dinsdag 14 januari 2014

Nada's hoorn van Cornucopia 3: intermezzo 1. Tonnus Oosterhoff 2



© 2014 Leo van der Sterren

Apologie voor een onstichtelijke dichtkunst

Bevallen van een kwakkie dat tot een kweeksel transformeert. Het broedsel ligt te lillen en te dampen op de plaat. Spekkigheid alom. In een proces van zwellen en krimpen scheidt het broedsel bruine en rode substanties af, met soms ook dotten geel. Die besmeuren de gladde chromen plaat die blinkt en spiegelt. Vroeger lagen er alleen mooie dingen op de gladde chromen plaat die blinkt en spiegelt.

Het broedsel is zo misplaatst. Het ligt daar helemaal verkeerd op de gladde chromen plaat die blinkt en spiegelt. Onstichtelijk sticht het gebroed verwarring. Het zaait twijfel in de harten. Het coupeert de halzen van hen die zich aan struisvogelpolitiek bezondigen. Het verbrijzelt rozengeur en maneschijn. De zaken zijn nooit mooier dan ze zijn, altijd lelijker. De poëzie moet daar haar licht op schijnen.

© 2014 Leo van der Sterren

zondag 12 januari 2014

Polychroom 2



© 2014 Leo van der Sterren

zaterdag 11 januari 2014

Nada’s hoorn van Cornucopia 2: de eerste strofe

‘Dichters storten zich namens de mensen / in donkere wateren: er is daar iets / ondragelijks dat gedragen moet. / Iedereen die juichte wordt stil.’ Zo luidt de eerste strofe van het titelloze gedicht van Tonnus Oosterhoff dat op bladzijde 37 van ‘Leegte lacht’ en op bladzijde 320 van ‘Hier drijft weg’ begint. Eigenlijk had het feit al algemene bekendheid, maar in deze passage wordt het – impliciet, maar daarom niet minder helder – nog eens bevestigd: dichters zijn helden, geweldenaren, weldoeners, wetgevers van de wereld, redders van de mensheid. Ofwel: de goegemeente beschouwt hen aldus. De dichters zelf laten het zich graag aanleunen. Zij zwelgen in de positieve bejegening die hen ten deel valt. ‘Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,/ Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.’

De dichters hebben het lef om zich in de donkere wateren te werpen, want daar bevindt zich het ondraaglijke dat in dienst en ten behoeve van de mensheid gedragen dient te worden, wellicht om te voorkomen dat het de mensen steeds dieper meesleurt, in die almaar donker wordende diepten. Om dat te voorkomen dragen de dichters het juk van het onderbewuste. En door uit de poelen van het onderbewustzijn te putten, verminderen zij de zwaarte van datgene wat subliminaal broeit.

Maar wellicht dreigen er ook andere, ergere calamiteiten wanneer de dichters verzuimen om het ondraaglijke ongedragen te laten.

Werden de dichters sinds mensenheugenis toch al aanbeden en toegejuicht om hun vrolijke lied, hun klankrijk sarcasme en hun tot bezinning voerende vers, nu zij zich in de diepe wateren begeven hebben waar het onderbewuste huist, als Fafner uit ‘Siegfried’, kennen de eerbied en het ontzag van de mensen voor de dichters geen grenzen meer. ‘Iedereen die juichte wordt stil’ – uit een grootse en diep gevoelde achting voor de dichters.

Dit is de positieve versie van de weergave der dingen, welteverstaan! De euforische lezing.

Vooruit: vooruitlopen zonder vooruit te lopen!

In zijn boek ‘Zwarte zon’ classificeert Paul Claes de dichters van opake gedichten in twee groepen. Hij onderscheidt de dichter-ziener (poeta vates) van de geleerde dichter (poeta doctus). De eerste ‘ontvangt’ zijn gedichten onbewust of zelfs in een soort roes van een transcendente instantie; de tweede fabriceert zijn gedichten door immanente elementen te combineren en hanteert daarbij een soort hyperbewustzijn. De scheidslijn tussen beide typen van dichters is echter niet al te scherp. En hoe zit het met het onderscheid tussen aangeboren en aangeleerd? In hoeverre is wat een mens constitueert gebaseerd op genetisch materiaal; in hoeverre op ervaring?

