Posts tonen met het label Balkenende. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Balkenende. Alle posts tonen

zaterdag 20 februari 2010

De paradox van de politiek

Het vierde kabinet Balkenende is verlost uit een onwaardige agonie. Of, om de woorden van een politica uit het kamp van de oppositie te gebruiken, de scheiding heeft, na weken van ordinair vechten, zijn beslag gekregen. Of, met de woorden van een andere politicus, de ontbinding waarvan de geur al penetreerde, heeft eindelijk een voorwerp gevonden. De (soms manke) metaforiek die de afgelopen dagen te horen viel, meanderde voortdurend door de velden van mortaliteit en matrimonium.

Maar deze ontwikkelingen vormden slechts de uiterlijke verschijnselen. Dat wat aan de oppervlakte komt. Meer in de diepte legde het gedoe het fenomeen bloot waaraan geen enkel bewind kan ontsnappen, namelijk de paradox van de politiek.

De paradox van de politiek vloeit voort uit rationaliteit en redelijkheid, die op hun beurt weer ontsproten zijn aan fatsoen en beschaving – met de kanttekening dat fatsoen en beschaving uiterst etherische manifestaties zijn waarover van alles en vooral veel paradoxaals te zeggen valt.

De paradox van de politiek houdt in dat alle partijen in een spanningsveld van besluitvorming het gelijk aan hun zijde hebben en zich bewust zijn van hun eigen gelijk – maar ook van het gelijk van de ander. Voor elk oordeel, voor elke mening, voor elk standpunt valt immers wel iets te zeggen. Een ieder heeft gelijk, een ieder heeft ongelijk. Maar een bestuur moet besturen. Er dienen beslissingen te worden genomen, ook als een medaille twee of meer kanten heeft die allemaal even fraai blinken of allemaal even mat ogen. Op het moment dat er een beslissing geforceerd moet worden, nadat alle rationele argumenten de revue gepasseerd zijn, geeft hetzij principe hetzij emotie de doorslag – maar je zou principe ook als tot schijnratio gesanctioneerde emotie kunnen beschouwen.

Partijen die geen voeling hebben met de paradox van de politiek, gedragen zich navenant: die negeren of minachten zelfs de ongeschreven wetten in het veld van besluitvorming die hun oorsprong vinden in rationaliteit en redelijkheid. Empathie komt niet in hun woordenschat voor.

De standpunten van de partijen die de tegenstelling binnen het vierde kabinet Balkenende belichaamden, waren allemaal even valide. Het CDA had gelijk dat voortschrijdend inzicht tot nieuwe overwegingen moet kunnen leiden en dat Nederland geen geïsoleerd eilandje op de mappa mundi vertegenwoordigt. Het PvdA had gelijk dat een afspraak een afspraak is. Het landsbestuur kan niet zomaar met alle winden meewaaien – zeker niet als die uit de Verenigde Staten afkomstig zijn. Onder het gras van de discussie kronkelde bovendien de zwellende adder van de aanhoudende twijfel aan de rechtmatigheid en zin van de missie in een stammengebied als Afghanistan. Het slechte bloed kruipt waar het niet gaan kan en erodeert de kwestie, zoals boktor onontkoombaar het hout uitholt.

De winden die uit de Verenigde Staten waaien: deze volzin indiceert de vervuiling die van lieverlede aan het debat is gaan kleven. Het gaat om de onzuiverheid die ontstaat als er zich een ordinaire machtsstrijd ontspint. Het CDA gedroeg zich als het schoothondje van de president van de Verenigde Staten; de PvdA wilde dat gedrag juist uitdrukkelijk vermijden. De PvdA was al bezig met de gemeenteraadsverkiezingen; het CDA uitdrukkelijk niet.

En toen begonnen de machinaties van die machtsstrijd hun eigen leven te leiden. Leugens en gekonkel van over straat rollende bewindslieden en politici bepaalden het beeld, dat alles aangewakkerd door de hijgerige hyena’s van de media, wiens rol in dit soort kluchtige treurspelen altijd even noodzakelijk als niets ontziend en twijfelachtig is. Wezens die met rationaliteit en redelijkheid zijn behept, etaleerden verachtelijk gedrag. Zij die het voorbeeld zouden moeten geven, vielen uit hun rol. Het was een schandalige wanvertoning.

