Geboren, getogen en nog steeds woonachtig in de provincie die ook bekend staat als het wormvormige aanhangsel van Nederland, voel ik me verplicht om een duit in de zak te doen van de jongste Limbo-rel, een zoveelste statie van de via dolorosa waartoe de vete tussen twee uit Limburg afkomstige auteurs aan het uitgroeien is.
‘Maar ho even! Schisma? Statie? Lijdensweg? Dat geeft al aan in wel kamp jij staat,’ merkt iemand op die veel opmerkt. En die iemand zou zomaar gelijk kunnen hebben. Deze woorden verwijzen immers rechtstreeks naar de religie die zulk een enorme invloed op de mensen in de twee zuidelijke provincies van Nederland heeft gehad, die vermaledijde paaps-katholieke volksverlakkerij, die eeuwenlang gesanctioneerde religieuze tirannie, dat symbool van een status quo waarin het volk achtbaar was, maar alleen de notabelen geacht werden.
‘Of koketteer je opzettelijk door deze woorden – “schisma”, “statie”, “lijdensweg” – met het heilige roomsche leven om mensen op een dwaalspoor te brengen?’ Ja, dat zou ook kunnen. De verkeerde weg wijzen, dat is immers de nieuwe functie van kunst. Ontregelen. Verstoren. Ontwrichten. In twijfel trekken. Onzeker maken. Gezag betwisten. Je kunt het ook van de andere kant benaderen: kunst als weergave van de werkelijkheid van na het keerpunt dat de geloven en bijgeloven voorgoed gedemaskeerd en ontmanteld werden. Van na het moment dat notabelen niet meer als vanzelfsprekend op hun tronen zetelen (al blijven ze in de regel hardnekkig hun best doen).
‘Dat geeft al aan in welk kamp…’ Inderdaad. Twee kampen. Dat van de ouden en dat van de jongen. Dat van de treiteraars en dat van diegenen die zich laten treiteren. Narren en notabelen. Meer specifiek: dit is een bloedvete tussen fureuristen en statuskwisten, tussen tumultisten en idyllisten, tussen futuristen en folkloristen. Tussen Kustersen en Dautzenbergen. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar één ding moet gezegd: de activiteiten van die folkloristen, zij die door het verleden bezeten zijn en daardoor blind voor de toekomst, daar moet ik in elk geval niets van hebben.
Bij de enen is de tijd die zij in het verschiet hebben, korter dan de tijd waarop zij kunnen terugzien; bij de anderen vice versa. De enen willen behouden wat zij hebben, de anderen willen dat wat zij gaan krijgen, modelleren naar hoe zij het willen hebben. De enen hebben veel te verliezen, de anderen veel te winnen. De enen nemen zichzelf en het hunne (te) serieus, de anderen (nog) niet.
'Die zich laten treiteren...' Ook al geeft het gewraakte fictieve citaat van Dautzenberg in De Limburger en het Limburgs Dagblad precies weer waar ‘m de schoen wringt bij het bronsgroen eikenhout, namelijk dat te veel lieden hier die verschrikkelijke, zogenaamde heile Welt in stand willen houden, hij had natuurlijk nooit fictief mogen citeren. Maar de echte nar is teveel doorbloed met cynisme om zich iets van normen aan te trekken. En de redactie van beide dagbladen had zich dat, gezien de reputatie die Dautzenberg intussen heeft opgebouwd, kunnen en moeten realiseren. Die redactie wringt zich nu in allerlei bochten om het goed te maken met Kusters zonder Dautzenberg te schofferen in plaats van als argument aan te voeren dat zelfs die laatste een rebel met een reden is.
Het komt niet meer goed tussen Kusters en Dautzenberg in deze complexe, veelgelaagde vete, zoveel is zeker. Maar soms oogt het gewijde wateroppervlak zo gladjes dat je elke stenengooier welkom heet, zelfs die met de steen des aanstoots.
© 2014 Leo van der Sterren
Posts tonen met het label De appendix. Limburg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De appendix. Limburg. Alle posts tonen
vrijdag 3 januari 2014
vrijdag 5 juli 2013
De appendix 5

In december 2012 hebben de Raod veur ’t Limburgs, Veldeke-Limburg, Huis voor de Kunsten Limburg, Media Groep Limburg en de Provincie Limburg het initiatief genomen voor een campagne ter bevordering van de streektaal, in casu het Limburgs.
‘Streektaal leeft in Limburg. Je hoort het op straat, in de muziek, op het toneel en in de media. Je ziet het op plaatsnaamborden en in reclames. 75% van alle Limburgers spreekt het nog regelmatig, van jong tot oud, van noord tot zuid.
