‘Nou, kerel.’
‘Ja.’
‘Nou, een beetje gefeliciteerd, hè!’
‘Ja, dank je.’
‘En, hoe jong ben je geworden?’
‘Vierendertig, hè.’
‘En hoe voelt dat op je vierendertigste?’
‘Tja, hetzelfde als gisteren, hè.’
‘…’
‘…’
‘Alweer een jaartje erbij.’
‘Ja, gaat vanzelf, hè. Kwestie van blijven ademhalen.’
‘Ja, dat is zo.’
‘Ja.’
© 2014 Leo van der Sterren
woensdag 27 augustus 2014
maandag 25 augustus 2014
De laatste zomergast
David van Reybrouck had de eer om de reeks uitzendingen van het programma ‘Zomergasten’ van dit jaar af te sluiten. Het draaide uit op een van de betere uitzendingen van deze absolute zomerhit. David van Reybrouck presenteerde zich als een beminnelijk, emotioneel mens wiens vermogen, dat ruimhartig is, tot esthetische gewaarwording meer op hartstocht berust dan op de rede hetgeen ook de grote gedrevenheid en onvoorwaardelijkheid in zijn omgang met objecten van schoonheid verklaart.
Van Reybrouck toonde zich een enthousiaste ambassadeur van schoonheid in natuurlijke en artificiële dingen. Maar ondanks zijn bijna jongensachtige geestdrift bleef hij nauwkeurig formuleren. En ondanks zijn beminnelijkheid bleef hij Wilfried de Jong corrigeren – terecht corrigeren. De vraag van De Jong naar aanleiding van een filmfragment waarin enkel wolken getoond werden, wat hij, Van Reybrouck, dan in die wolken zag, was zelfs een beetje dom. De items over Sam Dillemans en Tsjebbe Hettinga waren het meest interessant. Daarna werd de uitzending eigenlijk één groot interview. Overigens ontwikkelt ‘Zomergasten’ zich almaar mee in de richting van monstervraaggesprek; de filmfragmenten worden steeds meer van ondergeschikt belang.
© 2014 Leo van der Sterren
Van Reybrouck toonde zich een enthousiaste ambassadeur van schoonheid in natuurlijke en artificiële dingen. Maar ondanks zijn bijna jongensachtige geestdrift bleef hij nauwkeurig formuleren. En ondanks zijn beminnelijkheid bleef hij Wilfried de Jong corrigeren – terecht corrigeren. De vraag van De Jong naar aanleiding van een filmfragment waarin enkel wolken getoond werden, wat hij, Van Reybrouck, dan in die wolken zag, was zelfs een beetje dom. De items over Sam Dillemans en Tsjebbe Hettinga waren het meest interessant. Daarna werd de uitzending eigenlijk één groot interview. Overigens ontwikkelt ‘Zomergasten’ zich almaar mee in de richting van monstervraaggesprek; de filmfragmenten worden steeds meer van ondergeschikt belang.
© 2014 Leo van der Sterren
Labels:
David van Reybrouck,
Wilfried de Jong,
Zomergasten
zondag 24 augustus 2014
Nada’s hoorn van Cornucopia 12: de vijfde strofe
Rund! Hansworst! Halve zool! Wie denk je dat je bent!? Het antwoord op die vraag luidt: alles wat je denkt dat je bent, dat ben je en dat ben je niet. En dat weet je, maar de mate en het besef van die wetenschap veranderen voortdurend, jij manisch-depressief geval. Een ding is zeker: jouw dichterschap, jij kleine slaaf van poëzie en taal, doet niets, beweegt niets, zet niets in gang. Geen mens is geïnteresseerd in wat je roept in de woestenijen van de wereld. En omdat niemand hoort wat je zegt, omdat niemand dat wil horen, krijg je geen weerwoord en meen je dat het gelijk altijd aan jouw zijde zit. Jij hebt de waarheid en de wijsheid in pacht die je door en met jouw gedichten uitdraagt. Terwijl iedereen donders goed beseft dat jij alles, ook deze strofe, schreef uit verveling en dat alles bovendien gelogen is, jij vat van tegenstrijdigheid.
Zo ongeveer luidt de parafrase van de vijfde strofe van ‘Dichters storten zich namens de mensen’ waarin Oosterhoff geen blad voor de mond neemt – o nee! – en tegen de zichzelf als bourgeoisdichter en tegen het dichtersvolkje tout court fulmineert.
