Op 4 september 1932 liep Louis-Ferdinand Destouches in het Café de la Paix aan de Boulevard des Capucines in Parijs de Oostenrijkse Cillie Ambor tegen het lijf die in Frankrijk vakantie vierde. Destouches werkte als arts in een kliniek in Clichy. Hij was al eens getrouwd geweest (en eigenlijk twee keer, als je zijn huwelijk in Engeland, dat in Frankrijk echter nooit geregistreerd werd, meetelt), met Édith Follet, een huwelijk waaruit een dochter Colette was voortgekomen. In 1926 was Édith van hem gescheiden.
Cillie Ambor was een 27-jarige gymnastieklerares uit Wenen en weduwe van een zekere dokter Tuchfeld die bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Na de ontmoeting op het terras van het café, stelde Destouches een wandeling in het Bois de Boulogne voor. Hij ging met zijn nieuwe vriendin uit eten en nam haar mee naar zijn huis. Dertien dagen lang trokken zij met elkaar op. Ze aten in restaurants en hadden wat erotische escapades waarbij ook andere vrouwen betrokken waren en waarbij Céline meestentijds de rol van voyeur vervulde. Daarna vertrok Cillie weer naar Wenen waar ze haar leven en werk weer gewoon oppakte. Gedurende de volgende zeven jaren ontmoetten Destouches en Ambor elkaar infrequent, maar zij correspondeerden wel met enige regelmaat. Cillie Ambor, van Joodse afkomst, trouwde in Oostenrijk met Max Pam, eveneens Joods. Samen hadden zij een zoon.
Destouches, die in zijn vrije tijd en min of meer in het geheim aan een boek werkte, werd vlak na de korte affaire met Cillie beroemd, toen zijn eerste roman, ‘Voyage au bout de la nuit’, die eind 1932 onder het pseudoniem Louis-Ferdinand Céline verscheen, tot een enorm literair succes uitmondde.
In februari 1939 vernam Destouches dat de echtgenoot van Cillie gestorven was. Wegens zijn Joodse origine hadden de Nazi’s de echtgenoot van Cillie Ambor naar Dachau gedeporteerd waar hij op 16 december 1938 overleed. Op 21 februari 1939 zond Destouches de volgende brief naar Cillie die naar Australië was uitgeweken.
‘Lieve Cillie. Wat een gruwelijk nieuws! Je bent tenminste ver weg van hier aan de andere kant van de wereld. Heb je wel een beetje geld kunnen meenemen? Vanzelfsprekend begin je daar een nieuw leven. Wat voor werk zoek je? Hoe zal Europa ervoor staan op het moment dat je deze brief ontvangt? Wij leven op een vulkaan.
Wat mij betreft, mijn kleine drama’s zijn niets vergeleken met de jouwe (voor het moment), maar niettemin is de tragedie al begonnen...
Als gevolg van mijn antisemitische houding heb ik al mijn betrekking verloren (Clichy enzovoort…) en op 8 maart sta ik voor de rechtbank. Je ziet dat ook de Joden vervolgen…helaas! Je weet dat wij hier letterlijk overvallen zijn en bovendien drijven zij ons openlijk de oorlog in. Ik moet zeggen dat heel Frankrijk Joden-vriendelijk is – behalve ik, geloof ik – dus heb ik kennelijk verloren! Maar goed, vertel mij jouw nieuwtjes, Cillie. Met genegenheid. Louis.’
Cillie Ambor, de weduwe Pam, vertikte het vanzelfsprekend om op deze monsterlijke brief te reageren. Céline lag er bij haar voorgoed uit. En terecht, zal elk weldenkend mens zich, eventueel hoofdschuddend, laten ontvallen. Terwijl de weduwe nog rouwde om het verlies van haar echtgenoot leek het haar correspondent duidelijk moeite te kosten om niet meteen over zichzelf en zijn eigen sores te beginnen, namelijk het proces wegens smaad dat hem en zijn uitgever Robert Denoël boven het hoofd hing naar aanleiding van een klacht door een zekere Rouquès met betrekking tot Cëlines rabiaat antisemitische pamflet ‘L'école des cadavres’. Bovendien vond hij het nodig – in die brief aan die Joodse vrouw wier man gestorven was wegens zijn Joodse afstamming – om datgene aan te stippen wat hem in die tijd bewoog, namelijk zijn antisemitisme. Maar zo kon Céline zijn: onverantwoordelijk, ondoordacht en soms in hoge mate onnozel. Wie Célines biografie leest, bekruipt meer dan eens het gevoel met een ongeleid projectiel van doen te hebben.