Het gebruik van het Limburgs is in 2007 onderzocht door de Universiteit van Utrecht met behulp van een grote internet-enquête die werd uitgevoerd in de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. In Limburg namen daar 2347 personen aan deel. Uit de enquête bleek dat het Limburgs nog een zeer vitale taal is. Het Limburgs heeft nog steeds een duidelijke rol in het maatschappelijke leven en wordt door alle lagen van de bevolking gebruikt. Opmerkelijk is ook dat het Limburgs erg populair is bij jonge sprekers. Uit de jongste leeftijdsgroep van de enquête (11 tot 27 jaar) gaf 91,5% aan nog Limburgs te spreken (ter vergelijk Zeeland 75,5%, N-Brabant 60,3%). Een ander opvallend resultaat uit dit onderzoek was het opmerkelijk hoge percentage bij het gebruik van het Limburgs in de social media (gemiddeld 35%) waarbij dit bij de jongste leeftijdsgroep (11 tot 27 jaar) opliep tot 56%. Ook is het gebruik van het Limburgs als taal voor de opvoeding bij de twee jongste leeftijdsgroepen in vergelijking met eerdere onderzoeken verder toegenomen. Dit Limburgse patroon wijkt daarmee volledig af van de ontwikkeling die in andere provincies wordt waargenomen.
De streektaal is dus nog altijd een onlosmakelijk onderdeel van de Limburgse cultuur. En dat is best iets om trots, greuëtsj, op te zijn. Om dat feit nog eens onder de aandacht te brengen, hebben organisaties in Limburg die de streektaal een warm hart toedragen, de streektaalcampagne Limburgs, gans geweun! op touw gezet. U zult de komende weken door de hele provincie Limburg en in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad posters zien opduiken in verschillende versies van het Limburgs. Want, ook in 2012 geldt nog steeds: Limburgs kalle, gans geweun!’ (Tekst: Ton van de Wijngaard, bron: www.limburgsedialecten.nl).
Limburgs, heel gewoon. Ja en nee. Mijn houding ten opzichte van dialecten kenmerkt zich door ambivalentie. Dialectgebruik roept bij mij zowel positieve als negatieve gevoelens op, maar de negatieve overheersen. Ik bedien me dan ook alleen van (een van) mijn dialecten als ik mij in het gezelschap van mede-dialectsprekers bevind. Maar eerst dit. Waarom meervoud? Waarom meerdere dialecten? Omdat het in mijn geval twee dialecten betreft: van mijn ouders heb ik het dialect meegekregen dat in Horst wordt gesproken. Later heb ik het dialect geleerd dat in mijn geboorte- en woonplaats Venray wordt aangewend. Die twee plaatsen in Noord-Limburg liggen hemelsbreed tien kilometer uit elkaar maar de verschillen in klank en uitspraak zijn enorm. Er komen zelfs woorden in het ene dialect voor die in het andere niet bestaan. Het woord ‘moets’ (korstige uiteinde of kap van een brood) komt in Horst wel, maar in Venray niet voor. Omgekeerd wordt in Venray een fauteuil een ‘pros’ of ‘prost’ genoemd, een woord dat in Horst niet voorkomt. In Horst is een aardappel een ‘petat’, in Venray een ‘erpel’.
De conservatie van dialecten geschiedt in woordenboeken en woordenlijsten, maar deze registers bezitten de functie noch het vermogen om dialecten levend te houden. Dialecten ‘leven’ door de aanwending ervan, overigens in de regel alleen in het mondelinge en alledaagse, meer informele taalverkeer
Begrip voor mensen die dialecten willen conserveren, ik loop ervan over. Ik heb eveneens begrip voor mensen die dialecten levend willen houden, althans ik begrijp wat hen drijft, al betwijfel ik of dialecten geforceerd in stand gehouden kunnen worden als ze op het punt staan uit te sterven. Maar is het wel correct om van verdwijnende dialecten te reppen? Want dialecten zullen nooit helemaal ophouden te bestaan.
Iedere taalgebruiker die mondelinge taaluitingen levert, bedient zich per definitie van een dialect, ook de ABN-spreker. Het Algemeen Beschaafd Nederlands is in feite niet meer dan een plaatselijk dialect dat op een bepaald moment in de tijd tot officiële landstaal is gepromoveerd. Dit dialect is als het ware bevroren en van een zekere status voorzien: zo dienen de woorden van het Nederlands uitgesproken te worden. Maar dat wil niet zeggen dat het ABN stilstaat, integendeel: het ABN is volop in ontwikkeling en verandert voortdurend. Datzelfde geldt voor de dialecten.
Dialecten zijn, als alle talen, evoluerende organismen. Zolang ze gesproken worden, ontwikkelen ze zich, veranderen ze – ze leven als het ware. Het kunstmatig levend houden van streektalen is in mijn optiek onmogelijk en bovendien volstrekt overbodig. Streektalen kunnen ook naar hun eigen teloorgang evolueren, en niemand zal dat kunnen verhinderen. Dat streektalen ‘dood gaan’ is een natuurlijke ontwikkeling waaraan geen lievemoederen helpt. Streektalen die uitsterven, verdienen het om uit te sterven.
Waar ik geen begrip voor kan opbrengen, waar ik zelfs een uitgesproken hekel aan heb, dat zijn de lieden die ik onder de noemer ‘folklorisme’ schaar. Folklorisme zou ik willen definiëren als een bezeten, ziekelijke toewijding aan folklore. Echte folkloristen leven meer in het verleden dan in het heden en hebben het zo druk met conserveren dat zij vergeten dat er ook nog zoiets als een toekomst bestaat. Folklorisme is een spook dat zich in allerlei gedaanten voordoet. Eén van die vormen is de militante instandhouding van dialect. Dat streektalen onderhouden worden, verdient alle lof. Maar als onderhoud tot een obsessie ontaardt en folklorisme wordt, dan beschouw ik dat als een negatieve ontwikkeling.
