maandag 16 mei 2011

There is no natural religion



















There Is No Natural Religion

[a]

The Argument. Man has no notion of moral fitness but from Education. Naturally he is only a natural organ subject to Sense.

I. Man cannot naturally Percieve but through his natural or bodily organs.

II. Man by his reasoning power can only compare & judge of what he has already perciev’d.

III. From a perception of only 3 senses or 3 elements none could deduce a fourth or fifth.

IV. None could have other than natural or organic thoughts if he had none but organic perceptions.

V. Man's desires are limited by his perceptions; none can desire what he has not perciev'd.

VI. The desires & perceptions of man, untaught by any thing but organs of sense, must be limited to objects of sense.

There Is No Natural Religion

[b]

I. Man’s perceptions are not bounded by organs of perception; he percieves more than sense (tho’ ever so acute) can discover.

II. Reason, or the ratio of all we have already known, is not the same that it shall be when we know more.

III There is no extant impression or record of a plate numbered III.

IV. The bounded is loathed by its possessor. The same dull round even of a universe would soon become a mill with complicated wheels.

V. If the many become the same as the few when possess’d, More! More! is the cry of a mistaken soul. Less than All cannot satisfy Man.

VI. If any could desire what he is incapable of possessing, despair must be his eternal lot.

VII. The desire of Man being Infinite, the possession is Infinite & himself Infinite.

Application. He who sees the Infinite in all things sees God. He who sees the Ratio only sees himself only.

Conclusion. If it were not for the Poetic or Prophetic character the Philosophic & Experimental would soon be at the ratio of all things, & stand still unable to do other thanrepeat the same dull round over again.

Therefore God becomes as we are, that we may be as he is.


William Blake

Foto: © 2011 Leo van der Sterren

zaterdag 14 mei 2011

Complex

Gezien: de Duitse film ‘Der Baader Meinhof Komplex’. Film over jongvolwassenen in de Bondsrepubliek Duitsland die zich eind jaren zestig van de vorige eeuw, wanneer ‘1968’ langzaam wegebt of gekanaliseerd wordt, ontpoppen tot links-extremisten en uiteindelijk tot hetzij heldhaftige stadsguerilla’s hetzij niets ontziende terroristen – dit hangt af van door wat voor bril je kijkt; maar ik denk dat het oordeel in het huidige tijdsgewricht overwegend negatief uitvalt en je dus van terroristen moet spreken. Een duidelijk voorbeeld dus van een schuivende moraal.

De terroristen of liever gezegd, generaties van terroristen, eerst in de Baader Meinhof Gruppe, later in de Rote Armee Fraktion, hielden de BRD gedurende drie decennia van de twintigste eeuw, maar vooral in de jaren zeventig, in een wurggreep van geweld, angst, hysterie en paranoïa. In 1977, tijdens de periode die later bekend zou staan onder de naam Duitse Herfst, stortten de terreurdaden van de Rote Armee Fraktion de BRD in een crisis die het land op zijn democratische en constitutionele grondvesten deed wankelen. Afgezien van de enorme en hysterische klopjacht op de RAF-leden en de verregaande repressie, vond toen ook de instelling van de beruchte Berufsverbote plaats waarbij het sympathisanten van de Rote Armee Fraktion van staatswege onmogelijk werd gemaakt om in dienst van de West-Duitse overheid of semi-overheid te treden. Het thema ligt dan ook nog gevoelig bij onze oosterburen, ook en vooral gezien de hoofdrol die Duitsland in de twee grote oorlogen van de vorige eeuw vervulde en de vele emoties van schuld en boete die deze dieptepunten nog steeds op weten te roepen. In die zin is de titel van de film terecht: de RAF was een complex fenomeen in een complexe geschiedenis.

Maar hoe brisant de materie ook moge zijn, ‘Der Baader Meinhof Komplex’ maakt geen aanspraak op predikaten als ‘grote klasse’, ‘fenomenaal’ of zelfs ‘bijzonder’. Hij behoort tot de categorie van de oppervlakkige films zoals er dertien in een dozijn gaan. De film die tien jaar geschiedenis in vogelvlucht afwerkt, is opgebouwd uit episodische scènes vol mooie jonge mensen die veel bravoure en passie uitstralen, veel stoere taal uitkramen en veel buitenissig geweld aanwenden, met daar overheen een politiek sausje. Bovendien rust de rolprent zwaar op de pijlers van de romantiek en glamour die bijvoorbeeld ook menige film over Robin Hood maken tot het escapistische sprookje waar de gemiddelde filmkijker zich met liefde aan verlustigt.