Dat antisemitisme lijkt de drijfveer van al zijn inspanningen in die tijd te vormen. Céline raakte geobsedeerd door het Jodendom. Hij wentelde zich in de ellende en rampspoed die de Joden over de aarde zouden hebben uitgestort. En Céline zat dan zo in elkaar dat hij datgene deed waarin hij uitblonk, namelijk fulmineren. Dat deed hij uitvoerig in de drie pamfletten die hij van 1937 tot 1941 publiceerde. Behalve het reeds genoemde ‘L'école des cadavres’ (november 1938) bracht Céline ‘Bagatelles pour un massacre’ (december 1937) en ‘Beaux Draps’ (februari 1941) uit. In deze teksten openbaart zich de racist en antisemiet Céline, maar zijn racisme en antisemitisme constitueren in zijn eigen optiek (en naïviteit) niet meer dan loze retoriek. Zijn haat dient enkel en alleen als kapstok om tekeer te kunnen gaan. Zo zal hi zichzelf later vrij proberen te pleiten of op zijn minst proberen te verontschuldigen. Maar juist omdat Céline het schelden en tieren tot kunst van een hoog niveau verheven heeft, verbleken de uitlatingen van gelijkgezinden bij die van Céline – al zal menige geestverwant die schade mettertijd door daden inhalen. Van dergelijke daden hield Céline zich verre, maar hij valt ervan te betichten dat hij mede de voedingsbodem creëerde en onderhield waarop de daadkracht zou gedijen.
© 2013 Leo van der Sterren
Posts tonen met het label Louis-Ferdinand Céline. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Louis-Ferdinand Céline. Alle posts tonen
zaterdag 11 mei 2013
maandag 18 februari 2013
Vergelding
Op de dag, nu ruim twee weken geleden, dat ik de lectuur van ‘Van het ene slot naar het andere’ van Louis-Ferdinand Céline beëindigde, begon ik aan ‘De vergelding’ van Jan Brokken. Toevallig gaan beide boeken over de Tweede Wereldoorlog en over de nasleep van dat drama, over collaboratie en vergelding. En toch verschillen beide boeken fundamenteel van elkaar, alleen al vanwege het feit dat ‘Van het ene slot naar het andere’ het verleden vanuit een fictief standpunt benadert, terwijl ‘De vergelding’ een documentaire is.
Louis-Ferdinand Céline publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw twee boeken die hem wereldberoemd zouden maken: ‘Voyage au bout de la nuit’ (1932) en ‘Mort à credit’ (1936). In deze werken gaat Céline als een waanzinnige tegen alles en iedereen tekeer. Misantropische monstertirades, monologen vol razernij, dat zijn het. Célines stijl: het jargon van het fulmineren, staccatoproza. Volzinnen, niet zelden elliptisch, van elkaar gescheiden door drie puntjes. Tromroffels. Salvo’s van een machinegeweer.
Sympathiserend met het fascistische regime in Duitsland en in het bijzonder gecharmeerd door het antisemitisme van de nationaalsocialisten, ontlaadde Céline eind jaren dertig zijn afkeer ten opzichte van het Jodendom in twee pamfletten, ‘Bagatelles pour un massacre’ en ‘L'École des cadavres’. Hij etaleerde daarbij een haat die sommige Céline-kenners als psychotisch inschatten. Gedurende de oorlog bleef hij zich voortdurend compromitteren door zijn antisemitisme te belijden, maar ook door zich openlijk met de bezetter in te laten. Die laatste vond dat prima en voorzag Cëline van allerlei privileges.
Maar vele landgenoten van Céline dachten daar uiteraard anders over. Begin 1944 ontsnapte hij ternauwernood aan een moordaanslag door de Résistance. Later dat jaar verliet hij samen met zijn vrouw en een vriend Parijs om de vergelding door geallieerde troepen of wraakzuchtige landgenoten te vermijden. Dat was de aanvang van een jarenlange en vaak wanhopige zwerftocht door een chaotisch en levensgevaarlijk Europa. Gedurende die omzwervingen belandde Céline in Sigmaringen waar de Vichy-regering geïnterneerd was. Hij bleef hier enkele maanden. In ‘Van het ene slot naar het andere’ uit 1957 vertelt hij over het verblijf in dat plaatsje aan de Donau in Zuid-Duitsland. Vertellen ja, maar wel in die typisch eruptieve Céline-stijl. En wel met die typische Céline-makken.
