Posts tonen met het label Economische crisis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Economische crisis. Alle posts tonen

maandag 4 februari 2013

De banken

De banken, de banken. Vorige week voegde SNS Reaal een vervolg toe aan het intens dramatische feuilleton over de bankensector, een serie die maar geen einde lijkt te willen nemen. Indien een schrijver van fictie (laat staan van niet-fictie) vóór 2008 een boek zou hebben uitgegeven met daarin een weergave van de gebeurtenissen van na 2008, zou dat werk door recensenten en lezers als onrealistisch zijn weggezet. Maar datgene wat als fictie niet gedeugd zou hebben, is intussen realiteit geworden. En die werkelijkheid heeft ons, brave burgers van Nederland, zo murw gebeukt dat we dingen die abnormaal zijn, bijna normaal zijn gaan vinden. Maar het gedrag dat bankiers de laatste jaren geëtaleerd hebben, is niet normaal, verre van zelfs. En het is ook niet normaal dat de overheid en andere instanties ogenschijnlijk machteloos staan om de wheeling and dealing van de financiële instituten van dit land in goede banen te leiden. Vooralsnog laten deze bolwerken van arrogantie, onmaatschappelijkheid en immoraliteit zich echter niet slechten.

De Nederlandse staat heeft de SNS Reaal-bank dus noodgedwongen, maar uit arren moede in moeten palmen. De inzet van dat ultieme redmiddel heeft de premier van onze mooie natie ‘verschrikkelijke hoofdpijn’ bezorgd omdat de staat het geld dat met die actie gemoeid ging, bijna vier miljard euro, dringend voor andere doeleinden nodig had. Nederland zit immers tot over zijn oren in de bezuinigingen. Nu dreigen er nieuwe kostenbesparingsoperaties om deze onverwachte tegenvaller op te vangen. De Nederlandse burgers betalen het SNS Reaal-gelag. Ach en wee!

Intussen beoordeelt de minister-president het gedoe rondom het salaris van ruim vijf ton voor de nieuwe SNS Reaal-bestuurder Van Olphen als een ‘idiote discussie’. Rutte acht die vergoeding niet te hoog. ‘Ik kan proberen iemand te vinden die het wil doen voor een ton, maar het risico is dan echt te groot dat we dan niet de juiste persoon vinden,’ zo argumenteert hij. En vermanend voegt hij er aan toe: ‘Als je niet bereid bent dit soort bedragen te betalen, krijg je er niet de goede mensen voor. Je moet uiteindelijk marktconform betalen.’

Nog afgezien van het feit dat Van Olphen in zijn nieuwe functie in dienst van de overheid is getreden en diens ambtenarensalaris dus onder de Balkenende-norm zou dienen te blijven, deugt er nog meer niet aan datgene wat Rutte, die de laatste weken niet in zijn beste doen is, in zijn tegenzin om de salarisdiscussie te voeren, niet zonder irritatie te berde bracht om die onverantwoord hoge inkomen van Van Olphen goed te praten.

Rutte suggereert dat als je iemand maar genoeg betaalt, kwaliteit gegarandeerd is. De ervaring zou hem intussen anders geleerd moeten hebben.

Het punt is namelijk dat die vorstelijk bezoldigde bankiers (net als andere grootverdieners in andere sectoren) de voorbije jaren absoluut broddelwerk geleverd hebben, zelfs zodanig dat zij de banken waaraan zij leiding gaven, naar de rand van de afgrond hebben geloodst (zoals ook de bestuurders in andere maatschappelijke sectoren hun instanties en ondernemingen in de gevarenzone hebben gebracht). Op grond van die wanprestaties verdienden de bancaire hotemetoten de vergoedingen die ze daadwerkelijk gekregen hebben, dus niet. Slecht werk, dan slecht gebeurd. De eerste de beste klaploper had er geen grotere puinhoop van kunnen maken, zo lijkt het. Marktconformiteit, ammehoela!

Twee redenen dus om aan Van Olphen geen bijna zes ton uit te keren: de Balkenende-norm en de, op grond van de recente performance-indicatoren teruggeschroefde norm van de markt.