De film biedt een verheerlijkte, gesublimeerde werkelijkheid. Maar de echte werkelijkheid moet vast ook net zo opwindend zijn geweest als de film doet voorkomen. Op enig moment moeten deze jongeren zich tot het uiterste gedreven hebben gevoeld door een overweldigend ideaal. Een droombeeld dat al het bestaande tot nietigheid verpulverde. Hoe cynisch de onderscheidenlijke leden van de RAF ook waren of werden, zij moeten op enig moment bijna gek van euforie en geluk zijn geweest omdat de genade van het grote besef hen overmande en omdat zij maar niet snapten waarom niet iedereen – de hele mensheid – datzelfde kon ervaren. Zelfs het Arschloch Andreas Baader zal door het ideaal betoverd zijn geweest, hoe kortstondig ook. Dat grote ideaal bestond uit de totstandbrenging van een rechtvaardige, vredige wereld waarin alle mensen gelijk waren en in harmonie met elkaar leefden – plus wellicht (en wellicht een addertje onder het gras) een flinke portie vrije liefde. Dat zweefde hen voor het begeesterde geestesoog. En die passie komt in de film goed tot zijn recht – net als het cynisme trouwens. En toen deze jongeren beseften dat dit ideaal met normale middelen nooit onmiddellijk tot stand gebracht zou worden, toen ontstond de woede. Ik kan me die woede heel goed voorstellen. Mensen spannen zich niet als vanzelf in om datgene tot uitvoer te brengen wat evident goed is voor de mensheid. Vrijwel alle leden van de wereldbevolking zijn het erover eens dat het gebruik van fossiele brandstoffen de aarde en haar bewoners geen goed doet. En toch spant wij, leden van de mensheid, ons niet voldoende in om fossiele brandstoffen te vervangen door een alternatief. Plotsklaps prevaleren er andere belangen die voortkomen uit egoïsme, uit de lust naar macht en geld. En dan kan ik me voorstellen dat er mensen zijn die in de gloed van hun idealisme tot woedend worden gedreven. Een Meinhof, een Ensslin, een Baader en al die andern overkwam dat. En dat staalde hun gelijk. Deze aartsidealisten eisten van zichzelf en van elkaar en van de maatschappij en van de wereld dat het visioen van een betere, van een goede wereld onmiddellijk verwezenlijkt zou worden. Het instrument waarmee zij die omwenteling wilden bewerkstelligen, was echter volstrekt abject. Zij kozen voor het geweld. Zij bedienden zich van de gewapende strijd om de gevestigde orde te destabiliseren en te ontwrichten. Na de daarop volgende revolutie zou alles goed komen. Maar het beroerde van revoluties is dat zij en in de regel een hoop leed veroorzaken en niet werken. Revoluties lossen niets op. Daarvoor is de geschiedenis veel te gecompliceerd. Geen enkele revolutie kan de complexiteit van de geschiedenis – van dat wat geschied is en gestaag doorwerkt – aan. Dat vermag enkel de volhardendheid van de evolutie.

© 2011 Leo van der Sterren

zaterdag 30 april 2011

Een juweel van een woord

Het woordje ‘noch’ acht ik een van de fraaiste woorden in de Nederlandse taal. Wat ‘noch’ wel niet allemaal kan aanrichten! Met dat linguïstische sieraad kan een bewering die al volledig ten einde is gebracht, weer ontkracht worden. De zekerheid die er is, wordt onmiddellijk weer teniet gedaan.

Als ik bijvoorbeeld beweer: ‘ik beschouw mezelf als een aartsdadaïst’, dan laat dat weinig twijfel over welke hoedanigheid ik aan mezelf toedicht. Maar stel dat de zin nog verder loopt. ‘Ik beschouw mezelf als een aartsdadaïst noch een doorgewinterde surrealist’. Nu zijn beide betitelingen opeens niet meer van toepassing op mijn persoon. In één klap is alles weggevaagd, ook datgene waarvan de fundamenten al lang en breed in de bodem lagen. ‘Noch’, aldus aangewend, verstoort ons gevoel voor logica; we dienen onze gedachten onherroepelijk te hergroeperen.