De andere kant van de medaille is dat een dialect ook een schatkist van taal vertegenwoordigt. Als bewust taalgebruiker – groten als Joyce en Apollinaire met wie ik mij overigens niet waag te vergelijken, gingen mij hierin voor – boeien bepaalde elementen van de inhoud van die thesaurie mij zeer. Ik doel dan in het bijzonder op de woorden waarvan de herkomst niet direct te herleiden valt. De meeste woorden in het dialect zijn Nederlandse woorden die niet op de ABN-wijze worden uitgesproken. Van de woorden waarvoor dat niet opgaat, valt de stam over het algemeen eenvoudig te determineren, maar van sommige woorden is dat, vaak door de mate van verbastering, moeilijker. Zo wordt in het Venrays dialect het woord ‘aardappel’ verbasterd tot ‘erpel’, een geval van deletie, dat etymologisch geen problemen oplevert. En dat de woorden ‘moets’ en ‘petat’ afstammen van het Duitse ‘Mütze’ respectievelijk het Franse ‘patate’, ligt er wel heel dik bovenop.
Een woord dat in de Venrayse woordenschat niet voorkomt, maar wel in die uit Horst prijkt, is het bijvoeglijk naamwoord ‘vrèveuls’ dat onverschillig betekent. Er bestaat in de omringende taalgebieden geen enkel woord dat op ‘vrèveuls’ lijkt en dat onverschillig of iets dergelijks betekent. Een woord in het Nederlands dat er op lijkt is ‘wrevel’, maar semantisch heeft dat niets met onverschilligheid te maken, al kan onverschilligheid natuurlijk wel de nodige wrevel opwekken. Een woord dat er ook op lijkt is het Duitse 'Frevel'. misdaad; misdrijf; vergrijp; overtreding; wandaad; schanddaad; delict; wetsovertreding. Maar ook dat kan het niet zijn. En toen schoot me het woord ‘frivool’ binnen.
Die knoestige, kwezelachtige, (uiterlijk) preutse plattelanders in hun messerse broeken en die sloofjes die victoriaanser dan een Victoria waren, waar ze overigens nog nooit van hadden gehoord, associeerden frivoliteit automatisch met onverschilligheid omdat frivole mensen het leven niet serieus namen en vooral het leven na dit leven niet serieus namen.
Dat ‘vrèveuls’, frivool, qua betekenis naar ‘onverschillig’ kan opschuiven, is tot daar aan toe. Maar ‘vrèveuls’ gaat nog iets verder. Het woord, uitgesproken op die typisch verwijtende toon die het Horsterse dialect eigen is, gispend en smalend, lomp uitgestoten, duidt ook op een bewuste ongeïnteresseerdheid. Hij die ‘vrèveuls’ bejegend wordt, voelt zich het slachtoffer van een desinteresse die hem als een projectiel uit een wapen treft. Ostentatief genegeerd, verweert het slachtoffer in kwestie zich daartegen niet, maar legt hij de schuld bij zichzelf neer. ‘Het zal wel aan mij liggen,’ mompelt het slachtoffer om vervolgens in zijn schulp te kruipen. Dat is de wijze waarop menige Limburger meent door ‘Holland’ bejegend te worden: die onverschillige en verontachtzamende houding van ‘Holland’ ten opzichte van dat wormvormige aanhangsel dat Limburg heet. Voor die Limburgers vertegenwoordigt de koestering van hun dialect een onderdeel van de strategie om de eigen identiteit in stand te houden, hetgeen uiteindelijk als een politieke daad te bestempelen valt.
© 2013 Leo van der Sterren
zaterdag 15 juni 2013
De appendix 4
Toen ik in 1971 in de zesde en dus laatste klas van de lagere school zat (wat nu groep 8 van het basisonderwijs is), mocht onze klas op schoolreis. Aangezien het overgrote deel van mijn klasgenoten (alleen jongens – meisjes zaten op een aparte meisjesschool) op het gebied van reizen weinig gewend was, veroorzaakte alleen de aankondiging van dat uitstapje al de nodige opwinding.
Die agitatie bereikte zijn hoogtepunt toen wij, brave Noord-Limburgse prepubertjes, op een ochtend in juni in een bus geladen werden. Nog voor het vertrek gonsde het in die bus van de nerveuze opgewondenheid.
Het schooluitje voerde naar het zuiden. Van Noord-Limburg gingen we naar Zuid-Limburg – een goed uur rijden. We bezochten de geijkte plaatsen: Valkenburg, de Sint Pieter, Drielandenpunt, die dingen. Ook de ‘bergen’ maakten een diepe indruk op ons, dat weet ik nog. Verder ben ik de meeste bijzonderheden van het reisje in de loop der jaren vergeten. Op één detail na, dat nog op mijn netvlies staat gegrift.