In Nederland hebben we allemaal boter op ons hoofd. Op zijn eigen niveau en binnen zijn mogelijkheden (die beperkt waren, maar waarvan de grenzen wel degelijk werden opgezocht) heeft zelfs de braafste burger zich schuldig gemaakt aan graaien. Wij, de kleingraaiers, moeten daar nu voor boeten. Wij betalen daar nu letterlijk de prijs voor. Wij worden gestraft en in die straf zit, zo zou je kunnen zeggen, een element van rechtvaardigheid. Hadden we maar niet moeten graaien. De grootgraaiers daarentegen blijven te vaak nog buiten schot en komen met de schrik vrij. Maar dat laatste misschien zelfs niet eens – wie weet.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 17 december 2012

Maandagochtend

Vanochtend reed ik in druilerige weersomstandigheden met de auto naar mijn werk. Ik was wat later dan normaal want ik moest vandaag langer doorwerken. In elk geval was het al licht, in deze donkere dagen voor Kerst, toen ik Venlo naderde. De regen nam weer toe. Op dat moment ontwaarde ik in de andere rijrichting, van Maasbracht naar Nijmegen, blauwe zwaailichten. Die maakten mij alert. Er stonden meerdere beschadigde auto’s op de weg, daarachter begon de file. Een eindje verderop, waar ik de afslag naar de A67 moest nemen, stonden op diezelfde A73, in dezelfde rijrichting, midden in de file, opnieuw meerdere kapotte auto’s omringd door voertuigen van de hulpverlening, waaronder ambulances. Dus zo ernstig was het. De kapotte auto’s stonden tegen de vangrail van de middenberm aan. Twee ongelukken binnen driehonderd meter, het was wat. En achter die plekken van onheil ontrolde zich de file zover als het oog reikte.

Ik nam de afslag en reed de A67 richting Duisburg op. Bij afslag 40, Velden, Venlo-Noord, moest ik inhouden voor een vrachtwagen. Bij de verkeerslichten die blijkbaar op rood stonden, hielden we stil. De vrachtwagen onttrok het verkeerslicht aan mijn zicht maar ik had wel de gelegenheid om de tekst op de spatlappen van de achterste wielen te ontcijferen. ‘Carrocerias Gudimar Segovia’ las ik. Een fractie van een seconde waande ik mij in Spanje – waar ik overigens nog nooit ben geweest. Zonovergoten glooiende landschappen met bergen op de achtergrond ontvouwden zich voor mijn geestesoog. Het Romeinse aquaduct. De kathedraal. De Alcázar. Maar de vervoering duurde niet lang. Spanje zit, net als de rest van Zuid-Europa, in een economische crisis zonder weerga. Het bestaan daar moet momenteel geen pretje zijn, zoals ook de Grieken het hard te halen hebben, terwijl Nederland kans loopt om te stikken onder een spanlaken van schulden dat veel te strak zit. Bovendien staat het ideaal van het Europese solidariteitsprincipe onder druk door hardnekkige residuen van niets ontziend nationalisme. Allerwegen botst het in Europa en de welvaart dreigt in de file die zich daarachter ontwikkelt vast te komen zitten. En het einde van de ellende is nog lang niet in zicht. Het was wat. Intussen moest het verkeerslicht op groen gesprongen zijn want de vrachtwagen trok op. En even verderop ging dat stukje Segovia rechtdoor, terwijl ik naar rechts afdraaide. Hier scheidden onze wegen zich voorgoed.

© 2012 Leo van der Sterren

dinsdag 11 december 2012

Stiekem gedanst

‘Ik heb stiekem met je gedanst,’ zong Erik Mesie van Toontje Lager in mei 1983 toen de economische crisis de werkeloosheid naar een historische hoogte aan het opstuwen was.

‘Ik heb stiekem met je gedanst. Ik hoop dat je het leuk vond.’