‘De wereldreizigers togen naar Boedapest noch naar Broekhuizen.’

‘De werknemers volgden de huwelijksvoltrekking van William en Kate op de televisie noch speelden zij op hun fluit.’

De woordcombinatie ‘en evenmin’ mag en kan ook, maar ‘noch’ is korter, bondiger, abrupter, met een meer onverwacht effect.

Het Nederlands kent nog meer prachtwoorden: ‘verootmoedigen’, ‘billijk’, ‘meanderen’, ‘desalniettemin’. Veel mensen vinden ‘liefde’ het mooiste woord, maar heeft dat niet meer te maken met verknochtheid aan het betekende van dat woord dan met de schoonheid van de betekenaar die op zichzelf niet zo bijzonder is en die, als alle betekenaars, arbitrair is? ‘Liefde’ is liefde – ‘liefde’ is niet liefde.

Nee, dan die vier letters van ‘noch’, dat kleine, simpele woordje dat het positieve zo absoluut in het negatieve kan transformeren. Die stoottroep van het nihilisme.

Op de hele wereld hunkeren mensen naar datgene wat ze niet hebben. Een koninklijk huwelijk draagt bij aan de verwezenlijking van die dromen noch de omverwerping van een regime, hoe destructief dat ook moge zijn.

© 2011 Leo van der Sterren

zaterdag 23 april 2011

Positieve kennis

Verkeerd, verkeerd – alleen al omwille van het feit dat je jezelf niet zo druk moet maken om wat filosofisch of kosmisch gezien futiliteiten zijn. Ik kan er niets aan doen, ik heb nu eenmaal een hekel aan individuen bij wie de positieve kennis als overrijpe, vette, blinkende pulp naar buiten stulpt. Ongebreidelde en ongerichte weetgierigheid heeft gecopuleerd met encyclopedische aplomb – positieve kennis is de vrucht van die schoot.

Absoluut – positieve kennis bestaat uit absolute feiten waaraan absoluut niet getwijfeld mag en moet worden. De informatie onder de noemer positieve kennis wordt steevast gepresenteerd als onbetwistbaar en onveranderlijk. Positieve kennis verheft zich ver boven dat niveau waar nog sprake is van onderworpenheid aan interpellaties en kruisverhoren. Mensen wier kennis positief is, weten alles of hebben het in zich om alles te weten, zelfs het ongenaakbare Ding-an-sich. Positivistische connaisseurs lopen in de regel indecent met hun eruditie te koop.

Maar het kan nog erger. Er bestaat een overtreffende trap. Die wordt bevolkt door de betweters. Het is druk op die trap want iedereen wil naar boven en niemand heeft in de gaten dat die trap bij de afgrond van het bare niets eindigt. Maar ze hebben zo’n ambitie en haast om boven te komen, dat ze elkaar feilloos de peilloze diepte in jagen.

Betweters – kwallerige wijsneuzen, pedante frikken, arrogante wiki-kwasten – dragen pruiken en verdachte binnenpretjes en nemen altijd een meta-positie in. ‘Laat iedereen maar lullen tot ie een ons weegt, uiteindelijk ben ik de oermoeder van de waarheid – ik alleen.’ Oermoeder ja – en tegelijkertijd oervader. Betweters spelen het klaar om zichzelf te bevruchten. Zij presteren het om kennis die gemakkelijk te betwisten valt als rotsvaststaande feitelijkheden geboren te doen worden. Zij slaan andere mensen, in de regel domkoppen die zich vergapen aan elke rozerode zuigeling, met die kennis om de oren als met een stinkende vis, ‘blue, glossy green and velvet black’.

Ik zelf maak geen deel uit van de categorie van lieden die zich eigenaars van positieve kennis mogen noemen en die hun wetenschap met liefde en plezier, maar vooral ongevraagd en te pas en te onpas distribueren. Sinds ik de waterscheiding der volwassenheid gepasseerd ben, is mijn kennis niet meer absoluut geweest. Altijd dreigde de donkere wolk van de twijfel. Altijd lag het roofdier van de falsificatie op de loer. Ik acht mijzelf een schoolvoorbeeld van een scepticus wiens kennis de beperkingen van het negatieve torst.