Zoals al gezegd, Célines boek over de episode Sigmaringen behoort tot de romankunst. Fictie, losjes gebaseerd op de onwerkelijk aandoende werkelijkheid van wat door veel mensen destijds als de vooravond van het einde van de wereld ervaren zal zijn. Maar Céline meent dat het nog extremer kan. Hij laat zich meeslepen door zijn emoties en verbeelding, hij vervormt de werkelijkheid, hij doet de waarheid geweld aan. ‘Van het ene slot naar het andere’ leest zich als één lange delirische hallucinatie die beurtelings hilarisch en hartverscheurend is, even kluchtig als venijnig, nu eens provocatief, dan weer apologetisch. Zonder zijn racisme en antisemitisme te verloochenen, probeert Céline zich bovendien van bepaalde beschuldigingen die met zijn houding gedurende de oorlog te maken hebben, vrij te pleiten. Of in elk geval de wat minder standvastige elementen onder zijn tegenstanders milder te stemmen. Hij presenteert zich nobeler dan hij geweest zal zijn. Dat werd eens te meer bevestigd toen na de publicatie van zijn brieven in 2009 bleek dat Célines antisemitisme (dat zelfs menige Nazi te ver ging) nog vele malen virulenter was dan op grond van zijn publicaties voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog verondersteld werd.
Even indringend, maar toch heel anders, en zeker veel soberder, is ‘De vergelding’. Op basis van een nauwgezet onderzoek en vele vraaggesprekken reconstrueerde Jan Brokken de wederwaardigheden van het dorpje Rhoon, onder de rook van Rotterdam, gedurende de Tweede Wereldoorlog, waarbij de nadruk ligt op een incident met een kapotte elektriciteitskabel in oktober 1944 in het gehucht ’t Sluisje waarbij een Duitse militair de dood vond. Die militair was op het moment van het voorval in het gezelschap van twee andere militairen en twee Nederlandse meisjes – minnaressen van twee van de drie soldaten – waarvan er eentje nog minderjarig was. De Duitse bezetter vatte het incident op als een geval van sabotage dat met represailles beantwoord diende te worden. Die vergelding vond plaats door de executie van zeven onschuldige burgers. En op de dag van de bevrijding volgde dan de vergelding op de landgenoten die met de bezetter gecollaboreerd hadden: NSB’ers, Nazi-sympathisanten en vrouwen die relaties met Duitsers hadden aangeknoopt (of waarvan men dit vermoedde) werden mishandeld, kaalgeschoren en aan de kaak gesteld. Er werden nog net geen mensen gelyncht.
Brokken dringt diep door in het Rhoon van tijdens de oorlog. En soms lijkt Brokkens boek zelfs op een whodunnit: is de elektriciteitskabel die de Duitse militair elektrocuteerde door slijtage los geschoten in combinatie met de harde wind gedurende een herfststorm of heeft iemand die kabel opzettelijk losgesneden? En, als dat laatste het geval is, wie heeft die daad op zijn geweten? En had die dader de gevolgen wel goed ingecalculeerd zo vlak na Dolle Dinsdag?
Brokken schetst het beeld van een Nederland in oorlogstijd waarin het voor sommige mensen veel moeilijker overleven is dan in het vooroorlogse Nederland. Noodgedwongen nemen mensen beslissingen zonder oog voor de consequenties die ze naderhand zullen moeten dragen. Of ze negeren die consequenties bewust. Een van de ‘hoofdpersonen’ in Brokkens boek is een vrouw wier echtgenoot als Nederlandse militair naar Engeland vlucht om van daaruit de strijd voort te zetten. Zij blijft in Nederland achter met drie kinderen. Een uitkering van staatswege krijgt zij niet, haar man is immers gedeserteerd. Noodgedwongen zoekt de vrouw uiteindelijk haar toevlucht tot de bezetter: eerst beperkt zich haar dienstbaarheid tot huishoudelijke taken die zij in opdracht van de bezetter uitvoert, naderhand heeft zij ook seksuele contacten met Duitse militairen. En op bijltjesdag volgt onvermijdelijk de genadeloze afstraffing voor die collaboratie. De vrouw wordt kaalgeschoren en haar hoofd met carbolineum ingesmeerd. Bovendien mishandelt men haar. ‘Men’ is in dit geval de goegemeente die niets incorrects kan worden nagedragen. De brave burgers die zich erop lieten voorstaan niet gecollaboreerd te hebben.