De aanzet tot die dijk van een economische crisis van de jaren tachtig van de vorige eeuw werd gegeven door de eerste oliecrisis in 1973, voortvloeiend uit de Jom Kipoeroorlog, toen het aanbod aan olie daalde waardoor de prijzen ervan stegen, waardoor de prijzen van alles omhoog schoten. Lag het aantal werkelozen in Nederland sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog tot de jaren zeventig onder de tweehonderdduizend en meestal zelfs onder de honderdduizend, die eerste oliecrisis leidde een periode van hoge werkeloosheidscijfers in die eigenlijk tot dit moment voortduurt. Alleen in de eerste jaren van dit millennium daalde het cijfer even tot beneden de tweehonderdduizend.

Opnieuw politieke onrust in het Midden-Oosten veroorzaakte in 1979 een tweede oliecrisis die in de westerse wereld een heuse recessie als gevolg zou hebben. In Nederland zonk de economie nog dieper weg dan in andere landen, omdat de Nederlandse economie slechter presteerde dan de economieën van de omringende landen. Bovendien waren in Nederland de kosten die de staat maakte, bijvoorbeeld als gevolg van de vele en hoge uitkeringen, de pan uit gerezen. Door de prijsstijgingen kwam het torenhoge niveau van welvaart en verzorging in Nederland onder druk te staan. Niet langer bij machte om die weelde te bekostigen, voerde het eerste kabinet Lubbers forse bezuinigingen door waardoor de economische situatie in eerste instantie alleen nog maar verslechterde. Door de beroerde economie en toenemende werkeloosheid hadden veel huishoudens grote moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Huizenbezitters zagen zich gedwongen om hun onroerende goed te verkopen waardoor een overaanbod van woningen ontstond wat de prijzen weer drukte. De huizenverkoop stagneerde. Het lijkt allemaal veel op de huidige situatie.

Intussen steeg in 1983 het aantal werkelozen tot boven de 600.000 waarbij vooral het hoge aantal jeugdige werkzoekenden opviel. Het record van 639.000 werkelozen werd gehaald in de periode van november 1983 tot en met januari 1984. Ter vergelijking: op dit moment telt Nederland ongeveer 570.000 mensen die eigenlijk zouden moeten werken maar geen werk hebbben. De teller staat echter niet stil en de vooruitzichten voor 2013 zouden er wel eens toe kunnen leiden dat het record uit 1983/1984 geen stand houdt. Behalve de hoge werkeloosheid is er een andere parallel met begin jaren tachtig: net als toen doet Nederland het economisch slechter dan de omringende landen.

Op 7 januari 1983, dus midden in die economisch inktzwarte tijd, stond Bert Hermelink van het Nederpopgroepje Toontje Lager om drie uur op een bepaalde nacht in een bepaalde kroeg of tent in zijn eentje maar wat te drinken en wat te hangen. Er was niemand, niet in het bijzonder en niet in het algemeen, die zich om hem bekommerde, kortom hij was eigenlijk best zielig (‘niemand om me even op te vangen’ – och arme). En toen ontwaarde hij een bepaald mokkel gekleed in een panterbloesje en een spijkerbroek, met blote armen en korte zwarte haren en toen sloeg zijn fantasie op hol. Ergens in een hoek, in eenzaamheid en verlorenheid zwelgend, stelde Bert zich voor dat hij met haar danste. Brave Bert danste dus virtueel met haar – zij wist van niets. Alles in het geniep. Alles stiekem. ‘Ik denk niet dat je me hebt zien kijken.’ En bovendien: ‘ik was die jongen met die vage blik.’ Een vage blik. Wat Hermelink bedoelt te zeggen is dat hij probeert het meisje zo onopvallend mogelijk gade te slaan, en dat zowel uit schaamte als om stoerheid: het is niet gepast om meisjes te begluren en het is niet stoer want dan geef je de indruk dat je behoefte hebt aan de aandacht van meisjes. En dus maakte hij van zijn wijze van kijken ‘een vage blik’. Kreupel Nederlands dat je de tenen doet krommen. Maar rijmdwang maakt dat het nog erger wordt. Want er is immers bijna niets in dat verfoeilijke Nederlands dat rijmt op ‘blik’! En dus wordt het: ‘Ik was die jongen die losjes wou lijken. Niet te onschuldig en zeker niet te dik.’ Hoewel onze ervaren, getekende Bert het klappen van de zweep van de harde wereld kende die bovendien in een economisch inktzwarte fase zat en hoewel hij geleerd had zich tegen die wereld te harden, moest hij zich ertoe aanzetten om een indruk van ontspannenheid voor te wenden, en dat terwijl geen mens hem natuurlijk zag staan, hetgeen bij overmatig gewicht wellicht wel het geval zou zijn geweest.