Ik weet niet precies waar in dat mooie zuiden van Limburg het incident zich voordeed, maar dat doet er ook niet toe. Nadat wij een bezienswaardigheid hadden bezocht, maakten wij aanstalten om weer in de bus te stappen. Terwijl wij in de rij bij de bus stonden, zagen wij in de verte tegen een bosrand een figuurtje dat opviel omdat het overduidelijk misbaar maakte. Het betrof een oud mannetje met kromme benen en een hoed op zijn hoofd dat wild met een stok gesticuleerde. Ogenschijnlijk woedend zwaaide hij dreigend met die stok boven zijn hoofd. Hij deed alsof hij elk moment tot de aanval kon overgaan. In zijn toorn schreeuwde hij van alles. Het meeste bleef onverstaanbaar, maar van één frase viel wel iets te maken. Ik hoorde het oude mannetje op een gegeven moment ‘verrekte Hollanders’ roepen. ‘Verrekte Hollanders!’ Luid en duidelijk en zeer veel verwarring stichtend.
© 2013 Leo van der Sterren
Die agitatie bereikte zijn hoogtepunt toen wij, brave Noord-Limburgse prepubertjes, op een ochtend in juni in een bus geladen werden. Nog voor het vertrek gonsde het in die bus van de nerveuze opgewondenheid.
Het schooluitje voerde naar het zuiden. Van Noord-Limburg gingen we naar Zuid-Limburg – een goed uur rijden. We bezochten de geijkte plaatsen: Valkenburg, de Sint Pieter, Drielandenpunt, die dingen. Ook de ‘bergen’ maakten een diepe indruk op ons, dat weet ik nog. Verder ben ik de meeste bijzonderheden van het reisje in de loop der jaren vergeten. Op één detail na, dat nog op mijn netvlies staat gegrift.
Ik weet niet precies waar in dat mooie zuiden van Limburg het incident zich voordeed, maar dat doet er ook niet toe. Nadat wij een bezienswaardigheid hadden bezocht, maakten wij aanstalten om weer in de bus te stappen. Terwijl wij in de rij bij de bus stonden, zagen wij in de verte tegen een bosrand een figuurtje dat opviel omdat het overduidelijk misbaar maakte. Het betrof een oud mannetje met kromme benen en een hoed op zijn hoofd dat wild met een stok gesticuleerde. Ogenschijnlijk woedend zwaaide hij dreigend met die stok boven zijn hoofd. Hij deed alsof hij elk moment tot de aanval kon overgaan. In zijn toorn schreeuwde hij van alles. Het meeste bleef onverstaanbaar, maar van één frase viel wel iets te maken. Ik hoorde het oude mannetje op een gegeven moment ‘verrekte Hollanders’ roepen. ‘Verrekte Hollanders!’ Luid en duidelijk en zeer veel verwarring stichtend.
© 2013 Leo van der Sterren
zaterdag 8 juni 2013
De appendix 3
Als Limburgse Nederlander lees je de roman ‘Extra tijd’ van A.H.J. Dautzenberg anders dan als niet-Limburgse Nederlander. Ik denk dat je als Limburgse Nederlander ook meer waardering voor het boek kunt opbrengen dan als niet-Limburger. Nog meer waardering.
Subtiel geeft Dautzenberg in ‘Extra tijd’ enkele staaltjes weer van hoe menige Limburger in elkaar zit. Veel Limburgers koesteren en cultiveren die attitude zelfs: wij, Limburgers, versus hen, ‘Hollanders’. Maar ook is menige Limburger doordrongen van een intens gevoel van minderwaardigheid dat hem of haar in bepaalde situaties doet buigen als een knipmes, de niet-Limburgse meerdere erkennend.
Bladzijde 70. ‘Op verzoek van zijn vader is Marcel bij de twee op bezoek, om zijn vaders zus [Hedwig] gerust te stellen. Een onmogelijke opgave, want Hedwig is de verpersoonlijking van paniek. Een golem die is opgetrokken uit Kerkraadse klei, een grondstof die voor 97 procent uit minderwaardigheid bestaat. De overige 3 procent? Steenkoolgruis.’
Blz. 181. ‘Ik heb altijd een hekel gehad aan de j’s van het Kerkraads dialect. Ze klinken zo zeurderig. Zo alsje-alsje-alsjeblieft, zo jevelles. Alsof een mijnwerker diep onder de grond om nog wat extra licht vraagt, maar het komt er zo serviel uit dat hij al tijdens het vragen weet dat hij in het schemerlicht verder zal moeten hakken.’
© 2013 Leo van der Sterren
Subtiel geeft Dautzenberg in ‘Extra tijd’ enkele staaltjes weer van hoe menige Limburger in elkaar zit. Veel Limburgers koesteren en cultiveren die attitude zelfs: wij, Limburgers, versus hen, ‘Hollanders’. Maar ook is menige Limburger doordrongen van een intens gevoel van minderwaardigheid dat hem of haar in bepaalde situaties doet buigen als een knipmes, de niet-Limburgse meerdere erkennend.
Bladzijde 70. ‘Op verzoek van zijn vader is Marcel bij de twee op bezoek, om zijn vaders zus [Hedwig] gerust te stellen. Een onmogelijke opgave, want Hedwig is de verpersoonlijking van paniek. Een golem die is opgetrokken uit Kerkraadse klei, een grondstof die voor 97 procent uit minderwaardigheid bestaat. De overige 3 procent? Steenkoolgruis.’