Ons mensen valt van alles te verwijten. We zullen maar niet onthullen hoe ontluisterend onze levens en hoe beschamend onze geheime gedachten op onbewaakte momenten zijn. We hoeven het ook niet op te biechten, want we zijn ons er allemaal terdege en schrijnend van bewust. Met de billen bloot gaan, dat doen de dichters voor de mensen: ze reinigen de Augiusstal van het mens-zijn en ze nemen een deel van de last die mensen moeten dragen over, sterker nog: ze dragen het ondragelijke. Dichters doen nog meer. Ze getroosten zich de inspanning om gedachten, gevoelens en associaties te noteren. En de gedichten die het gevolg zijn, fungeren als spiegels die de mensen worden voorgehouden: zo ben jij, dit is jouw aard en wezen. Alles voor het heil van de mensen want als je weet wat er aan je schort, kun je eraan werken om jezelf te verbeteren. De dichte als therapeut.
De hele dag door hebben mensen contacten met andere mensen. Tijdens die ontmoetingen met anderen realiseert het individuen zich door welke geheime onderstromen andere mensen bezield en gedreven worden, ook omdat zo’n zelfde onderaardse aderen henzelf animeren. Behoort zo’n individu echter tot het gilde van de dichters, dan verandert dat de zaak. Het zijn de dichters die ongegeneerd de vuile was buiten hangen.
De dichter neemt zich zelfs de moeite om in het holst van de nacht, als de ‘normale’ mensen slapen, de ingevingen van zijn verbeelding op papier te zetten. Hij giet zijn peilloos diepe, naar het mystieke neigende inzichten in poëtische taal die in nauwelijks leesbare hanenpoten op het papier belandt. De dichter maakt zijn nachtkrabbels.
Maar wat levert al dat dichterlijke geploeter op? Niet veel, niet veel. Wat krijgt de dichter voor zijn beslommeringen? Weinig, heel weinig. De dichtwerken worden nauwelijks gelezen, laat staan gewaardeerd. Veertien lezers heeft deze dichter, analoog aan de twaalf lezers uit Claus’ ‘Envoi’. Het zijn dus niet dezelfde lezers omdat Oosterhoff er twee meer heeft Oosterhoff heeft veertien lezers. Daar kan hij blij mee zijn als een bejubelde en gelauwerde dichter als Claus er maar twaalf had.

Claus stuurt zijn verzen de wereld in, hopelijk op weg naar een lezer. Maar dat zijn er dus in het beste geval twaalf, als de twaalf apostelen uit het Nieuwe Testament, bijgestaan door een ingedommelde schriftgeleerde. De dichter, profeet en verlosser, weet het niet meer. Hij legt zich, letterlijk, neer bij de zinloosheid van zijn werk. In geweldige, krachtige, nog altijd voortlevende regels. Dat wil, in dit geval, de paradox. De dichter is een roepende in de woestijn, iemand die altijd alleen staat en niet gehoord wordt, maar desondanks wendt hij de meest schitterende bewoordingen aan voor datgene wat hij roept. Dat is het lot van de dichter.
© 2014 Leo van der Sterren
Zo ongeveer luidt de parafrase van de vijfde strofe van ‘Dichters storten zich namens de mensen’ waarin Oosterhoff geen blad voor de mond neemt – o nee! – en tegen de zichzelf als bourgeoisdichter en tegen het dichtersvolkje tout court fulmineert.
Ons mensen valt van alles te verwijten. We zullen maar niet onthullen hoe ontluisterend onze levens en hoe beschamend onze geheime gedachten op onbewaakte momenten zijn. We hoeven het ook niet op te biechten, want we zijn ons er allemaal terdege en schrijnend van bewust. Met de billen bloot gaan, dat doen de dichters voor de mensen: ze reinigen de Augiusstal van het mens-zijn en ze nemen een deel van de last die mensen moeten dragen over, sterker nog: ze dragen het ondragelijke. Dichters doen nog meer. Ze getroosten zich de inspanning om gedachten, gevoelens en associaties te noteren. En de gedichten die het gevolg zijn, fungeren als spiegels die de mensen worden voorgehouden: zo ben jij, dit is jouw aard en wezen. Alles voor het heil van de mensen want als je weet wat er aan je schort, kun je eraan werken om jezelf te verbeteren. De dichte als therapeut.
De hele dag door hebben mensen contacten met andere mensen. Tijdens die ontmoetingen met anderen realiseert het individuen zich door welke geheime onderstromen andere mensen bezield en gedreven worden, ook omdat zo’n zelfde onderaardse aderen henzelf animeren. Behoort zo’n individu echter tot het gilde van de dichters, dan verandert dat de zaak. Het zijn de dichters die ongegeneerd de vuile was buiten hangen.
