjes. Alles wordt kleiner gemaakt dan het is. Minder erg. Of florissanter. Milder. Kindertalig. Veel wordt omfloerst, vergoelijkt.

De ostentatieve achterlijkheid van de plattelandsbevolking in die goeie ouwe tijden manifesteerde zich niet alleen in archaïsche dialecten en de uitwassen daarvan maar ook in irrationeel gedrag rondom bijnamen. Ene Johannes Janssen uit Buidelbeek werd Klenne Vizier (Kleinvizier) genoemd, maar omringde zich geenszins met oriëntaalse parafernalia, laat staan dat hij iets met voornoemde harem te maken had. En Leo Versleijen uit het melige Mamdel had het voorkomen van een stoffige meelbaal, maar droeg als bijnaam De Libellenelf. De Heilige gedroeg zich allesbehalve als een heilige. Zekdempel leek in niets op een mier en was geen toonbeeld van ijver. En de protagonist van dit verhaal had men een bijnaam toebedeeld die het tegenovergestelde uitdrukte van wat als zijn voornaamste eigenschap aangemerkt kon worden. Want Praterke praatte nimmer. Desondanks had iemand hem die titel toegedicht, die bovendien enigszins kleinerend tot de verkleinvorm was gereduceerd. En dus noemde men hem Praterke en niet Rooie hetgeen op grond van zijn rossige haren en snor toepasselijker zou hebben geklonken. En ook niet Schele of Brillenmans waartoe het feit dat hij een bril droeg en dat men brillen over het algemeen niet voor niets draagt, aanleiding zou kunnen geven. Hoe dan ook, in tegenstelling tot zijn medemensen die zwamden en zeverden en zeikten en zanikten dat het een lieve lust was, produceerde Praterke geen gearticuleerde geluiden met zijn mond. Zijn stembanden trilden nimmer, zijn tong bleef roerloos, zodat mensen zich afvroegen of hij stom was. En of hij wel een tong had. Zelfs wanneer hij lachte, deed hij dat in stilte en meestal met gesloten mond. Aan zijn gelaatsuitdrukking konden omstanders aflezen dat hij pret had, maar die schik werd geluidloos uitgedragen.

In weerwil van Praterkes eclatante zwijgzaamheid heetten de kasteleins van de huizen van spiritualia daar in het uiterste zuiden van de meest zuidelijke provincie van ons vaderland, Praterke altijd van harte welkom in hun etablissementen. In Savvelstrum, Buidelbeek aan de kostelijke Broeke, Schoemele, Snoddernaas, Snaaste, Beverslo, Mamdel bij de Veense Hoogten, Vreewegen met de scheve kerktoren, Tolevats, Wamoete aan de rand van het machtige moeras in de uithoek van een uithoek aan de grens. Van Zutendaal tot Herzogenrath, overal bereidden de uitbaters Praterke een beste ontvangst – uit eigenbelang. Op de eerste plaats zorgde Praterke er door zijn zwijgen voor dat de rest van het gezelschap meer praatte. En des te meer de kannenkijkers de mond roeren, des te meer zij drinken. En des te meer de lijpers innemen, des te sneller komen de kaken weer in beweging. Op de tweede plaats: zo zuinig als Praterke met zijn woorden omging, zo gul hanteerde hij zijn geldbeurs. Praterke kon het niet laten om per avond minstens één keer de bel te luiden, hetgeen inhield dat hij voor alle aanwezigen in een kroeg een rondje weggaf.

Praterke behoorde dus tot de graag geziene gasten, daar in de kroegen in het uiterste zuiden van ons vaderland, al vroeg menigeen zich af hoe die spiritualistische paupermecenas aan de geldsommen kwam die op zulke avonden over de toonbank gingen, want voor zover men wist voerde Praterke niets uit. Hij zwierf rond, meer deed hij niet. Maar hij zwierf niet rond als een typisch tragische zwerver. Op de een of andere manier wist hij steevast een zekere trots en waardigheid uit te stralen. Zijn kleding oogde sober en afgedragen maar hij ging niet in lompen gehuld. En om zijn hals hing een talisman van rode edelsteen, een ongetwijfeld kostbaar kleinood, dat menigmaal tot het werpen van begerige blikken prikkelde. En die traktaties in de kroegen moesten toch ook een klein vermogen kosten. Maar niemand die daarop dieper inging of daar naar doorvroeg. En gebeurde dat onverhoopt toch, dan luidde Praterke de bel. Zwijgend bewoog hij de klepel. Een dierlijk gebral barstte los en deed elke gelagkamer op zijn fundamenten daveren. Vergeten de zweem van verdachtheid omtrent Praterkes onverklaarbare liquiditeit.

Dat Praterke altijd verdween als sneeuw voor de zon of als een dief in de nacht, wekte evenmin achterdocht. Zoals Praterke gekomen was, zo bleek hij na een uur of zo verdwenen, als opgeslorpt door de lucht. Over het algemeen droegen de kroegbezoekers hem een te warm hart toe om achterdocht te koesteren of om daarover veel misbaar te maken. Anderzijds waren zij meestentijds te aangeschoten om het café te verlaten en huiswaarts te keren, waar – het mag niet gezegd worden, maar wij doen het toch – gemeenlijk wichten van wijven de scepter voerden en kinderen niets anders in de zin hadden dan buiten door de velden en de bossen struinen en kattenkwaad uithalen. En als de wijven met een naar purperheid voerende woede bevroedden dat de mannen en oudere jongens zich aan hun opzicht en hoede hadden onttrokken en zich aan benevelende dranken laafden, dan hokten de kenaus op een andere plek in het dorp samen en dreven elkaar tot grote hoogten van toorn op, naar oudtestamentische wraak zinnend. Het mansvolk zou niet weten wat hen overkwam als zij straks met een stuk in de kraag over de drempel van de huisstee naar binnen donderden. De deegrollen stonden al klaar.

