Posts tonen met het label walging. Alle posts tonen
Posts tonen met het label walging. Alle posts tonen

zondag 7 oktober 2012

De non en de dichter

In de periode dat ik bezig was met de lectuur van Sartres roman ‘Walging’ zag ik op zekere avond de Duitse film ‘Das Gelübde’ (‘De gelofte’) van regisseur Dominik Graf op de heilige beeldbuis. Deze film uit 2007 vertelt het verhaal van de relatie tussen de dichter Clemens Brentano en de non en mystica Anna Katharina Emmerick die door Paul van Ostaijen genoemd wordt in zijn gedicht ‘Vers 5’ uit ‘De feesten van angst en pijn’. De film is gebaseerd op de historische roman ‘Das Gelübde’ van Kai Meyer. Toen de film was afgelopen, nam ik mij vastberaden voor ook het boek ter hand te nemen (maar eerst moest ‘Walging’ uit, uiteraard).

De film ‘Das Gelübde’ geeft in een notendopje een beeld van de wereld rond het jaar 1800 die wordt gekenmerkt door de spanning tussen religiositeit en romantiek enerzijds en het op rede gestoelde en naar atheïsme neigende verlichtingsdenken anderzijds, de tegenstelling tussen een platonistisch wereldbeeld dat op het geloof in een bovennatuurlijke werkelijkheid gebaseerd is en een meer op de rede gestoelde, empirische, positivistische ideologie.

Clemens Brentano, geboren in 1778, was een Duitse dichter die door de literatuurgeschiedschrijving naderhand bij de stroming van de romantiek is ingelijfd. Samen met Achim von Arnim gaf Brentano in de jaren 1806 en 1808 ‘Des Knaben Wunderhorn’ uit, een verzameling van oude Duitse volksliedjes, die een enorm succes werd en op talloze schrijvers invloed uitoefende. In 1815 raakte Brentano in een bestaanscrisis die hem terugvoerde naar het geloof en de kerk waartoe hij formeel behoorde, maar die hij feitelijk had afgedankt. Hij werd weer rooms-katholiek. Als voortvloeisel van zijn bekering gaf hij zijn dichterschap op, althans naar buiten toe; feitelijk hield hij zich nog wel degelijk bezig met het vervaardigen van poëzie.

Op dat keerpunt in zijn leven kwam Brentano het verhaal van de Westfaalse non en mystica Anna Katharina Emmerick ter ore en in september 1817 reisde hij naar Dülmen om de zieneres te ontmoeten waarna hij haar jaren lang frequenteerde. Tijdens zijn veelvuldige ontmoetingen met Anna Katharina Emmerick tot haar dood in 1824 noteerde hij de mondelinge weergaven van haar visioenen. Hij zou zestienduizend vellen papier volpennen die hij tot zijn dood in 1842 verwerkte in een aantal boeken die qua authenticiteit een twijfelachtige status hebben omdat Brentano de getuigenissen van de mystica dichterlijk aanvulde en wijzigde waar hij dat nodig achtte. Clemens Brentano belichaamt de rationele, verlichte, atheïstische geest die ondanks die eigenschappen in zijn hunkering naar spiritualiteit het geloof in god omarmt. Dat gegeven vormt dan ook het hoofdmotief van ‘Das Gelübde’.

Regisseur Dominik Graf toont Anna Katharina Emmerick in zijn film bepaald niet als een wereldvreemde droomster, integendeel de mystica komt over als een mondige vrouw die niet zonder humor in het leven staat. Haar levensgeschiedenis staat in het teken van het geloof. Anna Katharina Emmerick werd in 1774 in Coesfeld geboren. Als kind al vergaarde zij een enorme bijbelkennis. Aan het begin van de negentiende eeuw trad zij in in een klooster van de Zusters Augustinessen te Dülmen, een plaatsje op zo’n vijftig kilometer ten zuidoosten van Winterswijk, niet ver van steden als Deventer, Münster, Kevelaer – oorden met een zekere religieus-historische faam.
Op een gegeven moment presenteerde de ziekelijke en zwakke Emmerick zich als visionaire en verschenen de stigmata. Deze wonden – op dezelfde plekken op het lichaam waar Jezus Christus die gehad zou hebben – kwamen en gingen naar believen, zo luiden de getuigenissen. De mystica was het willoze slachtoffer van de stigmata en van de staat van extase waarin zij te pas en te onpas belandde. Als devote religieuze berustte zij in die situatie die onder de gelovige bevolking echter de nodige beroering teweegbracht. Zowel kerkelijke als wereldlijke regeerders luidden alarm. Hier zou zich een geestelijke autoriteit kunnen manifesteren die een bedreiging voor het seculiere gezag zou kunnen vormen of die zelfs aanleiding zou kunnen geven tot verzet van een onmondig plattelandsproletariaat tegen de overheden. Dat proletariaat morde omdat het straatarm was en zich onderdrukt voelde. Het had bovendien veel te lijden gehad van de verschrikkingen van de Napoleontische oorlogen en van mislukte oogsten als gevolg van de uitbraak van de Indonesische vulkaan Tambora in 1815, aanleiding voor Lord Byron om zijn apocalyptische gedicht ‘Darkness’ te schrijven. Om de kleinste blijk van of aanzet tot een alternatief gezag bij voorbaat in de kiem te smoren, zagen de autoriteiten zich genoodzaakt om de non aan pijnlijke en vernederende lichamelijke onderzoeken te onderwerpen. Die visitaties dienden slechts één doel, namelijk het bedrog door de gestigmatiseerde aan te tonen ten einde haar geloofwaardigheid en daarmee haar potentiële macht te ontkrachten, een macht die weliswaar stoelde op een archaïsche heilsboodschap, maar daarom niet minder groot kon worden.