Blz. 181. ‘Ik heb altijd een hekel gehad aan de j’s van het Kerkraads dialect. Ze klinken zo zeurderig. Zo alsje-alsje-alsjeblieft, zo jevelles. Alsof een mijnwerker diep onder de grond om nog wat extra licht vraagt, maar het komt er zo serviel uit dat hij al tijdens het vragen weet dat hij in het schemerlicht verder zal moeten hakken.’
© 2013 Leo van der Sterren
Labels:
A.H.J. Dautzenberg,
De appendix. Limburg
dinsdag 21 mei 2013
De appendix 2
Het verdriet van Limburg wordt in niet geringe mate veroorzaakt door de teloorgang van de identiteitsbepalende factor die de naam ‘het Rijke Roomsche Leven’ droeg en die op meer werelds gebied begeleid werd door de opkomst van de mijnen. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw zetten de katholieken, die in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden stelselmatig waren achtergesteld ten opzichte van de protestanten, een proces van emancipatie in. In de gebieden waar de rooms-katholieke godsdienst overheerste, met name Brabant en Limburg, bloeide het katholicisme weer op, als het al ooit weg was geweest. In beide provincies begon de kerk een leidende rol te spelen in het maatschappelijke leven. De rooms-katholieke godshuizen puilden uit. Op het gebied van politiek, onderwijs, pers en verenigingsleven ontvoogdde het katholicisme zich razendsnel. De zuil liet geen gelegenheid onbenut om de nieuw ontstane wasdom te etaleren. En zo ontstond het rijke roomse leven met naar buiten toe de weelderige liturgie, de overdadige heiligenverering, de processies, een en al pracht en praal, maar ook het zoeken naar spiritualiteit en devotie. En daarbij bloeiden ook, als een soort collateral damage, de machtswellust en tirannie van het godsdienstige instituut weer op, met al zijn wrede en perverse begeleidende verschijnselen.
De rooms-katholieke emancipatie was vooral een middel ter hantering en verdringing van het altijd sluimerende minderwaardigheidsgevoel ten opzichte van de rest van Nederland, of in elk geval het protestantse deel ervan. Door de retraite in een reservaat dat naar buiten toe het bezwerende en afwerende kruis van het katholicisme hoog hield, werden nare emoties bedwongen. De eigen boontjes doppen, zo luidde de leus. We doen het zelf wel. En dat klopte ook: door de mijnbouw en industrie bloeiden steden als Maastricht en Heerlen enorm op. Zelfgenoegzaam demonstreerden zij hun rijkdom (hetgeen overigens niet betekent dat alle inwoners in die rijkdom deelden, integendeel, die bleef slechts aan een kleine bovenklasse voorbehouden).
In de jaren zestig van de vorige eeuw en in het bijzonder na het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) kwam er een einde aan de macht van de rooms-katholieke kerk en daarmee ook aan het rijke roomse leven. Limburg en Brabant, bastions van katholicisme, ontkerstenden in hoog tempo. De kerk verloor wat ze nog aan macht bezat. Het kerkbezoek nam dramatisch af. De KVP ging op in een grote algemeen christelijke partij. Deze ontwikkelingen werden in belangrijke mate veroorzaakt door het latente, maar pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw expliciet uitgesproken besef dat een belangrijke component van dat destijds zo geprezen rijke roomse leven bestond uit bedrog, intimidatie en repressie. De recente onthullingen van kindermisbruik en kindermishandeling binnen de instituten van de katholieke kerk hebben de verschrikkelijke feiten gestaafd en versterkt, namelijk dat de katholieke kerk en haar instituten vergeven waren van perverse machtswellustelingen. En De Groene Amsterdammer constateerde onlangs dat van de rooms-katholieke Limburgers slechts zes procent ter kerke gaat – maar liefst tachtig procent minder dan in de jaren zestig.
De ontkerstening in Limburg verliep parallel met de sluiting van de steenkoolmijnen, met economische achteruitgang en met een langzame, maar zekere krimp van de bevolking. Limburg wist bovendien op economisch gebied niet die veerkracht te ontplooien die bijvoorbeeld buurprovincie Noord-Brabant aan de dag legt. Deze factoren, aangevuld met een globalisering die als een bedreiging wordt ervaren, vormen de voedingsbodem voor de minderwaardigheidsgevoelens van veel Limburgers, voor de gevoelens van onbehagen en verdriet waardoor veel imwoners van de provincie die op de landkaart als een wormvormig aanhangsel oogt, getekend worden.
© 2013 Leo van der Sterren
De rooms-katholieke emancipatie was vooral een middel ter hantering en verdringing van het altijd sluimerende minderwaardigheidsgevoel ten opzichte van de rest van Nederland, of in elk geval het protestantse deel ervan. Door de retraite in een reservaat dat naar buiten toe het bezwerende en afwerende kruis van het katholicisme hoog hield, werden nare emoties bedwongen. De eigen boontjes doppen, zo luidde de leus. We doen het zelf wel. En dat klopte ook: door de mijnbouw en industrie bloeiden steden als Maastricht en Heerlen enorm op. Zelfgenoegzaam demonstreerden zij hun rijkdom (hetgeen overigens niet betekent dat alle inwoners in die rijkdom deelden, integendeel, die bleef slechts aan een kleine bovenklasse voorbehouden).