En nu vertrek ik. Omdat ik merk dat ik ril, rits ik de sluiting van mijn jas dicht. Ik stop mijn tot vuisten gebalde handen in mijn zakken, spied in het rond en zet de pas er stevig in, ook al schittert het doel door afwezigheid en kan de afgrond elk moment beginnen met diep en langdurig gapen.

© 2011 Leo van der Sterren

zaterdag 9 april 2011

Wie is Eddie?

‘Eddie, are you kidding? I've seen you on my TV. Eddie, are you kidding? The people always ask me. I saw your double knits. I thought they were the pits. You threw it in a bag. And then you sent me home.

Eddie, are you teasing about your rancid garments? Eddie, are you teasing about your sixty tailors? I'm coming over shortly because I am a portly. You promised you could fit me in a fifty dollar suit.

Eddie, my friends ask me: Eddie, Eddie, are you kidding? I wanna tell you something, my friends: I am not kidding. Here at Zachary All, we have sixty tailors in the back room. We have the west's largest selections of portly’s, regulars, longs, extra longs, and cadets. And my friends say to me: Eddie, Eddie, what do you think of the new double knits? (Eddie, what do you think of the new double knits?) And I tell them: I'll tell you something frankly, my friends, when the new double knits first came out, I was not impressed. But as you can see, these pants I'm wearing are double knit. They stretch in all the right places. They're most comfortable. Our model Twiggy here will demonstrate. I have this lovely little seersucker.

So where can I go in Gardena? And where can I go in L.A.? And where can I go in Rosemont? I need some thread today.

Eddie, are you kidding me? No, my friends, I'm not kidding. Right here on the Miracle Mile, we have the west’s largest selections of portly, regular, cadet, tall and long. And not only that, my brother Jake and Little Emil and sixty tailors.’


Mothers of Invention, ‘Eddie, are you kidding?’ (Frank Zappa, Howard Kaylan, Mark Volman, John Seiter, Nigey Lennon). Van het album ‘Just another band from L.A.’ (1972).


De Eddie waar de Mothers of Invention op 7 August 1971 in het Pauley Pavilion, UCLA, Los Angeles, de draak mee staken was de Amerikaanse ondernemer Edward Nalbandian. De achternaam Nalbandian stamt uit Armenië, waar de voorouders van Edward Albandian uit afkomstig waren, maar heeft zijn oorsprong in Perzië. Edward Nalbandian werd geboren op 29 december 1927 in Belmont, Massachusetts. Hij leerde het vak van kleermaker in de winkel van zijn vader en later in de textielindustrie van Boston. Hij ontmoette zijn toekomstige vrouw Anna Guchigian tijdens een jeugdconventie van de Armeense kerk in Providence, Rhode Island. Het paar trouwde op 28 januari 1951. Toen zijn vader de winkel in Belmont sloot, togen de Nalbandians naar Californië om daar hun geluk te beproeven. De eerste winkel van Nalbandian lag aan Pico Boulevard. Toen de zaken voor de wind bleken te gaan, verhuisden de Nalbandians naar 5467 Wilshire Boulevard, in dat deel van Los Angeles dat nu bekend staat als de Miracle Mile.

Nalbandian groeide in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw uit tot een locale beroemdheid door de vele televisiereclames die hij maakte, zijn kleermakerij Zachary All Clothing Store aanprijzend. In zijn commercials bleef hij telkens benadrukken dat de kleding bij Zachary All in de maten ‘cadet, extra short, regular, long, extra long and portly’ verkrijgbaar was. De kreet kreeg de status van een soort handelsmerk. In een andere reclameboodschap becommentarieerde Nalbandian de lage prijzen die hij in zijn winkels voerde. ‘My friends all ask me: “Eddie, are you kidding?” And I tell them: “no, my friend, I am not kidding.”’ Later trad Nalbandian ook in talkshows op. Edward Nalbandian was een heuse talking head.

Intussen promoveerde hij van detailhandelaar naar groothandelaar, een globaal ondernemer die zakenreizen naar plaatsen over de hele wereld maakte. Maar hij kon ook in zijn winkel kleren aan het maken of aan het persen zijn. Edward Nalbandian overleed op 22 februari 2006. De laatste jaren van zijn leven leed Albandian aan de ziekte van Alzheimer.