Voor zijn virtuele dans hoefde Bert niet veel moeite te doen. Hij hoefde om drie uur in de nacht van vrijdag 7 januari naar zaterdag 8 januari 1983 zijn plekje ‘ergens in een hoek’ van het etablissement niet eens te verlaten en kon ongestoord, maar met ‘vage blik’ verder loeren naar het meisje met het panterbloesje, blote armen, spijkerbroek en korte zwarte haren. Het zal vast een stuk zijn geweest, anders had Bert zich niet zo aan haar vergaapt. ‘Misschien kom ik je morgen tegen,’ zo werkt Bert zich naar het einde toe. Dat slot krijgt dan wel iets van een anticimax. Dit weliswaar vrolijk klinkende maar toch wel verantwoorde, naar ‘progressiviteit’ strevende, stoere Toontje Lager-liedje kent, net als het zeer maatschappijkritische ‘Zoveel te doen’, uiteraard geen happy end: ‘misschien is het wel beter van niet.’ Stoere Bert, die kan wel tegen een stootje. En die heeft inderdaad helemaal geen meisjes van node. Maar hij zou ook helemaal geen tijd hebben gehad voor gedoe met meisjes, en zeker niet met meisjes in spijkerbroeken en panterbloesjes die best een stuk waren, want hij moest het wijsje componeren en de tekst schrijven en in die tekst moest woestheid en ongenaakbaarheid zowel als gevoeligheid gestopt worden en het diende allemaal te rijmen in dat verfoeilijke Nederlands en dat vond Bert allemaal best moeilijk, vooral als je bedenkt dat het ook nog een economisch inktzwarte tijd was, toen in 1983.

© 2012 Leo van der Sterren



zaterdag 24 november 2012

De crisis van de crisis

Sinds het begin van de financiële en economische perikelen in 2008 viel er een ‘double dip’ boven op de eerste ‘dip’ en intussen lijkt er een ‘triple dip’ op die tweede te volgen. Maar niet alleen houdt de crisis zich in de tijd hardnekkig staande, zij blijft bovendien maar aanzwellen, terwijl de complexiteit ervan barokke verschijningen aanneemt. Je zou kunnen spreken van een uitdijende agglomeratie van zich vertakkende crises die zich maar niet laten bezweren. Ongenaakbaar blijft het veelkoppige monste kroost baren over de wereld razen. Maar ook ondergronds lijkt er van alles plaats te vinden. Waar nu alles nog onder de klamme deken van het pais en vree schuilt, zonder vuiltjes aan de lucht, breekt plotsklaps het onheil door de schil om dreigend aan de oppervlakte te komen. Goedaardige vrijblijvendheden ontpoppen zich ineens tot reële gevaren. Geen risico vormende spelers laten hun maskers vallen en tonen hun ware, lelijke, destructieve aard. Door de globalisering zijn de dingen in de wereld zozeer met elkaar verweven dat sneeuwbal- en domino-effecten eerder regel dan uitzondering zijn. De uitwerking en gevolgen van deze nagenoeg wereldwijde samenklontering van etterende crises zijn niet meer te bevatten.

Mensen die een leek zijn op de terreinen van economie, financiën en politiek moeten zichzelf behelpen met hun eigen boerenverstand dat ook in de gevallen dat zo’n verstand als redelijk gezond beschouwd kan worden, stellig niet onfeilbaar is. Maar niet-ingewijden in de geheimen van geld en markten kunnen na vier jaren van financiële, economische en politieke ellende niet anders dan tot de slotsom gekomen zijn dat zij het overzicht over het crisisslagveld, voor zover zij dat al hadden, volledig kwijt zijn. Wie kan aan dit gedoe immers nog een touw vastknopen?

