Posts tonen met het label Nederpop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederpop. Alle posts tonen

dinsdag 11 december 2012

Stiekem gedanst

‘Ik heb stiekem met je gedanst,’ zong Erik Mesie van Toontje Lager in mei 1983 toen de economische crisis de werkeloosheid naar een historische hoogte aan het opstuwen was.

‘Ik heb stiekem met je gedanst. Ik hoop dat je het leuk vond.’

De aanzet tot die dijk van een economische crisis van de jaren tachtig van de vorige eeuw werd gegeven door de eerste oliecrisis in 1973, voortvloeiend uit de Jom Kipoeroorlog, toen het aanbod aan olie daalde waardoor de prijzen ervan stegen, waardoor de prijzen van alles omhoog schoten. Lag het aantal werkelozen in Nederland sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog tot de jaren zeventig onder de tweehonderdduizend en meestal zelfs onder de honderdduizend, die eerste oliecrisis leidde een periode van hoge werkeloosheidscijfers in die eigenlijk tot dit moment voortduurt. Alleen in de eerste jaren van dit millennium daalde het cijfer even tot beneden de tweehonderdduizend.

Opnieuw politieke onrust in het Midden-Oosten veroorzaakte in 1979 een tweede oliecrisis die in de westerse wereld een heuse recessie als gevolg zou hebben. In Nederland zonk de economie nog dieper weg dan in andere landen, omdat de Nederlandse economie slechter presteerde dan de economieën van de omringende landen. Bovendien waren in Nederland de kosten die de staat maakte, bijvoorbeeld als gevolg van de vele en hoge uitkeringen, de pan uit gerezen. Door de prijsstijgingen kwam het torenhoge niveau van welvaart en verzorging in Nederland onder druk te staan. Niet langer bij machte om die weelde te bekostigen, voerde het eerste kabinet Lubbers forse bezuinigingen door waardoor de economische situatie in eerste instantie alleen nog maar verslechterde. Door de beroerde economie en toenemende werkeloosheid hadden veel huishoudens grote moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Huizenbezitters zagen zich gedwongen om hun onroerende goed te verkopen waardoor een overaanbod van woningen ontstond wat de prijzen weer drukte. De huizenverkoop stagneerde. Het lijkt allemaal veel op de huidige situatie.

Intussen steeg in 1983 het aantal werkelozen tot boven de 600.000 waarbij vooral het hoge aantal jeugdige werkzoekenden opviel. Het record van 639.000 werkelozen werd gehaald in de periode van november 1983 tot en met januari 1984. Ter vergelijking: op dit moment telt Nederland ongeveer 570.000 mensen die eigenlijk zouden moeten werken maar geen werk hebbben. De teller staat echter niet stil en de vooruitzichten voor 2013 zouden er wel eens toe kunnen leiden dat het record uit 1983/1984 geen stand houdt. Behalve de hoge werkeloosheid is er een andere parallel met begin jaren tachtig: net als toen doet Nederland het economisch slechter dan de omringende landen.

Op 7 januari 1983, dus midden in die economisch inktzwarte tijd, stond Bert Hermelink van het Nederpopgroepje Toontje Lager om drie uur op een bepaalde nacht in een bepaalde kroeg of tent in zijn eentje maar wat te drinken en wat te hangen. Er was niemand, niet in het bijzonder en niet in het algemeen, die zich om hem bekommerde, kortom hij was eigenlijk best zielig (‘niemand om me even op te vangen’ – och arme). En toen ontwaarde hij een bepaald mokkel gekleed in een panterbloesje en een spijkerbroek, met blote armen en korte zwarte haren en toen sloeg zijn fantasie op hol. Ergens in een hoek, in eenzaamheid en verlorenheid zwelgend, stelde Bert zich voor dat hij met haar danste. Brave Bert danste dus virtueel met haar – zij wist van niets. Alles in het geniep. Alles stiekem. ‘Ik denk niet dat je me hebt zien kijken.’ En bovendien: ‘ik was die jongen met die vage blik.’ Een vage blik. Wat Hermelink bedoelt te zeggen is dat hij probeert het meisje zo onopvallend mogelijk gade te slaan, en dat zowel uit schaamte als om stoerheid: het is niet gepast om meisjes te begluren en het is niet stoer want dan geef je de indruk dat je behoefte hebt aan de aandacht van meisjes. En dus maakte hij van zijn wijze van kijken ‘een vage blik’. Kreupel Nederlands dat je de tenen doet krommen. Maar rijmdwang maakt dat het nog erger wordt. Want er is immers bijna niets in dat verfoeilijke Nederlands dat rijmt op ‘blik’! En dus wordt het: ‘Ik was die jongen die losjes wou lijken. Niet te onschuldig en zeker niet te dik.’ Hoewel onze ervaren, getekende Bert het klappen van de zweep van de harde wereld kende die bovendien in een economisch inktzwarte fase zat en hoewel hij geleerd had zich tegen die wereld te harden, moest hij zich ertoe aanzetten om een indruk van ontspannenheid voor te wenden, en dat terwijl geen mens hem natuurlijk zag staan, hetgeen bij overmatig gewicht wellicht wel het geval zou zijn geweest.