De dichter als intermediair valt onder de eerste categorie. In die rol fungeert de dichter als een afgezant of medium. Nu eens nemen dichters een bemiddelende plaats in tussen hemel en aarde, dan weer tussen de hel en de aarde. Soms verkeert een dichter als een soort van oorlogscorrespondent in het rijk van het absurde en bericht hij daarvandaan hoeveel verwarring de absurditeit weet te stichten en welke verwoesting zij aanricht. Soms neemt een dichter de taak van boodschapper op zich die pendelt tussen de stille wateren met de diepe gronden en het gejaagde, oppervlakkige leven van alledag.

Dat laatste ambt heeft de dichter uit ‘Dichters storten zich namens de mensen’ van Tonnus Oosterhoff zich toegeëigend. Zijn takenpakket? Roeren in de zielenroerselen van de medemensen en van zichzelf. Het euforische, absurde, emotionele, irrationele in de mens op euforische, absurde, emotionele, irrationele wijze weergeven. De dichter laat zich gaan, hij verzuipt in het onderbewustzijn. Hij vecht. Hij duikt weer op. Hij doet verslag van zijn ervaring en maakt wat hij maken kan.

Maar dichters zijn ook min of meer normale mensen die een min of meer normaal leven leiden met alle hoogte- en dieptepunten die daar bij horen. En terwijl de dichters als mensen existeren worden zij door diezelfde existentie gevormd. Met ‘Dichters storten zich namens de mensen’ licht Oosterhoff ook een tipje van de sluier op die over het aspect van die ‘Bildung’ hangt.

© 2014 Leo van der Sterren

vrijdag 10 januari 2014

Nada’s hoorn van Cornucopia 1: het leesclubje 1




Lieve groep, beste mensen, trouwe lezers, we hebben het gedicht van Tonnus Oosterhoff dat op bladzijde 37 van ‘Leegte lacht’ en op bladzijde 320 van ‘Hier drijft weg’ begint en dat opent met de regel ‘Dichters storten zich namens de mensen’, nu één keer gezamenlijk gelezen. Het ligt hier voor ons op de tafel. Vier kopietjes uit ‘Leegte lacht’. Vier bladzijdes. Drie en een derde bladzijde tekst. Wat kunnen we er in dit vroege stadium, na één lezing, al over zeggen?

‘Dichters storten zich namens de mensen’ bestaat uit 10 strofen en 81 regels. Bestaat daarover consensus? Deze feiten zijn empirisch vast te stellen, dus dat zou eigenlijk niet mis mogen gaan. Zullen we het voor de zekerheid nog één keer controleren, lieve mensen, beste groep? Die regel na de laatste regel, ‘Maar omdat de waarheid’, van strofe 5, ‘slijpt aandachtig de punt van zijn pijl’, is van strofe 5 gescheiden door een witregel. Mar ik ben van oordeel dat die regel wel bij strofe 5 hoort. Hoe denken jullie daarover? Jullie kunnen daarmee instemmen? Mooi zo! Altijd goed, wanneer we potentiële punten van onenigheid voor eens en altijd kunnen afvinken. Hoeven we daar geen energie meer in te steken. En het gedicht telt inderdaad 81 regels, exclusief de witregels tussen de strofen en tussen ‘Maar omdat de waarheid’ en ‘slijpt aandachtig de punt van zijn pijl’. Is er nog iets te melden over rijm en metrum? Nee, hè. Oosterhoff gaat gewoon zijn eigen gang, bekommert zich om een formeel traditionele stijlfiguur als rijm noch om een regelmatige versmaat. Het aantal lettergrepen (want van versvoeten is geen sprake) per regel en het aantal regels per strofe gehoorzamen evenmin aan de regels van de regelmaat. Oosterhoff leeft zich lekker uit. Vrijheid, blijheid, zo is dat. Lekker toch!



Kunnen we. tot slot, ‘Dichters storten zich namens de mensen’ een collage noemen? Of speculeren we dan al te veel. Nee hè. Een collage dus. Is iedereen het daar mee eens? Dus dat de dichter allerlei fragmenten, citaten en wat dies meer zij aan elkaar heeft geplakt. Kan de groep zich daarin vinden? Kunnen we dat aftikken? Ja? Mooi!

Nou, lieve groep, beste mensen, trouwe lezers, dat was het voor vandaag. Ik vond het een zinvolle bijeenkomst waarin we weer veel hebben gedaan. Ik zie jullie allemaal volgende week terug. En denk erom: poëzie zonder lezers bestaat niet, dus doe jullie stinkende best! Want de poëzie is veel te waardevol om te verwaarlozen. En willen jullie alsjeblieft de kopjes en schoteltjes op het aanrecht in het keukentje zetten? Dank jullie wel! Tot volgende week!