Oningewijden, ik behoor tot die groep. Ik ken mijn plaats en die noopt tot bescheidenheid. Maar intussen heeft er zich bij mij ook een verdenking postgevat. Ik begin zo langzamerhand te vermoeden dat ook de experts het niet meer weten. En toegeven dat ze het niet weten, dat is wel het laatste wat zij doen. Niet zelden voortgedreven door ideologische of, nog erger, commerciële beweegredenen blijven die deskundigen gevraagd en ongevraagd maar analyses en adviezen distribueren alsof een hond die gezwommen heeft zich uitschudt. Op de heilige verrekijk, op de golfspeler, in achterafzaaltjes en op het wereldwijde web wemelt het van pratende hoofden en schrijvende orakels, de een nog slimmer dan de ander. Mede door de vrijwel onbeperkte vrijblijvendheid waarmee de meeste specialisten kunnen opereren, vertoont het zelfbewustzijn van deze betweters geen enkel schrammetje of geen enkele deuk. Integendeel: wij, de goegemeente met zijn domme gezonde verstand, laten ze gewoon en ongestraft doorbazelen.

Zelfs de politici (met achter zich hele falanxen van dergelijke analisten en adviseurs) hebben volgens mij geen idee of datgene wat ze doen, goed is. Ze doen iets omdat ze door het volk zijn afgevaardigd om iets te doen. Ze kunnen het niet maken om niets te ondernemen. Maar alles wat de deskundigen zeggen dat er gedaan dient te worden en alles wat de politici vervolgens doen of nalaten te doen, heeft slechts een marginale invloed op het economische wereldbedrijf. Dat mensen er niettemin in slagen op dat gebied hun nering op te zetten en draaiende te houden, dat hoort bij het wedervaren van het grote wereldwoelen. De schoorsteen van de winkel moet roken. Maar ik koop er niets meer.

© 2012 Leo van der Sterren

zaterdag 14 april 2012

Noodsituationele mijmeringen

Een cluster van crises doet continenten nu al jaren op hun grondvesten schudden. Landen gaan gebukt onder schulden die procentueel in elke normale huishouding absoluut ondenkbaar en onacceptabel zouden zijn. Banken kapseizen. De huizenmarkt in de Verenigde Staten en Europa zieltoogt. Het gedrag van de beurzen doet denken aan de grilligheid van de meest sensitieve aansteller in de travestietenclub. De toch al niet al te stabiele reële economie ondervindt intussen ook ernstige hinder van het aanhoudende gedoe. Steeds meer burgers in de getroffen continenten vervallen in armlastigheid. En voortdurend duiken er vanuit allerlei hoeken en nissen de meest onverwachte Damocles-zwaarden op. De ene dreiging is nog niet afgewend of de volgende doemt alweer op – vanuit het niets ontstane, inktzwarte wolken aan een grijze hemel vol turbulentie. De beeldspraak komt niet uit de koker van ondergetekende. Datgene wat zich momenteel in Europa en de Verenigde Staten afspeelt, wordt steeds vaker met weersomstandigheden vergeleken en in dit geval lijkt die vergelijking meer dan gerechtvaardigd, al was het maar vanwege de spreekwoordelijke onvoorspelbaarheid op de wat langere termijn van meteorologische fenomenen.

Sinds het begin van de economische noodsituatie in 2008 wordt het nieuws vaak en prominent gedomineerd door negatieve feiten waarbij één ding centraal staat: het heerlijk stinkende geld. Miljarden euro’s en dollars denderen in de media voorbij alsof het niets is, met de nodige inflatoire gevolgen van dien, ook in het denken. De ene micro-apocalyps volgt op de andere en het einde lijkt nog lang niet in zicht. En als de brave burgers het hoofd al boven water kunnen houden, worden ze alsnog murw gebeukt door het eschatologische geweld dat niet te beteugelen valt. Gelukkig maar dat er kenners bestaan die alle onheilspellende feiten feilloos weten te duiden zodat er tenminste een beetje orde in de chaos komt.