De dichter neemt zich zelfs de moeite om in het holst van de nacht, als de ‘normale’ mensen slapen, de ingevingen van zijn verbeelding op papier te zetten. Hij giet zijn peilloos diepe, naar het mystieke neigende inzichten in poëtische taal die in nauwelijks leesbare hanenpoten op het papier belandt. De dichter maakt zijn nachtkrabbels.
Maar wat levert al dat dichterlijke geploeter op? Niet veel, niet veel. Wat krijgt de dichter voor zijn beslommeringen? Weinig, heel weinig. De dichtwerken worden nauwelijks gelezen, laat staan gewaardeerd. Veertien lezers heeft deze dichter, analoog aan de twaalf lezers uit Claus’ ‘Envoi’. Het zijn dus niet dezelfde lezers omdat Oosterhoff er twee meer heeft Oosterhoff heeft veertien lezers. Daar kan hij blij mee zijn als een bejubelde en gelauwerde dichter als Claus er maar twaalf had.

Claus stuurt zijn verzen de wereld in, hopelijk op weg naar een lezer. Maar dat zijn er dus in het beste geval twaalf, als de twaalf apostelen uit het Nieuwe Testament, bijgestaan door een ingedommelde schriftgeleerde. De dichter, profeet en verlosser, weet het niet meer. Hij legt zich, letterlijk, neer bij de zinloosheid van zijn werk. In geweldige, krachtige, nog altijd voortlevende regels. Dat wil, in dit geval, de paradox. De dichter is een roepende in de woestijn, iemand die altijd alleen staat en niet gehoord wordt, maar desondanks wendt hij de meest schitterende bewoordingen aan voor datgene wat hij roept. Dat is het lot van de dichter.
© 2014 Leo van der Sterren
zaterdag 23 augustus 2014
vrijdag 22 augustus 2014
Niagara Falls
’A total eclipse arrives now and Niagara Falls.
No loss of blood yet and no further calls.’
Bruce Gilbert, ’40 Versions’ van het album ‘154’ van Wire.
‘als el greco
leef ik met de vertakte crapeaux
met de beboste weezees in de gekielhaalde
rookgordijnen van begoochelde fotoos
van de naaiekkere folls
9000 m hoge wierook
daar ben ik
boven ben ik
op ben ik
vaag vleselijk daarbovenop leef ik’
Lucebert, ‘vrolijk babylon waarin ik’.
© 2014 Leo van der Sterren
No loss of blood yet and no further calls.’
Bruce Gilbert, ’40 Versions’ van het album ‘154’ van Wire.
‘als el greco
leef ik met de vertakte crapeaux
met de beboste weezees in de gekielhaalde
rookgordijnen van begoochelde fotoos
van de naaiekkere folls
9000 m hoge wierook
daar ben ik
boven ben ik
op ben ik
vaag vleselijk daarbovenop leef ik’
Lucebert, ‘vrolijk babylon waarin ik’.
© 2014 Leo van der Sterren
maandag 18 augustus 2014
George Steiner zegt
‘I think so. We could talk ten hours. I'm committed to the bitter passionate view that we live in a Byzantine period, an Alexandrian period, in which the commentator and the comment tower above the original. Saint-Beuve dies bitterly remarking, “No one will ever create a statue for a critic.” Oh God, how wrong he was. Today we're told there is critical theory, that criticism dominates – deconstruction, semiotics, post-structuralism, postmodernism. It is a very peculiar climate, summed up by that man of undoubted genius, Monsieur Derrida, when he says that every text is a “pretext.” This is one of the most formidably erroneous, destructive, brilliantly trivial wordplays ever launched. Meaning what? That whatever the stature of the poem, it waits for the deconstructive commentator; it is the mere occasion of the exercise. That is to me ridiculous beyond words. Walter Benjamin said a book can wait a thousand years unread until the right reader happens to come along. Books are in no hurry. An act of creation is in no hurry; it reads us, it privileges us infinitely. The notion that it is the occasion for our cleverness fills me with baffled bitterness and anger. The notion that students today read second- and thirdhand criticism of criticism, and read less and less real literature, is absolutely the death of the normal naive and logical order of precedence.’
© 2014 Leo van der Sterren
© 2014 Leo van der Sterren
Abonneren op:
Posts (Atom)