© 2014 Leo van der Sterren

zaterdag 4 januari 2014

Droedel 34



© 2014 Leo van der Sterren

vrijdag 3 januari 2014

Schisma

Geboren, getogen en nog steeds woonachtig in de provincie die ook bekend staat als het wormvormige aanhangsel van Nederland, voel ik me verplicht om een duit in de zak te doen van de jongste Limbo-rel, een zoveelste statie van de via dolorosa waartoe de vete tussen twee uit Limburg afkomstige auteurs aan het uitgroeien is.

‘Maar ho even! Schisma? Statie? Lijdensweg? Dat geeft al aan in wel kamp jij staat,’ merkt iemand op die veel opmerkt. En die iemand zou zomaar gelijk kunnen hebben. Deze woorden verwijzen immers rechtstreeks naar de religie die zulk een enorme invloed op de mensen in de twee zuidelijke provincies van Nederland heeft gehad, die vermaledijde paaps-katholieke volksverlakkerij, die eeuwenlang gesanctioneerde religieuze tirannie, dat symbool van een status quo waarin het volk achtbaar was, maar alleen de notabelen geacht werden.

‘Of koketteer je opzettelijk door deze woorden – “schisma”, “statie”, “lijdensweg” – met het heilige roomsche leven om mensen op een dwaalspoor te brengen?’ Ja, dat zou ook kunnen. De verkeerde weg wijzen, dat is immers de nieuwe functie van kunst. Ontregelen. Verstoren. Ontwrichten. In twijfel trekken. Onzeker maken. Gezag betwisten. Je kunt het ook van de andere kant benaderen: kunst als weergave van de werkelijkheid van na het keerpunt dat de geloven en bijgeloven voorgoed gedemaskeerd en ontmanteld werden. Van na het moment dat notabelen niet meer als vanzelfsprekend op hun tronen zetelen (al blijven ze in de regel hardnekkig hun best doen).

‘Dat geeft al aan in welk kamp…’ Inderdaad. Twee kampen. Dat van de ouden en dat van de jongen. Dat van de treiteraars en dat van diegenen die zich laten treiteren. Narren en notabelen. Meer specifiek: dit is een bloedvete tussen fureuristen en statuskwisten, tussen tumultisten en idyllisten, tussen futuristen en folkloristen. Tussen Kustersen en Dautzenbergen. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar één ding moet gezegd: de activiteiten van die folkloristen, zij die door het verleden bezeten zijn en daardoor blind voor de toekomst, daar moet ik in elk geval niets van hebben.

Bij de enen is de tijd die zij in het verschiet hebben, korter dan de tijd waarop zij kunnen terugzien; bij de anderen vice versa. De enen willen behouden wat zij hebben, de anderen willen dat wat zij gaan krijgen, modelleren naar hoe zij het willen hebben. De enen hebben veel te verliezen, de anderen veel te winnen. De enen nemen zichzelf en het hunne (te) serieus, de anderen (nog) niet.

'Die zich laten treiteren...' Ook al geeft het gewraakte fictieve citaat van Dautzenberg in De Limburger en het Limburgs Dagblad precies weer waar ‘m de schoen wringt bij het bronsgroen eikenhout, namelijk dat te veel lieden hier die verschrikkelijke, zogenaamde heile Welt in stand willen houden, hij had natuurlijk nooit fictief mogen citeren. Maar de echte nar is teveel doorbloed met cynisme om zich iets van normen aan te trekken. En de redactie van beide dagbladen had zich dat, gezien de reputatie die Dautzenberg intussen heeft opgebouwd, kunnen en moeten realiseren. Die redactie wringt zich nu in allerlei bochten om het goed te maken met Kusters zonder Dautzenberg te schofferen in plaats van als argument aan te voeren dat zelfs die laatste een rebel met een reden is.

Het komt niet meer goed tussen Kusters en Dautzenberg in deze complexe, veelgelaagde vete, zoveel is zeker. Maar soms oogt het gewijde wateroppervlak zo gladjes dat je elke stenengooier welkom heet, zelfs die met de steen des aanstoots.

© 2014 Leo van der Sterren