Bij nieuwsfeiten wordt vaak de hulp van deskundigen ingeroepen om de onbekende, bizarre of ingewikkelde wederwaardigheden te verklaren. Intussen staat er een tactische reserve van luchtmobiele eenheden van specialisten paraat die al naar gelang het onderwerp elk moment gemobiliseerd en uitgezonden kan worden. Op de industrieterreinen van de nieuwsvoorziening en op de aanpalende gebieden wemelt het van de experts die graag hun licht laten schijnen op de duisternissen van dat wat straks het onderwerp van het vak geschiedenis zal constitueren. Nu zijn die deskundigen meestal niet voor niets deskundig. Iemand die tien keer in Irak of Afghanistan is geweest, weet vele malen meer van de situatie aldaar dan Jan van op de hoek die beide landen nog nooit bezocht heeft en dat denkelijk ook niet zal doen. Zelfs iemand die er slechts één keer heeft vertoefd, zal een mening over die landen hebben die verschilt van de mijne en zijn oordeel is meer waard dan het mijne omdat het op eerstehandse ervaringen is gestoeld. Maar dat betekent niet als vanzelf dat de zogenaamde specialisten alle wijsheid in pacht hebben.

Wat steeds vaker begint te storen is het feit dat die specialisten elkaar lijken te beconcurreren met hun meningen. Als expert A. dit zegt, dan roept expert B. simpelweg het tegenovergestelde. Het krijgt de schijn dat de verzamelde wijsneuzen een mechaniek hanteren om het weetalligheidswezen in stand te houden. Wat ook ergernis oproept is de vrijblijvendheid van de verklaringen die deskundigen aanvoeren. Ze kunnen dat in de meeste gevallen ongestraft doen, omdat niemand op hun uitspraken terugkomt en ze erover aan de tand voelt, met als gevolg dat ze telkens opnieuw mogen opdraven. En meestal laten ze het niet bij duidingen van situaties. Zij wagen zich ook aan speculaties over wat er in de toekomst te verwachten valt. De experts doen soms aan waarzegsters op de kermis denken die de argeloze kermisgangers met glazen bollen en tarotkaarten gek maken. Niemand neemt de moeite om te controleren wat er van de voorspellingen van de profeten terecht is gekomen. Maar ook al hebben ze de plank volledig mis geslagen, ze blijven ongehinderd en niet geplaagd door wroeging de nieuwsvergaring vergasten op heuse orakelen. Terwijl de politici ons, onwetende burgers, verzekeren dat we rustig kunnen gaan slapen, wakkeren de clairvoyants met hun akelige augurenlachjes de vuurtjes aan die elk moment tot een wereldbrand kunnen leiden, daarbij slim appellerend aan het apocalyptische bewustzijn dat bij elk menselijk wezen in de genen gegrift zit. De angst slaat ons om het lijf als een statisch stuk kunststof.

Als de huidige economische rampspoed één verschijnsel pijnlijk heeft blootgelegd, dan is het wel het feit dat de wetenschap en kennis en het voorspellende vermogen van hen die zich een competentie op bepaalde terreinen hebbeen toegeëigend, zijn grenzen kent. De hele, aan de wal staande luchtfragiele brigade van weetallen krijgt ampele gelegenheid om de kennis te etaleren. De betweters maken daar gretig gebruik van. Ze kakelen en kraaien. Ze voeren verwijten en remedies aan. Ze snappen niet dat anderen niet snappen wat zij snappen! Maar de indruk ontstaat dat, ondanks hun gekakel en gekraai, de pedanten maar iets zeggen om maar iets te zeggen. Dat zij het ook niet weten, dat eigenlijk niemand het nog weet.

Dat eigenlijk niemand het nog weet. Wie het namelijk nog meer niet weten – en dat is veel erger, en dat weten ze want ze doen verschrikkelijk hun best om het te verhullen – dat zijn de stuurlui: de bestuurders van de staten waar wij, brave burgers, in wonen, en van de meta-staat die de staten overkoepelt. De bestuurders hebben de beheersing van en controle over de dingen verloren. Er doemt een beeld op van kinderen die spelen op het strand. Toen het eb was, hebben zij van zand een enorme burcht gebouwd. Nu wordt het vloed en proberen zij hun burcht te redden van het wassende water. Maar dat niet alleen: plotseling begint het ook hard te regenen. Het water komt ineens van alle kanten op het zandkasteel af. De kinderen verweren zich verwoed. Ze improviseren met allerhande middelen om hun kasteel te beschermen. Maar dan staan tot overmaat van ramp de ouders van de kinderen ook nog eens te roepen want die willen terug naar het vakantiehuisje. Het regent intussen immers pijpenstelen! Maar de kinderen willen hun bouwsel niet in de steek laten! Hoe kunnen de kinderen onder dergelijke omstandigheden het bastion van de ondergang behoeden?