Edward Nalbandian belichaamde de Amerikaanse droom: een nazaat van emigranten uit Armenië die door hard werken tot een vooraanstaande ondernemer en een locale beroemdheid uitstijgt. De keerzijde van de medaille is dat Nalbandian eveneens de Amerikaanse, niets ontziende, permanente manie om te verkopen, om goederen te slijten personifieert. Verkopen tegen elke prijs, ben je bijna geneigd om te stellen. Maar dat gaat de handelaren te ver. De prijs moet goed zijn: er moet winst gegenereerd worden. Het is die niet aflatende obsessie voor het commerciële – met als adagium: mijn leven voor de business – die de Mothers of Invention in ‘Eddie, are you kidding?’ op de hak namen. Maar zij – voor het merendeel nazaten van emigranten uit Europa – behandelden dit specifieke onderwerp van hun satire met een humor die eerder mild dan scherp te noemen is.

© 2011 Leo van der Sterren

zaterdag 2 april 2011

Amateurdichter 2

Er is in Nederland, en denkelijk ook in het buitenland, geen enkele dichter die door zijn gedichten – uitsluitend door zijn gedichten – in zijn levensonderhoud kan voorzien. Elke dichter zal naast het schrijven van gedichten betaalde arbeid in enigerlei vorm moeten verrichten.

Een dichter, in Nederland of in het buitenland,die door toedoen van een maecenas voor de rest van zijn leven zou worden vrijgesteld van betaalde arbeid op voorwaarde dat hij zijn tijd aan de poëzie – uitsluitend aan de poëzie – zal wijden en die bijgevolg een complete werkweek bezig is met poëzie, zal binnen een kwartaal opgenomen moeten worden in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.

Het schrijven van gedichten constitueert geen dagtaak, ook en vooral niet vanuit het oogpunt van het geestelijke welbevinden.

De ware dichter – hij of zij die in zijn gedichten woont – zal zichzelf als een vakman kwalificeren, een ambachtsman die langdurig, acribisch en bestudeerd aan zijn gedichten sleutelt. Maar wat voor de echte dichter opgaat, geldt evenzeer voor de willekeurige rijmelaar en prutser: de creatie van een gedicht vindt nooit op commando plaats en de eerste instantie van het ontstaan van een gedicht laat op de dichter altijd de indruk na van de ontvangst van een genadegift. De manifestatie van die eerste inval, die eerste aanzet, die flits van inspiratie gaat altijd gepaard met een gewaarwording van magie.

Het deugt dat je met behulp van zo’n fenomeen niet in je levensonderhoud kunt voorzien.

© 2011 Leo van der Sterren

zaterdag 26 maart 2011

Arie Penarie

Wer Großes will, muß sich zusammenraffen:/In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister,/Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben,’ zo moet de onvolprezen Duitse literator Johann Wolfgang von Goethe ongeveer twee eeuwen geleden gescandeerd hebben, nadat hij zijn gedicht ‘Natur und Kunst’ voltooid en niet zonder enige zelfvoldaanheid goed bevonden had.[i] Het adagium fungeerde als een gouden stelregel in de literatuur en dat pretendeert het nog steeds te doen. Zelfkritiek, zelfbeheersing en zelfbeperking vertegenwoordigden de ultieme vormen van zelfbewustzijn en van het vermogen voeling te hebben met de belangen en de belangstelling van anderen. Als die anderen een boek wegleggen, teleurgesteld en gefrustreerd omdat het hen veel te lang uitvalt of omdat het eenvoudig niet boeit, dan heeft de schrijver van dat boek gedwaald en gefaald, daar waar hijzelf hetzij zijn uitgever die misstap had kunnen voorkomen.

Caspar Molekaj handhaafde zich in meer dan één opzichte als een weerbarstig figuur, als een existentiële dwarsligger. Maatschappelijk gold hij als een paria omdat hij schreef en van het schrijven zijn beroep had gemaakt (en dus, zo oordeelde het burgerlijke canaille niet zonder vooroordeel, niet werkte, en zich dus onmaatschappelijk gedroeg), omdat hij de huwelijksboot had laten passeren en omdat hij huis en tuin verwaarloosde. Vol gloeiende verontwaardiging spraken de brave burgers er schande van. En ofschoon Caspar nooit iets te maken had gehad met het reilen en zeilen van woonwagenbewoners en reizigers, verkocht hij op zijn drieëndertigste geboortedag zijn huis om te gaan rondtrekken met een jeep en woonwagen. Als de goegemeente hem onaangepastheid verweet, dan zou men het weten ook.