Aan het gedoe lag een diepe argwaan ten grondslag. Het vertrouwen tussen de bewindslieden van de twee grote coalitiepartijen had al zoveel deuken opgelopen, dat er voor de plaatwerker CU geen beginnen meer aan was qua ontdeuken. Die vertrouwensbreuk vormde de eigenlijke oorzaak dat Balkenendes vierde kabinet in de vroege ochtend van de twintigste februari viel, een einde makend aan doodsstrijd en vechtscheiding.

Het onderwerp dat tot de val van het kabinet heeft geleid, behelst eveneens een fraai staaltje van de verwarrende en ontwrichtende werking van de paradox van de politiek. Wat je ook zult ondernemen in Afghanistan, het zal nooit goed zijn. De rationele argumenten om te blijven zijn even valide als die om dit land dat geen natie is, zijn eigen boontjes te laten doppen. In deze wereld van moderne communicatiemiddelen en daardoor razendsnel circulerend nieuws is het ethisch ongepast om de kop in het zand te steken, bijvoorbeeld als er zich ergens op de aardbol Ruanda-achtige taferelen voordoen. Wegkijken van wat niet mag, mag niet. Maar wat mag er nu niet precies? En wie bepaalt wat niet mag?

Van de andere kant is het onmogelijk om een politiek model dat in de westerse samenlevingen redelijk is ingebed, te implementeren in een oudtestamentisch land dat daar nu niet rijp voor is en over honderd jaar nog niet rijp voor zal zijn. Het is niet alleen onmogelijk, het getuigt ook van misplaatste superioriteit en de bijbehorende minachting – de minachting die de Islam sinds zijn ontstaan ten deel is gevallen vanuit een aartsarrogant en voortdurende beter wetend westen.

Tot slot, wie spint er garen bij deze ontknoping, en vooral bij het weinig verheffende traject dat ertoe heeft geleid? Deze nieuwe status zal koren op de molen van de PVV en TON zijn, twee partijen die de intelligentie ontberen om tot een bewustzijn van de paradox van de politiek te komen of anders een dergelijk bewustzijn eenvoudig zullen verdringen. Zelfs partijen waarbij dat besef tot in de genen is gegrift, zullen de grootst mogelijke moeite ondervinden om de rigoureuze maatregelen die in het licht de van zich almaar verergerende desastreuze economisch situatie noodzakelijk zijn, door te voeren – laat staan partijen die niets beters te bieden hebben dan vulgaire en kortzichtige demagogie.

© 2010 Leo van der Sterren

woensdag 9 december 2009

Dynamiek van vuil

Taal laat zich niet vangen en vastpinnen. Taal gaat zijn eigen weg omdat de gebruikers ervan doen wat zij willen. De instelling van taalregels heeft nooit verhinderd dat de gebruikers zich beriepen op het taalrecht: de vrijheid om datgene met taal te doen dat hen goed dunkt. Zolang taaluitingen die afwijkingen van de regels vertonen, niet in de openbaarheid komen – door die media die zorg dragen voor een distributie naar een publiek – valt er niets aan te veroordelen. Alleen al op basis van de vrijheid van meningsuiting, kan er taalgebruikers geen strobreed in de weg gelegd worden om naar believen met taal om te gaan. De straattaal bijvoorbeeld gedijt er goed bij.

Aanwending van taal die voor de openbare ruimte is bestemd, kan zich echter niet aan de geschreven wetten met betrekking tot taal onttrekken. En in sommige gevallen dient zij eveneens te gehoorzamen aan bepaalde ongeschreven regels. Taalgebruik in het publieke domein dient zorgvuldig en helder te zijn. Politici bijvoorbeeld moeten letterlijk op hun woorden letten omdat het hele politieke bedrijf voor een niet onbelangrijk deel gebaseerd is op taal. Zij zouden zich meer dan wie ook bewust moeten zijn van hoe zij de taal behandelen. Politici die woorden en zinnen op een correcte, stijlvolle en fantasierijke wijze hanteren, oogsten in de regel meer succes dan politici die er een linguïstisch potje van maken.