Voor zijn virtuele dans hoefde Bert niet veel moeite te doen. Hij hoefde om drie uur in de nacht van vrijdag 7 januari naar zaterdag 8 januari 1983 zijn plekje ‘ergens in een hoek’ van het etablissement niet eens te verlaten en kon ongestoord, maar met ‘vage blik’ verder loeren naar het meisje met het panterbloesje, blote armen, spijkerbroek en korte zwarte haren. Het zal vast een stuk zijn geweest, anders had Bert zich niet zo aan haar vergaapt. ‘Misschien kom ik je morgen tegen,’ zo werkt Bert zich naar het einde toe. Dat slot krijgt dan wel iets van een anticimax. Dit weliswaar vrolijk klinkende maar toch wel verantwoorde, naar ‘progressiviteit’ strevende, stoere Toontje Lager-liedje kent, net als het zeer maatschappijkritische ‘Zoveel te doen’, uiteraard geen happy end: ‘misschien is het wel beter van niet.’ Stoere Bert, die kan wel tegen een stootje. En die heeft inderdaad helemaal geen meisjes van node. Maar hij zou ook helemaal geen tijd hebben gehad voor gedoe met meisjes, en zeker niet met meisjes in spijkerbroeken en panterbloesjes die best een stuk waren, want hij moest het wijsje componeren en de tekst schrijven en in die tekst moest woestheid en ongenaakbaarheid zowel als gevoeligheid gestopt worden en het diende allemaal te rijmen in dat verfoeilijke Nederlands en dat vond Bert allemaal best moeilijk, vooral als je bedenkt dat het ook nog een economisch inktzwarte tijd was, toen in 1983.

© 2012 Leo van der Sterren



zaterdag 20 oktober 2012

Doe maar Doe Maar

Gisteren waren we aanwezig bij het derde concert van de Symphonica in Rosso-reeks dat Doe Maar in het Gelredome in Arnhem gaf. Wij beschouwden dit optreden als een tussendoortje – dat wil zeggen tussen John Fogerty en Rufus Wainwright in – want wij hebben nooit zoveel met Doe Maar gehad. Maar het groeide uit tot iets veel groters dan een vluggertje of niemendalletje. De avond begon met een...hoe moet je het noemen...videopresentatie met de foto’s van de Doe Maars als jongelieden, begeleid door de muziek die ze geïnspireerd heeft: Nederlandstalige liedjes uit de jaren zestig, maar bovenal natuurlijk reggae, met de nadruk op Toots and the Maytals (‘Monkey man’, ‘Pressure drop’, enzovoort) – en dus geen Culture of The Congos of, vooruit dan maar, Bob Marley.

En na dat intro zette Guido’s Orchestra in, waarna de mannen van Doe Maar het podium betraden. Vanaf het eerste nummer (dat wij niet kenden, maar wel erg mooi vonden) was het eigenlijk meteen raak. De combinatie van groep en orkest werkte fenomenaal: het was strak en volunineus en loom zoals reggae loom moet zijn, maar ook zonder poespas. En zo werkten Doe Maar en Guido's Orchestra zich door een setlist van bijna drie uur in die uitverkochte, roodgekleurde en snikhete Gelredome met halverwege een kort mobiel halfrondje Nederpop uit de jaren tachtig: de twee Henken van Het Goede Doel, Erik Mesie, Frank Boeijen en Nol ‘Suzanne’Havens. Uiteraard vertolkte Doe Maar de hits die de groep beroemd hebben gemaakt (en ook een aantal minder bekende nummers – maar daarom niet minder mooi): ‘Nederwiet’ (met Belinfante, die ook tromboonde), ‘Is dit alles’, ‘Belle Hélène’, ‘Sinds een dag of 2’, enzovoort, je kent het wel, dat Doe Maar-oeuvre. En het blijft toch altijd verbazen als je bedenkt hoeveel het er zijn, die klassiekers.

Doe Maar leverde leverde op 19 oktober in Arnhem een adembenemend optreden af met een geluid dat klonk als een klok. Het moet tot ver in het Gelderlandse gedaverd hebben. Het publiek werd tot grote hoogten van enthousiasme opgestuwd – een lekkage op het veld deed daar geen afbreuk aan. Toen het ‘geplande deel’ van het optreden was afgelopen, begon het publiek zo massaal en hard te schreeuwen en te fluiten dat het pijn deed aan de oren, iets wat wij nog nooit hebben meegemaakt: het publiek dat meer herrie maakt dan de gesanctioneerde decibel-producenten. Maar mensen moesten gewoon hun oren afschermen, zo ging de menigte te keer. En Doe Maar moest terugkomen – zoveel lawaai viel niet te negeren. En daarna moesten ze nog een keer op. Die tweede en laatste toegift bestond, vanzelfsprekend, uit ‘De laatste X’, het mooiste Doe Maar-nummer dat wij kennen, met die vleug van door het hart snijdende melancholie. Daarmee eindigde een avond die bij ons als gedenkwaardig in het geheugen gegrift staat en die ervoor gezorgd heeft dat wij nu heel veel meer met Doe Maar hebben dan we ooit gehad hebben.

© 2012 Leo van der Sterren