(Het feit dat ik in bovenstaand voorbeeld kinderen laat figureren in plaats van volwassenen is overigens veelzeggend – er steekt onmiskenbaar een speels element in al dit economische onheil. En voor spelletjes heb je kinderen nodig – of mannen. De prominente aanwezigheid van een element van spel in zoiets ernstigs als deze opeenhoping van crises schrijnt des te meer als je nagaat hoeveel reële ellende dat ‘spel’ intussen teweeg heeft gebracht en nog teweeg zal brengen.)

En toch bestaat er waarschijnlijk geen andere wijze van crisis bestrijden dan de proefondervindelijke: iets ondernemen en maar hopen dat het goed uitpakt. In die zin lijkt deze hele crisis en de aanpak ervan op een natuurkundig experiment in een laboratorium waarbij echter de omstandigheden en voorwaarden voortdurend en fundamenteel veranderen. Het is vrijwel onmogelijk om een spel waarvan de regels constant over de kop gaan, tot een goed einde te brengen. Maar als geconcludeerd moet worden dat het geweld niet in te dammen valt, als niets helpt, dan had men wellicht beter niets kunnen ondernemen en de markt zijn gang moeten laten gaan. Dan had de crisis haar akelige gezicht eerder dan nu getoond, maar had het proces van zelfreiniging wellicht ook veel vroeger een aanvang genomen. Maar goed, de bestuurders van de staten hebben ervoor gekozen om pleisters te plakken op wonden die gehecht hadden moeten worden. Dat verzacht, zij het slechts heel even.

Heel even verzachting. Heel even uitstel van executie. En dus blijft de Euro onder een druk staan die haar uiteindelijk zal doen bezwijken. Maar waarom moeten we de Euro ten koste van alles het hand boven het hoofd houden? Is de Euro soms iets heiligs? Iets dat boven alle kritiek verheven is? Waarom mag de Euro niet ter discussie worden gesteld? Waarom mogen we de Europese Unie niet fundamenteel kritisch benaderen? Wie kan bewijzen dat de huidige actie (of liever gezegd: reactie) door geen enkel ander pakket van maatregelen overtroffen kan worden? Het grote euvel van dergelijke experimenten is dat als je het ene doet, je nooit zult weten hoe de dingen zouden zijn gegaan als je juist het andere of iets anders had gedaan. Je zet het ene in gang en hoopt er het beste van. Maar als de noodsituatie nu, na vier jaar, doorzet, als een tragikomedie waarin telkens weer een nieuwe deus-ex-machina wordt gegooid, dan is de Euro ten dode opgeschreven en de Europese Unie misschien ook wel. Want tot overmaat van de toch al nauwelijks overzienbare ellende, is de crisisbestrijding ten koste gegaan van het democratische gehalte van zowel de verschillende staten als van de meta-staat waartoe de Europese Unie zich van lieverlede ontwikkelt (en terecht ontwikkelt – als je voor die weg opteert; de Europese Unie is te lang slechts half werk geweest).

Ontbinding van de Europese Unie. Stel je voor dat zulks gebeurt, dat de Europese Unie explodeert of implodeert. Dan dient zich, wanneer je de zwartkijkers mag geloven, in Europa het oorlogsgeweld onmiskenbaar opnieuw aan. Want dat lijkt, afgezien van de economische voordelen waarmee voortdurend geschermd wordt en die momenteel dus even buiten spel staan, het enige grondvest te zijn waarop het bestaan van de Europese Unie gebaseerd is. Aan die basis wordt hevig geschud. Het is een beven en rammelen dat het een lieve aard heeft. En de grote zwarte vraagtekens die het grondvest omsingelen, komen stampvoetend steeds dichterbij.

© 2012 Leo van der Sterren