In de jaren zestig van de vorige eeuw en in het bijzonder na het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) kwam er een einde aan de macht van de rooms-katholieke kerk en daarmee ook aan het rijke roomse leven. Limburg en Brabant, bastions van katholicisme, ontkerstenden in hoog tempo. De kerk verloor wat ze nog aan macht bezat. Het kerkbezoek nam dramatisch af. De KVP ging op in een grote algemeen christelijke partij. Deze ontwikkelingen werden in belangrijke mate veroorzaakt door het latente, maar pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw expliciet uitgesproken besef dat een belangrijke component van dat destijds zo geprezen rijke roomse leven bestond uit bedrog, intimidatie en repressie. De recente onthullingen van kindermisbruik en kindermishandeling binnen de instituten van de katholieke kerk hebben de verschrikkelijke feiten gestaafd en versterkt, namelijk dat de katholieke kerk en haar instituten vergeven waren van perverse machtswellustelingen. En De Groene Amsterdammer constateerde onlangs dat van de rooms-katholieke Limburgers slechts zes procent ter kerke gaat – maar liefst tachtig procent minder dan in de jaren zestig.
De ontkerstening in Limburg verliep parallel met de sluiting van de steenkoolmijnen, met economische achteruitgang en met een langzame, maar zekere krimp van de bevolking. Limburg wist bovendien op economisch gebied niet die veerkracht te ontplooien die bijvoorbeeld buurprovincie Noord-Brabant aan de dag legt. Deze factoren, aangevuld met een globalisering die als een bedreiging wordt ervaren, vormen de voedingsbodem voor de minderwaardigheidsgevoelens van veel Limburgers, voor de gevoelens van onbehagen en verdriet waardoor veel imwoners van de provincie die op de landkaart als een wormvormig aanhangsel oogt, getekend worden.
© 2013 Leo van der Sterren
zaterdag 18 mei 2013
De appendix 1
In de Nederlandse context vormt Limburg eigenlijk een Fremdkörper, net als het noord-oosten van Groningen en Zeeuws-Vlaanderen of eigenlijk heel Zeeland. Maar Zeeland mag dan geografisch van Nederland dreigen af te vallen, het gewest hoort bij het hartland van de Reformatorische revolutie van de zestiende eeuw. In tegenstelling tot Limburg en ondanks het feit dat het geen deel uitmaakt van de ‘Hollandse tuin’, heeft Zeeland historisch gezien dus recht op de status van een volwaardige ‘Hollandsche’ provincie. Wie daar trots op wil zijn, mag daar trots op zijn.
Veel Limburgers kennen geen trots, althans niet met betrekking tot de positie die Limburg inneemt ten opzichte van het Nederlandse geheel. Veel Limburgers menen dat hun provincie wordt achtergesteld. Hun mentaliteit wordt in niet geringe mate bepaald door het denkbeeld dat zij in een uithoek en een overbodig aanhangsel van Nederland wonen en dat die omstandigheid ook hun waarde als Nederlanders bepaalt – in verhouding met landgenoten uit bepaalde andere provincies wanen veel Limburgers zich tweederangs Nederlanders.
De mentaliteit van menige Limburger stoelt op het besef of de hersenschim dat hij op een min of meer afgebakende fractie van Nederland verblijft dat formeel lange tijd als achtergestelde kavel gold, maar dat ook nu nog als een achterstandsgebied te boek staat – een kavel die bovendien gestaag achteruit gaat, ondanks de inspanningen die de rijksoverheid zich getroost om die negatieve ontwikkeling te beperken of tegen te gaan. Die inspanningen worden overigens louter voor de vorm gedaan. Want dat de moeite die de rijksoverheid neemt om een zieltogend Limburg (net als bijvoorbeeld Oost-Groningsen of Zeeuws-Vlaanderen) nieuw leven in te blazen, gekenschetst worden door ambivalentie, zal zelfs iemand die een en ander objectief beoordeelt, moeten beamen. Opwaardering van uithoeken gaat nooit van harte. Andere prioriteiten dienen zich aan die ertoe leiden dat de blindedarmen al snel, maar nooit expliciet afgeschreven worden.
De uitstulping Limburg bungelt dus nog maar net aan de rest en kan elk moment van het nationale geheel afvallen. De idee van veel Limburgers dat Limburg niet bij het grotere Nederlandse geheel hoort, veroorzaakt een ongezonde gerichtheid naar binnen. Het brengt bovendien onbehagen en verdriet teweeg. Het gezicht van Limburg is getekend door droefenis. Bijna als vanzelf mondt die accumulatie van negatieve emoties, die zich ook als een minderwaardigheidscomplex openbaart, uit in een houding die on-Limburgs is, een houding gekenmerkt door razernij, rancune en rebelsheid, eigenschappen die de gezagsgetrouwe, serviele en gedweeë Limburger van nature vreemd zijn. Het zit niet in hun aard en toch ontlaadt het zich, bijvoorbeeld door de voorkeur voor een politieke partij als de PVV of het felle anathema van de rooms-katholieke kerk.