En dat is een andere pijler waarop het verhaal van de film rust. Ten behoeve van de contrastwerking verdelen de draaiboekauteurs Dominik Graf en Markus Busch het toenmalige gebied van de Duitse staatjes in twee grote blokken. Zij benadrukken de tegenstelling tussen het protestantse, maar niettemin verlichte noordelijke deel van de Duitse landen en de katholieke, middeleeuws achterlijke rest, grofweg te zuiden van de lijn Meppen, Osnabrück, Padernborn, Kassel en Coburg. Graf en Busch doen de historische werkelijkheid geweld aan omdat zij niet alleen de eenheid van de Duitse landen, met het ‘aufgeklärte’, militairistische, spartaanse Pruisen als machtscentrum, maar ook de Kulturkampf – de strijd van de Pruisische staatsmacht onder Von Bismarck tegen de katholieke kerk – als het ware antedateren. Voor het gemak situeren zij 1872 in 1818.

‘Das Gelübde’ staat in schril contrast met ‘Walging’. De film gaat over de mens die het geloof in een god vindt of terugvindt en die zijn ziel en zaligheid toevertrouwt aan die god. Het boek doet juist kond van de gedespiritualiseerde, maar verlichte mens die geen god meer heeft om op terug te vallen en die zijn leven zelf zinvol dient te vullen.

© 2012 Leo van der Sterren

zaterdag 29 september 2012

Walging 2
















De weerzin en gruwel waaraan de hoofdpersoon uit Sartres roman ‘Walging’, Antoine Roquentin, ten prooi valt en waarvan hij in een dagboek verslag doet, vindt zijn oorzaak in een depressie die het fundament onder zijn existentie wegslaat. Het bestaan heeft niets te bieden, behalve verveling, eenzaamheid, onzekerheid en angst. De roman beschrijft de gedespiritualiseerde, met een hyperactief bewustzijn behepte mens die is overgeleverd aan de onzekerheden, spelingen, leegten en vrezen van het bestaan waarin hij tegen zijn wil geworpen is. En deze mens heeft geen andere instantie meer om op terug te vallen.

Antoine Roquentin heeft te maken met het toevallige, het fragmentarische, het chaotische, het onvolkomene. Hij waadt doelloos rond door de moerassen van het ledige en het zinledige. In de confrontatie met die barre realiteit is Roquentin niet alleen nietig maar heeft hij ook te maken met veranderingen van zijn psyche, die bovendien ziek is, met wisselende stemmingen en met zintuigen en vermogens die hem bedriegen. Bovendien verkeert Roquentin in een omgeving waarin de metafysische component ontbreekt. In zijn zoektocht naar de niet bestaande waarheid houdt deze dappere mens zichzelf niet langer voor de gek met de metafysische prietpraat uit het verleden. Maar vraag niet ten koste van wat.