Max Pam maakte zich onlangs al druk over het gebruik van het woord ‘aangeven’, in het bijzonder door de premier van ons kloeke vaderland, die, in tegenstelling tot sommige illustere voorgangers, bepaald niet uitblinkt door eloquentie. Maar ‘aangeven’ zoals het heden ten dage te pas en te onpas voorkomt, staat gewoon in de Dikke Van Dale: ‘2 a (met verzwakte bet.) zeggen “zoals ik al eerder heb aangegeven”.’ Daarmee is het woord, in de specifieke betekenis van ‘zeggen’, opgenomen in op zijn minst één schatkamer van het Nederlands – en eentje van niet geringe autoriteit. Waar het echter om gaat is dat het gebruik van ‘aangeven’ in de betekenis van ‘zeggen’ als storend en knullig ervaren wordt. Door Max Pam. En door mij. Iemand die gevoel voor taal heeft, vermijdt het.

De alarmbellen gaan ook rinkelen bij de overvloed van modefrasen. ‘Dat gaat helemaal nergens over’, bijvoorbeeld. Of het overvloedige gebruik, vooral weer door politici, van de woordcombinaties ‘met elkaar’ en ‘met zijn allen’. Een andere trend is het gebruik van de zinsnede ‘ik heb zoiets van…’ die aan lelijkheid nauwelijks onderdoet voor ‘aangeven’. Overal hoor je dit vervloekte zinnetje. Sommige mensen lijken hun hele mondelinge discours te baseren op deze paar woorden, om het structuur te geven of zo, ik weet niet waarom. Zoals bepaalde sprekers er om de haverklap ‘ik bedoel’ of ‘zeg maar’ uitflappen, zo zijn veel te veel mensen verslaafd aan dat baken van interessant-doenerigheid ‘ik heb zoiets van…’.

Nog bedenkelijker wordt het wanneer mensen expliciete fouten begaan. In plaats van ‘op een gegeven ogenblik’ hoor je almaar frequenter ‘op een gegevenblik’. Iedereen meent blijkbaar zo snel te moeten praten (met dank aan Matthijs van Nieuwkerk) dat men delen van woorden of volzinnen gewoon gaat overslaan. Geloof me: met ‘op een gegevenblik’ is een nieuwe tendens ingezet.

Ook uitdrukkelijk incorrect is het om ‘beseffen’ als wederkerend werkwoord te bezigen. ‘Zich beseffen’ is een hypercorrectie die voortkomt uit ‘zich bewust zijn’ en ‘zich realiseren’. ‘Beseffen’ dient gewoon zonder het wederkerend voornaamwoord toegepast te worden. Maar steeds vaker hoor je ‘ik besef mij’. Pas geleden was het zelfs opnieuw onze minister-president die zich eraan bezondigde. Ik weet niet waar de kloof tussen burger en politiek op gebaseerd is, verondersteld dat die bestaat, maar het kan niet op de taalbeheersing van menige politicus in het algemeen en Balkenende in het bijzonder gestoeld zijn. Het taalgevoel van die laatste evenaart dat van een benedenmaatse onderwijzer ergens in Nievershuyzen in elk geval met gemak. Van de andere kant zal voornoemde gaping tussen volk en bestuurders wellicht juist wel in de taal gelegen zijn, namelijk in de ontstellende wazigheid of zelfs nietszeggendheid die sommige politici zich veroorloven.

Taal is dynamisch. Taal verandert voortdurend. Of we dat nu goed vinden of niet, het gebeurt. Binnen afzienbare tijd zal de Dikke Van Dale ‘zich beseffen’, ‘op een gegevenblik’ en ‘ik heb zoiets van…’ in zijn canonieke bladzijdes hebben opgenomen, waarmee het gebruik als het ware een stempel van goedkeuring opgedrukt gekregen heeft. En wat voor deze gevallen geldt, gaat bijvoorbeeld ook op voor de vele anglicismen waarvan de Nederlandse taal intussen vergeven is. Maar opname in de Dikke Van Dale of in de Woordenlijst van de Nederlandse Taal neemt niets weg van de absolute lelijkheid of de volstrekte misplaatstheid of de taalvervuilende hoedanigheid van bepaalde woorden en zinnen die ik dan ook zal weigeren toe te laten tot mijn idioom.

© 2009 Leo van der Sterren