Als schrijver schoof Caspar op dat keerpunt in zijn leven de conventies die in zijn tijd gebruikelijk waren met betrekking tot het schrijven van een roman of een verhaal ostentatief terzijde. Dat betekende niet dat hij nu plotseling geforceerd streefde naar het maken van experimentele kunst, maar hij negeerde in zijn werken voortaan alles wat conventioneel was in het vertellen van verhalen. En dus was Geheimrat Goethes gouden, maar staalharde stelregel evenmin als alle andere regels van de vertelkunst nog aan Caspar Molekaj besteed. Bijvoorbeeld het dogmatische: gij zult het bijvoeglijke naamwoord niet ijdel gebruiken.[ii] Of: gij zult u niet bezondigen aan digressie, divagatie, amplificatie, uitweiding, afdwaling en excursie. Of: gij zult geen opsommingen en enumeraties bezigen – gij zult de topos van Cornucopia vermijden. Caspar trok zijn neus er voortaan voor op.

Als schrijver had Caspar Molekaj al een heel oeuvre op zijn naam staan toen de geest in hem voer en hij het roer omgooide. Hij had drie verhalenbundels gepubliceerd en een gelijk aantal romans.[iii] Die boeken verkochten behoorlijk genoeg om van te kunnen leven – vooropgesteld dat je tevredenheid betrachtte met een sober bestaan. Toen Caspar zijn huis verruilde voor een woonwagen begon hij aan zijn vierde roman, getiteld: ‘Arie Penarie’. Hij concipieerde aanvankelijk een ruwe schets en wrochtte vervolgens een eerste versie. Deze variant telde honderdtwintig bladzijden. In plaats van te gaan schrappen echter, breidde Caspar het verhaal continu en meedogenloos uit. Zeven jaren zwoegde hij op de revisie van het meesterwerk over de ongelukkige Arie Penarie, de man die niets anders dan pech ondervond op een allengs nauwelijks begaanbare levensweg. De man die de ene na de andere geliefde verloor, de een omdat zij stierf op het kraambed, de ander omdat zij hem verliet voor een vrouwelijke geliefde, een derde omdat hij haar het huis uit schopte, nadat hij ontdekt had dat zij een langetermijnpoging deed om hem te vergiftigen. ‘Arie Penarie’ constitueerde evenzeer een zedenschets als een slapstick-roman en evenzeer een familiekroniek als de geschiedenis van het brave vaderland gedurende enkele decennia in de twintigste eeuw.

Uiteindelijk lag er een foliant van twaalfhonderd pagina’s op de tafel van Caspars woonwagen, een soort melancholieke schelmenroman, kruising van Tristam Shandy en een willekeurige Jean Paul, en ook vol Céline, Rushdie en Cortázar, maar dan op zijn Nederlands en op zijn postmoderns.

In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister,’ mompelde Caspar terwijl hij het manuscript dat op tafel prijkte, vol genegenheid gadesloeg. ‘Een ieder die dit voorschrift consequent opvolgt, zwijgt en schrijft geen woord meer. Die Beschränkung ist ein Meister aus Deutschland, zo componeerde Caspar in gedachten, maar niet zonder jolijt. Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben veranderde hij in nur die Freiheit ist Gesetz.[iv] Hij grinnikte, zette zich aan tafel en begon vol goede moed aan de tweede herziening van zijn boek.