Op het moment dat de mannen en de jongens zich in de locale taveerne zaten te bezatten, op het moment dat de wijven tegen het mansvolk samenspanden en de jonge kinderen hun slaap der rechtvaardigen sliepen, bleef een deel van de dorpsbevolking min of meer onbeheerd achter in de schamele stulpjes waaraan men destijds de kwalificatie woning durfde te verbinden, en dat waren de meisjes. O zo knoestig, afgeleefd en zuur als de vrouwen van boven de vijfentwintig waren, zo fris en aantrekkelijk oogden de meisjes. Sika Strunks uit Savvelstrum. Dora uit Deurwijk. Vaalse Lei uit Veterslo. Zij deden aan net geplukte appels denken. Aan bloemen die in volle bloei staan. Aan sappige lentelandschappen. De meisjes tooiden de dorpen van het uiterste zuiden van de meest zuidelijke provincie van het vaderland in die goeie ouwe tijden met hun schoonheid zonder weerga. De porseleinheid van hun hoofdjes en de pracht van hun onwaarschijnlijk fraai gevormde leden verblindden de ogen van de argeloze toeschouwer. En de kleurrijke helderheid van hun stemmen waarvan de engelenklanken door de straatjes van de pittoreske dorpjes klaterden, creëerde soms een elfachtige sfeer in de bedompte dorpjes. En als Sara Hemels, de dochter van de smid uit Snaaste, voorbij zweefde in haar etherische schoonheid, vielen monden open. En als Greta van Eden de paradijselijke gratie etaleerde die haar achternaam tot eer strekte, vielen mannen ten prooi aan een vreemde melancholie.

En uitgerekend op genoemde momenten vertoefden deze engelfeeën, deze lentewezens, deze wereldwonderen van schoonheid en jeugd uit het uiterste zuiden van het vaderland, eenzaam en alleen in de huisjes. Kasplantjes in kluizen ten einde tot muurbloempjes te degenereren, waarna ze met de eerste de beste boerenkinkel trouwden, kinderen baarden en verdorden tot de bittere, uitgedroogde vruchten die de volgende generatie van wichten van wijven zou uitmaken. En vreemd genoeg werden deze godinnen op zulke, letterlijk onbewaakte ogenblikken overmand, of liever gezegd: overvrouwd door gevoelens die hen in andere ogenblikken meestentijds volkomen vreemd waren, eenvoudig vanwege het feit dat de meisjes anders nooit op zichzelf waren. Altijd dromden er oude, lelijke, bemoeizieke lieden of drukte makende snotneuzen om hen heen. En altijd dienden de meisjes zich te verlagen – meestal letterlijk – tot geestdodende lichamelijke taken in hemeltergende huishoudens.

Hoe dan ook, op die zeldzame momenten dat de onbezonnenheid als een demon door de dorpjes doolde, bleven de brave meisjes moederziel alleen in de hopeloze stulpjes en begonnen zij, zoals Elfje Elzenhout uit Essenberg, rusteloos op die paar vierkante meters rond te zwerven als bevonden ze zich in een sprookjespaleis. Vreemde, onbestemde gevoelens welden op, gevoelens die gevoed werden door de gesprekken die de meisjes soms onderling voerden en waarin zij elkaar inlichtten over dingen van het lichaam, over genot, over verlossing. Een merkwaardige sensatie hield in hun onderlijven huis. Een onuitsprekelijke hunkering steeg op tot in hun hoofd. Bepaalde plekken van hun jonge lichamen begonnen onweerstaanbaar te tintelen, een gewaarwording die heel, heel aangenaam aandeed, maar die je op een bepaalde manier ook bijna misselijk maakte. Een gewaarwording die Marle van Meern uit Zank bij Zoeder onderging in de al warme maand april toen de wrede lust haar bijna tot razernij dreef. Of toen de deskundigen ten einde raad voor Truus Steegs een heuse uitdrijver van duivelen in de arm meenden te moeten nemen. Maar zelfs die misselijkheid voelde aangenaam aan. En dan konden sommige van die jonge meisjes de banieren van hun geweten die strakgespannen in hun eenvoudige hoofden hingen en de donderpreken van gods herauten over reinheid niet weerstaan, en lieten hun sidderende handen de vrije loop als slangen die zich om een lichaam kronkelen, een slijmerig stinkend spoor van rossig lustzweet achterlatend, en, vergezeld door een ongewis messianisme, een diepe gewaarwording van schuld over de uitwassen waartoe de zonde hen had verleid. En dan zongen Mina, dochter van slager Zwevel uit Mamdel, en Soera, dochter van Jeu Goumans bijgenaamd Stokker en Struise Stina uit Wamoete, en de mooiste jonge deerne uit het zuiden van het vaderland, lege liedjes om de ergste excessen van hun driften te sussen.

‘De liefde waait met alle winden mee,
over het land en over zee.
De liefde van maand van mei.
De bijen zoemen op de hei.’

Of:

‘Want is de liefde niet alleen een spel van handen
zoals gij ziet is zij een handig spel
van geest en wijn van lichaam en guirlanden
van hemel kermis en van hel.’

Wordt vervolgd.

© 2013 Leo van der Sterren

Landschap 8



© 2013 Leo van der Sterren