De onlustgevoelens van Limburg staan niet op zichzelf, maar zijn ingebed in de geul van ontevredenheid die door Nederland of door enig ander land in Europa meandert. Dat onbehagen laat zich kanaliseren, maar hoe lang nog? Wanneer materialiseert zich de dreigende moerasvorming? Want veel mensen voelen zich bedreigd door ontwikkelingen die om hen heen plaatsvinden. De voortschrijdende globalisering. De volksverhuizingen die zich voltrekken als gevolg van het slechten van grenzen of slechte grenzen. Het verlies van identiteit in een steeds wereldser wordende wereld. De massaliteit van het massale waarin het individu verloren gaat. De zorgen om natuurlijke middelen en het milieu. De zich voortslepende economische en financiële crisis. In Europa passeert bovendien de centralisatie van het bestuur, deels ook om die crisis te bezweren. En dat terwijl de politiek in economisch slechte tijden enkel in de marge invloed kan uitoefenen om die crisis te bezweren. Om de toestand ten positieve te keren, staat de politiek zo goed als machteloos. Wel kan de crisis verergerd worden door toedoen van de politiek. Ten negatieve blijkt het vermogen van de politiek om de zaken te sturen plotseling veel groter. Desondanks eist Brussel de macht op waardoor de naties stukje bij beetje soevereiniteit moeten inleveren. Wanneer economie en welvaart groeien en bloeien, doen zich geen problemen voor, maar in beroerde periodes ontstaan er centrifugale krachten die de macht van het centrum weerstreven.
In Limburg worden de algemene onlustgevoelens versterkt door het slechte imago van de provincie die door velen vereenzelvigd wordt met een staalkaart van vergrijzing, corruptie en werkloosheid. Bovendien kleeft aan Limburg het beeld, een diocese te zijn waarvan de bevolking zich eeuwenlang door de rooms-katholieke kerk knevelen en dom heeft laten houden. Die status op zijn beurt versterkt weer het altijd op zijn minst latente gevoel van minderwaardigheid waardoor menige Limburgers getekend is. En zo ontstond de neerwaartse spiraal die voorlopig niet doorbroken zal worden – we zitten immers midden in een crisis die voorlopig niet zal wijken.
De troost die veel Limburgers zoeken voor hun verdriet is regressief. Het verleden biedt soelaas: een toestand van vroeger die een steeds idealere verschijning aanneemt, naarmate de afstand in tijd ertoe groeit. Dat heeft alles te maken met de technologische vooruitgang in de vorige eeuw. Vroeger was alles beter, want vroeger kon je niet tot over de grenzen kijken. Het is nog helemaal niet zo lang geleden dat de wereld klein en overzichtelijk oogde. Veel mensen hunkeren naar dit verleden dat zij vaak nog zelf hebben meegemaakt, zij vereren het. Zij bagatelliseren de nadelen die er ook aan die vroegere toestand kleefden, zoals elke toestand in de tijd goede en slechte facetten kent. Die ophemeling van het verleden uit zich in Limburg in de (soms overmatige – tot bezetenheid leidende) belangstelling voor de provinciale, regionale of locale geschiedenis, de hang naar het folkloristische en de koestering van fenomenen als het dialect, het bourgondische, het dorpse, het pittoreske, carnaval en kumpel-romantiek. Nostalgie dus, maar nostalgie naar iets wat, zoals men het nu in de verbeelding ervaart, nooit bestaan heeft. Een lieflijk Arcadië, waar de beekjes klotsen. Desondanks veroorzaakt die weemoed pijn, zoals een ideaalbeeld altijd schrijnt als je het naast de werkelijkheid positioneert.
De Limburgse smart maakt weliswaar deel uit van de smart van Nederland of Europa, maar is intensiever dan het verdriet dat nationaal of continentaal woekert, omdat er in Limburg een besef van tweederangsheid ten opzichte van de rest van Nederland rondwaart, of in elk geval ten opzicht van de Randstad. En daarom misleidt het beeld van de Limburger als een carnavaleske bourgondiër die zich uitleeft in kleurrijke en vrolijke folklore. Dat is een masker waaronder een heuse hypochonder schuil gaat.
© 2013 Leo van der Sterren
Veel Limburgers kennen geen trots, althans niet met betrekking tot de positie die Limburg inneemt ten opzichte van het Nederlandse geheel. Veel Limburgers menen dat hun provincie wordt achtergesteld. Hun mentaliteit wordt in niet geringe mate bepaald door het denkbeeld dat zij in een uithoek en een overbodig aanhangsel van Nederland wonen en dat die omstandigheid ook hun waarde als Nederlanders bepaalt – in verhouding met landgenoten uit bepaalde andere provincies wanen veel Limburgers zich tweederangs Nederlanders.
De mentaliteit van menige Limburger stoelt op het besef of de hersenschim dat hij op een min of meer afgebakende fractie van Nederland verblijft dat formeel lange tijd als achtergestelde kavel gold, maar dat ook nu nog als een achterstandsgebied te boek staat – een kavel die bovendien gestaag achteruit gaat, ondanks de inspanningen die de rijksoverheid zich getroost om die negatieve ontwikkeling te beperken of tegen te gaan. Die inspanningen worden overigens louter voor de vorm gedaan. Want dat de moeite die de rijksoverheid neemt om een zieltogend Limburg (net als bijvoorbeeld Oost-Groningsen of Zeeuws-Vlaanderen) nieuw leven in te blazen, gekenschetst worden door ambivalentie, zal zelfs iemand die een en ander objectief beoordeelt, moeten beamen. Opwaardering van uithoeken gaat nooit van harte. Andere prioriteiten dienen zich aan die ertoe leiden dat de blindedarmen al snel, maar nooit expliciet afgeschreven worden.