Dat Caspar Molekaj geen last had van Goethes dichterlijke axioma, betekende overigens niet dat hij niet worstelde met het materiaal dat hem en andere schrijvers ter beschikking stond. En behalve met de stof, de materie van het fictieve levensverhaal van Arie Penarie waar hij zich mee bezig hield, bleek Caspar voortdurend in gevecht met wat hij noemde: de onbepaaldheid of de indefinietheid van het verbaliseren. Hij was er zich scherp en daarom ook soms pijnlijk van bewust dat het aantal mogelijkheden van formuleren in principe een eindeloosheid bezat die je soms melancholiek of licht panisch maakte of je een gevoel van misselijkheid bezorgde. Eenzelfde feit of gebeurtenis of gedachte kon op een oneindig aantal wijzen weergegeven worden. En er bestond ook geen formulering die aanspraak kon maken op de kwalificatie de enige juiste of correcte verwoording te behelzen. Daarenboven zweefde het Caspar helder voor de geest dat de taal in feite ontoereikend was om dingen uit te drukken. Je staat in feite altijd maar wat om de hete brij heen te drentelen, mompelde Caspar somber voor zich uit, terwijl hij zijn arm even liet rusten van het schrijven om vervolgens in weerwil van de defaitistische gedachte verder te gaan met pennen.

Wat hoe dan ook met enorme kapitalen in zijn bewustzijn was geëtst en als devies voor zijn werk en werken zou kunnen doorgaan, was de rotsvaste overtuiging dat elk woord er één teveel was. Alle woorden die ooit geuit waren, laat staan de woorden die nog geuit zouden worden, blonken uit door overbodigheid en daarom alleen al zweemde Goethes axioma naar het onzinnige. Als je de uiterste consequenties uit Goethes postulaat zou trekken, zou een compleet en oorverdovend stilzwijgen het uiteindelijke resultaat zijn. Helemaal geen woorden meer gebruiken. En dat vertegenwoordigde wel het meest extreme tegendeel van wat Caspar momenteel aan het doen was. Intussen waren er namelijk al weer veertien jaren verstreken. De derde versie van ‘Arie Penarie’ telde twaalfduizend bladzijdes. Er leek maar geen einde te komen aan de ellende waarin die arme Arie verkeerde.

De dag van de tweeëntachtigste verjaardag van Caspar Molekaj. Hij was eraan gewend om zijn leven alleen te leven. Eenzaamheid deerde hem niet. Depressie en melancholie kende hij niet, ondanks het feit dat hij de auctoriale verteller van het leven van een mislukt mens als Arie Penarie was. Toch vond hij deze dag niet zo geweldig want hij besefte dat de tijd om te vertrekken gekomen was. Hij realiseerde zich dat hij op sterven lag. Sommige mensen voelen dat. Met moeite richtte Caspar zich op van de zit- annex ligbank in zijn woonwagen. Hij staarde naar het enorme pak papier dat zich vanaf het tafelblad verhief, als een heuse toren. Het manuscript telde honderdtwintigduizend bladzijdes, het bevond zich in een staat van gereedheid en tegelijkertijd was het nog lang niet af. Maar Caspar vond het welletjes. Afgezien van het feit dat hij door zijn fysieke toestand geen verzoeken tot inspanning meer kon inwilligen, wilde hij Arie nadere penarie besparen. Hoe kon iemand – ook al was die iemand een fictief personage in een roman – honderdtwintigduizend bladzijdes lang de meest vreselijke en nare narigheid verdragen? Nee, het was meer dan mooi geweest. Het nageslacht moest maar zien wat ze met de jeep en de woonwagen en die stapel papier deden, dat kon hem niets meer schelen. Caspar Molekaj sloot zijn ogen en verzonk in de weldaad van de eeuwige slaap – het definitieve einde van de misère van Arie Penarie indachtig.


© 2011 Leo van der Sterren



[i] Johann Wolfgang Goethe, ‘Sämtliche Gedichte’. Frankfurt am Main/Leipzig, 2007, p. 1050.

[ii] ‘Het zelfstandig naamwoord wordt [in het noordelijke halfrond van Tlön] gevormd door een opeenhoping van bijvoeglijke naamwoorden. Ze zeggen niet maan; ze zeggen etherisch-helder op donkerrond of teer-oranje van de hemel of welke andere combinative ook.’ ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’, in: Jorge Luis Borges, ‘De Aleph en andere verhalen’. Amsterdam, 2006, p. 109.

[iii] De verhalenbundels droegen de titels ‘Arabische gom, of het dwaze heiligdom’, ‘Lekendood’ en ‘De man van meel en andere verhalen’. De romans: ‘Tyrus Vandervecke en de dood van een meisje’, ‘Een politicus stapt uit’ en ‘Palindroom’. Caspar Molekaj had ook gedichten geschreven, maar die zouden pas postuum worden gepubliceerd.

[iv] Vrij naar Celan.