Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen

vrijdag 24 januari 2014

Modern

‘Ik ben d’r weg van. Doei!’
‘Zie je snel. Doehoei!’
‘Later. Doeg doeg!’
‘Ik ga je hangen. Doedels!’
‘Tot snel. Dag dag!’
‘See you later, alligator. Dada!’
'Zie je vroeg, doei, doei!'
'Daag, doeg!'
'Douche ze. Doehoeg!'
‘Tot in de pruimentijd. Doechies!’

© 2014 Leo van der Sterren

zaterdag 13 juli 2013

Het onzegbare

Je hoort mensen wel eens verzuchten: ‘ik zou niet weten hoe ik het zou moeten uitdrukken’ of ‘ik heb geen idee hoe ik het moet verwoorden’. Er bestaan nog veel meer frasen om de vertwijfeling uit te drukken die met de ontoereikendheid of vermeende ontoereikendheid van taal gepaard gaat. ‘’t Is een gevoel, ik weet niet...’ ‘Ik kan het niet beschrijven.’ ‘Er zijn geen woorden voor.’

Mensen, als met taal behepte wezens, maken zich er vaak met een jantje-van-leiden vanaf, vooral als het gaat om de representatie van de inhoud van hun zielen. Als ze beter hun best zouden doen, zouden ze een heel eind verder komen in de transpositie van hun gevoelens of gedachten in woorden. Iets anders is het als mensen gevraagd wordt intuïties of voorgevoelens met argumenten te funderen. Dan beland je meteen in zweverige sferen. Want alles wat gezegd wordt en wat met motieven en redenen kan worden gestaafd, kan per definitie niet tot de categorie van intuïties en voorgevoelens behoren. Intuïties en voorgevoelens bestaan niet. Mensen die hun intuïties en voorgevoelens uitdrukken, gokken. Zij doen gewichtig. Zij stellen zich aan. Mediums, profeten, trendwatchers, gadverdamme!

Iets kan zijn of iets kan niet zijn. ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen,’ stelde de wijze man Wittgenstein logisch-positivistisch. Iets is of iets is niet. Waarom doet Wittgenstein deze uitspraak? Omdat de homo sapiens zich steeds bezig heeft gehouden met dingen die er niet zijn. Goden, spoken, wanenm geesten, fata morgana’s. Excrementen van de verbeelding.

Maar wat is de status van de producten van de verbeelding dan? Zijn die of zijn die niet? Natuurlijk existeren producten van de verbeelding zodra zij genoemd en benoemd zijn. Er hoeft slechts één toehoorder te zijn die kan getuigen dat persoon zus en zo de lettercombinatie ‘knawoeperdo’ heeft uitgesproken en de knawoeperdo bestaat. En de voortbrengselen van de verbeelding kunnen ook fysiek gerealiseerd worden door ze te materialiseren. Die materialisaties vallen niet uit de lucht. Die worden vervaardigd, die vinden hun oorsprong in de maker ervan, op basis van wat de bedenker zich had uitgedacht. Overigens vallen bedenker en maker vaak samen in een en dezelfde persoon.

Iemand heeft ooit de drie-eenheid verzonnen. En iemand anders heeft op grond van dat verzinsel ooit de Vierge Ouvrante gemaakt, een sculptuur van Maria die kan worden geopend, waarna zowel God de vader als diens zoon Jezus Christus als de Heilige Geest zichtbaar zijn. Dit beeld – kunstvol, spitsvondig, maar ook grotesk en ridicuul – vond gedurende de Middeleeuwen veel nabootsing.



Het object van het onzegbare in Wittgensteins stelling is datgene wat niet zintuiglijk waargenomen kan worden. Maar als mensen taal aanwenden, zeggen ze voortdurend dingen die de zintuiglijke waarneming geweld aandoen. De taal laat zich voor alles lenen. Taal maakt alles mogelijk. In dat opzicht bezit de taal magische kwaliteiten.