Roquentins houding ten opzichte van de wereld is de uiteindelijke consequentie van het afdanken en wegsaneren van de zogenaamde transcendente god. Met het hersenspinsel ‘god’ verdween ook het drogbeeld van het hiernamaals. Sindsdien moet de mens het doen met wat dit ondermaanse hem te bieden heeft. Dit is de van mythe en mysterie ontdane omgeving waaraan hij is overgeleverd en waarin de goddelijke voorzienigheid niet langer tot het instrumentarium behoort. Het besef dat de wereld niet onder een goddelijk gesternte staat, heeft de mens veranderd. De hoop, troost en verzoening met de wereld biedende notie dat de ziel na het leven naar een hiernamaals zou verhuizen, is voorgoed verloren gegaan. Daardoor stelt de mens zich minder toegeeflijk op ten opzichte van de wereld en de werkelijkheid. Harder, minder vergoeilijkend, minder op verzoening en harmonie bedacht. Meer op eigen gewin en welzijn bedacht, want hier moet het gebeuren als er na dat hier niets meer komt.

Moderne hersens doen niet meer wat de spiritueel gespoelde hersens nog wel deden: de wereld beter maken dan zij zich voordoet. In de chaos wordt niet langer automatisch een orde of schijnorde aangebracht. Het abonnement op de voorzienigheid die soelaas bood voor de ongerijmdheden van het toeval en de contingentie, is opgezegd. De welwillendheid om het onvolkomene het voordeel van de twijfel te geven, is uitgeschakeld, net als de capaciteit hapert om op absurdheden met humor te reageren in plaats van met bitterheid. Niet langer transformeren de hersens het fragmentarische tot een denkbeeldig en harmonieus geheel. Identiteit verwordt tot het voorwerp van verloochening. De verhalen en ismen, groot en klein, zijn gereduceerd tot wat ze altijd al zijn geweest: onversneden fictie.

Aan het einde van ‘Walging’ vertrekt Roquentin uit de havenstad Bouville. Maar het afscheid van Bouville leidt ook het afscheiden van de depressie in, ja inderdaad: als een soort excrement. Het devies van het existentialisme indachtig dat de existentie aan de essentie voorafgaat (‘l’existence précède l'essence’), realiseert Roquentin zich dat hij zelf zin en betekenis aan zijn existentie dient te geven en dat hij het leven op die manier weer waarde kan verschaffen. Hij heeft alles zelf in de hand. Dat is de verantwoordelijkheid die de mensen in en voor hun levens hebben. Dat is hun last. Dat is hun zegen. Ziedaar de uitweg die Sartre te bieden heeft.























Maar wat als zo’n gedespiritualiseerde mens oordeelt dat Sartres alternatief helemaal geen oplossing verschaft? Wat als iemand vindt dat deze aardse aarde niet genoeg te bieden heeft? Wat als iemand zo blasé, zo verveeld, zo lusteloos geworden is dat geen enkel prikkel hem nog tot actie drijft? Wat als het leven geen enkele zin meer heeft en daardoor waardeloos geworden is? Wat als een individu zo alleen is, en zo onvermogend om die toestand op te heffen, dat het leven tot een ondragelijke last ontaard is? Wat als een persoon enkel nog lacht als de bitterheid daar reden toe geeft omdat er zich weer een absurditeit voordoet? En wat als al die iemanden bovendien geen geloof meer hebben en geen troost meer vinden in de sferen van het bovennatuurlijke?

En wat als een filosofische slimmerik tot het inzicht komt dat Sartres uitweg simpelweg een nieuw credo, een nieuwe metafysische orde vertegenwoordigt? En als je dat kunt denken, als je op het idee kunt komen dat ook de oplossing die de mens in zijn nieuwe gedespiritualiseerde toestand wordt aangereikt, niet meer dan een geconstrueerd verdichtsel is, dat een mens zichzelf kan opleggen, zoals hij kleding aantrekt, waarom dan niet geloof hechten aan een fenomeen dat evenzeer geconstrueerd en opgelegd is, namelijk het geloof in een troost, hoop en verzoening biedende god? Dat maakt het bestaan in elk geval al een stuk makkelijker en aangenamer.

Maar nee, dat mag niet. Want dan bedot je jezelf. En daaraan bezondigt de verlichte, zelfbewuste moderne mens zich nu eenmaal niet.

En wat doet de rest van de wereldbewoners intussen? Die bedotten zichzelf. Die denken niet na of denken minder na of minder diep, bijvoorbeeld omdat zij het veel te druk hebben met overleven. Zij huilen vette tranen of liggen in een deuk van het lachen. Zij werken zich kapot. Zij amuseren zich. Zij slaan de tijd dood. En vooral: zij eten en ademen door totdat het onvermijdelijke einde zich aandient.

Ook Roquentin heeft, zijn nieuwe geloof ten spijt, intussen de geest gegeven.