De uitstulping Limburg bungelt dus nog maar net aan de rest en kan elk moment van het nationale geheel afvallen. De idee van veel Limburgers dat Limburg niet bij het grotere Nederlandse geheel hoort, veroorzaakt een ongezonde gerichtheid naar binnen. Het brengt bovendien onbehagen en verdriet teweeg. Het gezicht van Limburg is getekend door droefenis. Bijna als vanzelf mondt die accumulatie van negatieve emoties, die zich ook als een minderwaardigheidscomplex openbaart, uit in een houding die on-Limburgs is, een houding gekenmerkt door razernij, rancune en rebelsheid, eigenschappen die de gezagsgetrouwe, serviele en gedweeë Limburger van nature vreemd zijn. Het zit niet in hun aard en toch ontlaadt het zich, bijvoorbeeld door de voorkeur voor een politieke partij als de PVV of het felle anathema van de rooms-katholieke kerk.
De onlustgevoelens van Limburg staan niet op zichzelf, maar zijn ingebed in de geul van ontevredenheid die door Nederland of door enig ander land in Europa meandert. Dat onbehagen laat zich kanaliseren, maar hoe lang nog? Wanneer materialiseert zich de dreigende moerasvorming? Want veel mensen voelen zich bedreigd door ontwikkelingen die om hen heen plaatsvinden. De voortschrijdende globalisering. De volksverhuizingen die zich voltrekken als gevolg van het slechten van grenzen of slechte grenzen. Het verlies van identiteit in een steeds wereldser wordende wereld. De massaliteit van het massale waarin het individu verloren gaat. De zorgen om natuurlijke middelen en het milieu. De zich voortslepende economische en financiële crisis. In Europa passeert bovendien de centralisatie van het bestuur, deels ook om die crisis te bezweren. En dat terwijl de politiek in economisch slechte tijden enkel in de marge invloed kan uitoefenen om die crisis te bezweren. Om de toestand ten positieve te keren, staat de politiek zo goed als machteloos. Wel kan de crisis verergerd worden door toedoen van de politiek. Ten negatieve blijkt het vermogen van de politiek om de zaken te sturen plotseling veel groter. Desondanks eist Brussel de macht op waardoor de naties stukje bij beetje soevereiniteit moeten inleveren. Wanneer economie en welvaart groeien en bloeien, doen zich geen problemen voor, maar in beroerde periodes ontstaan er centrifugale krachten die de macht van het centrum weerstreven.
In Limburg worden de algemene onlustgevoelens versterkt door het slechte imago van de provincie die door velen vereenzelvigd wordt met een staalkaart van vergrijzing, corruptie en werkloosheid. Bovendien kleeft aan Limburg het beeld, een diocese te zijn waarvan de bevolking zich eeuwenlang door de rooms-katholieke kerk knevelen en dom heeft laten houden. Die status op zijn beurt versterkt weer het altijd op zijn minst latente gevoel van minderwaardigheid waardoor menige Limburgers getekend is. En zo ontstond de neerwaartse spiraal die voorlopig niet doorbroken zal worden – we zitten immers midden in een crisis die voorlopig niet zal wijken.
De troost die veel Limburgers zoeken voor hun verdriet is regressief. Het verleden biedt soelaas: een toestand van vroeger die een steeds idealere verschijning aanneemt, naarmate de afstand in tijd ertoe groeit. Dat heeft alles te maken met de technologische vooruitgang in de vorige eeuw. Vroeger was alles beter, want vroeger kon je niet tot over de grenzen kijken. Het is nog helemaal niet zo lang geleden dat de wereld klein en overzichtelijk oogde. Veel mensen hunkeren naar dit verleden dat zij vaak nog zelf hebben meegemaakt, zij vereren het. Zij bagatelliseren de nadelen die er ook aan die vroegere toestand kleefden, zoals elke toestand in de tijd goede en slechte facetten kent. Die ophemeling van het verleden uit zich in Limburg in de (soms overmatige – tot bezetenheid leidende) belangstelling voor de provinciale, regionale of locale geschiedenis, de hang naar het folkloristische en de koestering van fenomenen als het dialect, het bourgondische, het dorpse, het pittoreske, carnaval en kumpel-romantiek. Nostalgie dus, maar nostalgie naar iets wat, zoals men het nu in de verbeelding ervaart, nooit bestaan heeft. Een lieflijk Arcadië, waar de beekjes klotsen. Desondanks veroorzaakt die weemoed pijn, zoals een ideaalbeeld altijd schrijnt als je het naast de werkelijkheid positioneert.
De Limburgse smart maakt weliswaar deel uit van de smart van Nederland of Europa, maar is intensiever dan het verdriet dat nationaal of continentaal woekert, omdat er in Limburg een besef van tweederangsheid ten opzichte van de rest van Nederland rondwaart, of in elk geval ten opzicht van de Randstad. En daarom misleidt het beeld van de Limburger als een carnavaleske bourgondiër die zich uitleeft in kleurrijke en vrolijke folklore. Dat is een masker waaronder een heuse hypochonder schuil gaat.
© 2013 Leo van der Sterren
Abonneren op:
Reacties (Atom)