Er zijn gedurende de oorlogsjaren ook lieden die het er eenvoudig van nemen. In die tijd liggen de jarenlang geëvolueerde machtsverhoudingen binnen Nederland totaal overhoop. De autoriteit van vele gezagsdragers is tijdelijk opgeheven en de werking van bepaalde geschreven en ongeschreven wetten lijkt opgeschort. De oorlogstijd geldt als een permanente uitzonderingstoestand waarin dingen die voorheen niet konden, opeens tot de mogelijkheden gaan behoren. Sommige mensen grijpen die gelegenheid aan om te ontsnappen aan de benauwende verzuilde atmosfeer van het vooroorlogse Nederland. Zij profiteren, op wat voor wijze dan ook, van de nieuwe verhoudingen: door oude vetes te beslechten, door een Duitse minnaar te kiezen, door voor de bezetter te werken en daar (veel) geld mee te verdienen, door een ongewenste politieke toestand te veranderen.
Na de oorlog, de bevrijding en de afrekening met de slechterikken breekt de periode van het zwijgen aan. Men heeft geen tijd om te praten, er moet gewerkt worden. Wederopbouw. Aan de collectieve verdringing van de oorlog komt pas in de jaren zestig van de vorige eeuw een einde. Sindsdien is de Tweede Wereldoorlog het onderwerp van studie en discussie. Je zou kunnen zeggen dat in zekere zin de oorlog opnieuw gevoerd is. Jan Brokken heeft met ‘De vergelding’ een belangrijk stuk toegevoegd aan die legpuzzel vanuit voortdurend verschuivend perspectief die de Tweede Wereldoorlog constitueert en zal blijven constitueren. Hij heeft bovendien een prachtig boek geschreven. Dat dat boek momenteel diverse boekenranglijstjes aanvoert (en niet de pulp van zoveel tinten grijs), heeft iets van rechtvaardigheid...van vergelding zelfs.
© 2013 Leo van der Sterren
Louis-Ferdinand Céline publiceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw twee boeken die hem wereldberoemd zouden maken: ‘Voyage au bout de la nuit’ (1932) en ‘Mort à credit’ (1936). In deze werken gaat Céline als een waanzinnige tegen alles en iedereen tekeer. Misantropische monstertirades, monologen vol razernij, dat zijn het. Célines stijl: het jargon van het fulmineren, staccatoproza. Volzinnen, niet zelden elliptisch, van elkaar gescheiden door drie puntjes. Tromroffels. Salvo’s van een machinegeweer.
Sympathiserend met het fascistische regime in Duitsland en in het bijzonder gecharmeerd door het antisemitisme van de nationaalsocialisten, ontlaadde Céline eind jaren dertig zijn afkeer ten opzichte van het Jodendom in twee pamfletten, ‘Bagatelles pour un massacre’ en ‘L'École des cadavres’. Hij etaleerde daarbij een haat die sommige Céline-kenners als psychotisch inschatten. Gedurende de oorlog bleef hij zich voortdurend compromitteren door zijn antisemitisme te belijden, maar ook door zich openlijk met de bezetter in te laten. Die laatste vond dat prima en voorzag Cëline van allerlei privileges.
Maar vele landgenoten van Céline dachten daar uiteraard anders over. Begin 1944 ontsnapte hij ternauwernood aan een moordaanslag door de Résistance. Later dat jaar verliet hij samen met zijn vrouw en een vriend Parijs om de vergelding door geallieerde troepen of wraakzuchtige landgenoten te vermijden. Dat was de aanvang van een jarenlange en vaak wanhopige zwerftocht door een chaotisch en levensgevaarlijk Europa. Gedurende die omzwervingen belandde Céline in Sigmaringen waar de Vichy-regering geïnterneerd was. Hij bleef hier enkele maanden. In ‘Van het ene slot naar het andere’ uit 1957 vertelt hij over het verblijf in dat plaatsje aan de Donau in Zuid-Duitsland. Vertellen ja, maar wel in die typisch eruptieve Céline-stijl. En wel met die typische Céline-makken.