© 2013 Leo van der Sterren

zaterdag 2 juni 2012

‘Iets hebben van’

Een uitdrukking zonder vleugels die de laatste jaren een hoge vlucht heeft genomen is de frase: ‘ik heb iets van…’, met als varianten ‘ik had zoiets van…’ en ‘ik kreeg iets van…’ Te pas en te onpas doet zich datgene voor waarvan vroeger geen sprake was, namelijk dat mensen ‘iets hebben van…’ Nog nooit in de illustere geschiedenis van hun brave taalvaderland hebben Nederlanders zoveel van iets gehad.

Als taalgebruikers een volzin met daarin ‘iets hebben van’ in de verleden tijd gebruiken, behoort de frase tot de middelen waarmee mensen hun verhaal achteraf inkleden, zoals alle mensen nu eenmaal altijd gewend zijn om te doen. De eigen versie maken, de variant die gunstig is voor het eigen ego. In die zin maakt het deel uit van het retorische arsenaal van het mondelinge taalgebruik dat stoplappen bevat als ‘ik zeg…’, ‘ik bedoel…’, ‘weet je wel…’, ‘eerlijk gezegd…’ en ‘ik weet niet hoe ik het moet zeggen…’

De frase doet ook dienst in de tegenwoordige tijd en wordt dan gebruikt in de betekenis van ‘mij bekruipt het gevoel dat…’ of ‘de gedachte heeft postgevat bij mij dat…’ Maar de frase huisvest ook een element van zelfrechtvaardiging, een apologetisch of verontschuldigend facet.

Ten slotte ontpopte ‘iets hebben van’ zich tot een afschuwelijk cliché. Een dooddoener, een stoplap zonder weerga met een stevige vleug aanstellerij en geaffecteerdheid zoals gepraktizeerd door van binnen verschrikkelijk vacuüm gebleven Amerikaanse soeptrutten, bakvissen en bimbo’s die televisiebagger als ‘The hills’ en ‘Super sweet sixteen’ bevolken en die hun taaluitingen larderen met barokke frutsels als ‘gross’ (of ‘groce’), ‘awesome’, ‘o my gosh’, ‘sort of’ en ‘really’ – nog afgezien van de tsunami van volzinnen die met ‘I kinda like…’ beginnen en meestentijds nergens eindigen.

© 2012 Leo van der Sterren

woensdag 9 december 2009

Dynamiek van vuil

Taal laat zich niet vangen en vastpinnen. Taal gaat zijn eigen weg omdat de gebruikers ervan doen wat zij willen. De instelling van taalregels heeft nooit verhinderd dat de gebruikers zich beriepen op het taalrecht: de vrijheid om datgene met taal te doen dat hen goed dunkt. Zolang taaluitingen die afwijkingen van de regels vertonen, niet in de openbaarheid komen – door die media die zorg dragen voor een distributie naar een publiek – valt er niets aan te veroordelen. Alleen al op basis van de vrijheid van meningsuiting, kan er taalgebruikers geen strobreed in de weg gelegd worden om naar believen met taal om te gaan. De straattaal bijvoorbeeld gedijt er goed bij.

Aanwending van taal die voor de openbare ruimte is bestemd, kan zich echter niet aan de geschreven wetten met betrekking tot taal onttrekken. En in sommige gevallen dient zij eveneens te gehoorzamen aan bepaalde ongeschreven regels. Taalgebruik in het publieke domein dient zorgvuldig en helder te zijn. Politici bijvoorbeeld moeten letterlijk op hun woorden letten omdat het hele politieke bedrijf voor een niet onbelangrijk deel gebaseerd is op taal. Zij zouden zich meer dan wie ook bewust moeten zijn van hoe zij de taal behandelen. Politici die woorden en zinnen op een correcte, stijlvolle en fantasierijke wijze hanteren, oogsten in de regel meer succes dan politici die er een linguïstisch potje van maken.