© 2012 Leo van der Sterren

maandag 17 september 2012

Walging 1























‘Walging’ van Jean-Paul Sartre, ik heb het gelezen. Dat heeft me wel wat moeite gekost want deze bijbel van het existentialisme behoort bepaald niet tot de categorie van boeken die makkelijk weglezen of opbeuren. Zelfs binnen de categorie van relazen die onverbloemd en genadeloos de weinig verheven en verheffende condition humaine blootleggen – en er bestaan, fictief of niet, nogal wat van dergelijke, niet vrolijk stemmende verslagen – neemt Sartres roman een bijzondere plaats in door de extremiteit ervan. Eigenlijk lees je dit boek ook niet, je ondergaat het, als de beproeving die het beschrijft.

Deze huiveringwekkende roman ‘Walging’ waaraan Sartre aan het begin van de dertiger jaren van de twintigste eeuw begon en die hij in 1938 publiceerde, gaat – het zal niet verbazen – over de walging, maar dan als ware het een psycho-somatische aandoening. De walging komt voort uit een immens gore depressie en genereert op haar beurt weer intense gevoelens van wanhoop. Walging en wanhoop vormen de ingrediënten van deze psycho-literaire bezoeking, een verhaal dat zo consequent en consistent uitersten opzoekt en overschrijdt dat het een wonder mag heten dat er geen doden zijn gevallen wanneer je als lezer de laatste bladzijde hebt omgeslagen.

De hoofdpersoon van ‘Walging’, Antoine Roquentin, is een historicus die, nadat hij een aantal jaren over de wereld heeft gereisd, onder andere in het Midden-Oosten en het toenmalige Indochina, in een fictieve Franse havenstad (met Le Havre als model) verblijft, waar hij alleen woont, waar de eenzaamheid aan hem knaagt en waar hij een diepe depressie hem overmant en bijna de afgrond in drijft. De relatie met een vroegere vriendin, Anny, is verbroken en Roquentin onderhoudt een vluchtig sekscontact met ene Françoise die een van de café’s uitbaat waar Roquentin vaak vertoeft. Daarnaast praat Roquentin wel eens met een personage genaamd de Autodidact, maar die behandelt hij in zijn aan wisselende stemmingen onderhevige gemoedstoestand op zeker ogenblik zo bot dat de bewondering en het ontzag waarmee de Autodidact hem, Roquentin, bejegent, omslaan in antipathie.

Roquentin houdt zich bezig met het schrijven van een biografie over een schimmige Franse avonturier uit de tijd van de laatste Franse koningen en Napoleon, Markies de Rollebon, maar werkt daaraan slechts sporadisch en met weinig overtuiging. Op een gegeven moment geeft hij de brui aan de arbeid aan die levensgeschiedenis omdat hij zich realiseert dat het verleden niet bestaan kan behalve in de vorm van een min of meer fictieve reconstructie. Ook een ontmoeting met zijn ex-vriendin Anny draait op een deceptie uit. Wanneer de Autodidact als pedofiel ontmaskerd wordt en woedende burgers hem belagen, schiet Roquentin hem te hulp maar de Autodidact weigert om nog contact met zijn helper te hebben. Aan het einde van het boek maakt Roquentin zich op om Bouville te verlaten ten einde zich in Parijs te vestigen. Hij neemt afscheid van de stad aan de zee en van de weinige vluchtige bekenden. En met dat vertrek uit Bouville en het vooruitzicht van een nieuw begin in de Franse hoofdstad eindigt ‘Walging’ ondanks alle ellende met een vleugje optimisme.

Wie kent niet het gevoel, zo aan het einde van de middag van een vrije dag die je fanatiek aan jouw hobby’s hebt besteed, van elke kostbare minuut gebruik makend? Je bent voortdurend verwoed in de weer geweest. Je hebt een bepaalde taak afgerond. Je voelt je moe maar voldaan. Maar nu is het vijf uur. Het is te laat om iets nieuws op te pakken want zo meteen zal men je roepen voor de avondmaaltijd. En eigenlijk heb je ook geen zin meer om iets nieuws onderhanden te nemen. Van de andere kant echter is het nog te vroeg om niets te doen. Besluiteloosheid doet haar intrede die uitmondt in een soort verlamming. Dan begint tot overmaat van ramp je maag te knorren. En dan overvalt je die typische, wee makende, afschuwelijke gewaarwording die ontstaat uit een combinatie van moeheid, hongerigheid, verveling, melancholie, eenzaamheid, lusteloosheid en rusteloosheid. Dat gevoel vormt tweehonderd bladzijdes lang de inhoud van deze geestelijke aanranding getiteld ‘Walging’.

© 2012 Leo van der Sterren