Max Pam maakte zich onlangs al druk over het gebruik van het woord ‘aangeven’, in het bijzonder door de premier van ons kloeke vaderland, die, in tegenstelling tot sommige illustere voorgangers, bepaald niet uitblinkt door eloquentie. Maar ‘aangeven’ zoals het heden ten dage te pas en te onpas voorkomt, staat gewoon in de Dikke Van Dale: ‘2 a (met verzwakte bet.) zeggen “zoals ik al eerder heb aangegeven”.’ Daarmee is het woord, in de specifieke betekenis van ‘zeggen’, opgenomen in op zijn minst één schatkamer van het Nederlands – en eentje van niet geringe autoriteit. Waar het echter om gaat is dat het gebruik van ‘aangeven’ in de betekenis van ‘zeggen’ als storend en knullig ervaren wordt. Door Max Pam. En door mij. Iemand die gevoel voor taal heeft, vermijdt het.

De alarmbellen gaan ook rinkelen bij de overvloed van modefrasen. ‘Dat gaat helemaal nergens over’, bijvoorbeeld. Of het overvloedige gebruik, vooral weer door politici, van de woordcombinaties ‘met elkaar’ en ‘met zijn allen’. Een andere trend is het gebruik van de zinsnede ‘ik heb zoiets van…’ die aan lelijkheid nauwelijks onderdoet voor ‘aangeven’. Overal hoor je dit vervloekte zinnetje. Sommige mensen lijken hun hele mondelinge discours te baseren op deze paar woorden, om het structuur te geven of zo, ik weet niet waarom. Zoals bepaalde sprekers er om de haverklap ‘ik bedoel’ of ‘zeg maar’ uitflappen, zo zijn veel te veel mensen verslaafd aan dat baken van interessant-doenerigheid ‘ik heb zoiets van…’.

Nog bedenkelijker wordt het wanneer mensen expliciete fouten begaan. In plaats van ‘op een gegeven ogenblik’ hoor je almaar frequenter ‘op een gegevenblik’. Iedereen meent blijkbaar zo snel te moeten praten (met dank aan Matthijs van Nieuwkerk) dat men delen van woorden of volzinnen gewoon gaat overslaan. Geloof me: met ‘op een gegevenblik’ is een nieuwe tendens ingezet.

Ook uitdrukkelijk incorrect is het om ‘beseffen’ als wederkerend werkwoord te bezigen. ‘Zich beseffen’ is een hypercorrectie die voortkomt uit ‘zich bewust zijn’ en ‘zich realiseren’. ‘Beseffen’ dient gewoon zonder het wederkerend voornaamwoord toegepast te worden. Maar steeds vaker hoor je ‘ik besef mij’. Pas geleden was het zelfs opnieuw onze minister-president die zich eraan bezondigde. Ik weet niet waar de kloof tussen burger en politiek op gebaseerd is, verondersteld dat die bestaat, maar het kan niet op de taalbeheersing van menige politicus in het algemeen en Balkenende in het bijzonder gestoeld zijn. Het taalgevoel van die laatste evenaart dat van een benedenmaatse onderwijzer ergens in Nievershuyzen in elk geval met gemak. Van de andere kant zal voornoemde gaping tussen volk en bestuurders wellicht juist wel in de taal gelegen zijn, namelijk in de ontstellende wazigheid of zelfs nietszeggendheid die sommige politici zich veroorloven.

Taal is dynamisch. Taal verandert voortdurend. Of we dat nu goed vinden of niet, het gebeurt. Binnen afzienbare tijd zal de Dikke Van Dale ‘zich beseffen’, ‘op een gegevenblik’ en ‘ik heb zoiets van…’ in zijn canonieke bladzijdes hebben opgenomen, waarmee het gebruik als het ware een stempel van goedkeuring opgedrukt gekregen heeft. En wat voor deze gevallen geldt, gaat bijvoorbeeld ook op voor de vele anglicismen waarvan de Nederlandse taal intussen vergeven is. Maar opname in de Dikke Van Dale of in de Woordenlijst van de Nederlandse Taal neemt niets weg van de absolute lelijkheid of de volstrekte misplaatstheid of de taalvervuilende hoedanigheid van bepaalde woorden en zinnen die ik dan ook zal weigeren toe te laten tot mijn idioom.

© 2009 Leo van der Sterren