Zoals al gezegd, Célines boek over de episode Sigmaringen behoort tot de romankunst. Fictie, losjes gebaseerd op de onwerkelijk aandoende werkelijkheid van wat door veel mensen destijds als de vooravond van het einde van de wereld ervaren zal zijn. Maar Céline meent dat het nog extremer kan. Hij laat zich meeslepen door zijn emoties en verbeelding, hij vervormt de werkelijkheid, hij doet de waarheid geweld aan. ‘Van het ene slot naar het andere’ leest zich als één lange delirische hallucinatie die beurtelings hilarisch en hartverscheurend is, even kluchtig als venijnig, nu eens provocatief, dan weer apologetisch. Zonder zijn racisme en antisemitisme te verloochenen, probeert Céline zich bovendien van bepaalde beschuldigingen die met zijn houding gedurende de oorlog te maken hebben, vrij te pleiten. Of in elk geval de wat minder standvastige elementen onder zijn tegenstanders milder te stemmen. Hij presenteert zich nobeler dan hij geweest zal zijn. Dat werd eens te meer bevestigd toen na de publicatie van zijn brieven in 2009 bleek dat Célines antisemitisme (dat zelfs menige Nazi te ver ging) nog vele malen virulenter was dan op grond van zijn publicaties voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog verondersteld werd.
Even indringend, maar toch heel anders, en zeker veel soberder, is ‘De vergelding’. Op basis van een nauwgezet onderzoek en vele vraaggesprekken reconstrueerde Jan Brokken de wederwaardigheden van het dorpje Rhoon, onder de rook van Rotterdam, gedurende de Tweede Wereldoorlog, waarbij de nadruk ligt op een incident met een kapotte elektriciteitskabel in oktober 1944 in het gehucht ’t Sluisje waarbij een Duitse militair de dood vond. Die militair was op het moment van het voorval in het gezelschap van twee andere militairen en twee Nederlandse meisjes – minnaressen van twee van de drie soldaten – waarvan er eentje nog minderjarig was. De Duitse bezetter vatte het incident op als een geval van sabotage dat met represailles beantwoord diende te worden. Die vergelding vond plaats door de executie van zeven onschuldige burgers. En op de dag van de bevrijding volgde dan de vergelding op de landgenoten die met de bezetter gecollaboreerd hadden: NSB’ers, Nazi-sympathisanten en vrouwen die relaties met Duitsers hadden aangeknoopt (of waarvan men dit vermoedde) werden mishandeld, kaalgeschoren en aan de kaak gesteld. Er werden nog net geen mensen gelyncht.
Brokken dringt diep door in het Rhoon van tijdens de oorlog. En soms lijkt Brokkens boek zelfs op een whodunnit: is de elektriciteitskabel die de Duitse militair elektrocuteerde door slijtage los geschoten in combinatie met de harde wind gedurende een herfststorm of heeft iemand die kabel opzettelijk losgesneden? En, als dat laatste het geval is, wie heeft die daad op zijn geweten? En had die dader de gevolgen wel goed ingecalculeerd zo vlak na Dolle Dinsdag?
Brokken schetst het beeld van een Nederland in oorlogstijd waarin het voor sommige mensen veel moeilijker overleven is dan in het vooroorlogse Nederland. Noodgedwongen nemen mensen beslissingen zonder oog voor de consequenties die ze naderhand zullen moeten dragen. Of ze negeren die consequenties bewust. Een van de ‘hoofdpersonen’ in Brokkens boek is een vrouw wier echtgenoot als Nederlandse militair naar Engeland vlucht om van daaruit de strijd voort te zetten. Zij blijft in Nederland achter met drie kinderen. Een uitkering van staatswege krijgt zij niet, haar man is immers gedeserteerd. Noodgedwongen zoekt de vrouw uiteindelijk haar toevlucht tot de bezetter: eerst beperkt zich haar dienstbaarheid tot huishoudelijke taken die zij in opdracht van de bezetter uitvoert, naderhand heeft zij ook seksuele contacten met Duitse militairen. En op bijltjesdag volgt onvermijdelijk de genadeloze afstraffing voor die collaboratie. De vrouw wordt kaalgeschoren en haar hoofd met carbolineum ingesmeerd. Bovendien mishandelt men haar. ‘Men’ is in dit geval de goegemeente die niets incorrects kan worden nagedragen. De brave burgers die zich erop lieten voorstaan niet gecollaboreerd te hebben.
Er zijn gedurende de oorlogsjaren ook lieden die het er eenvoudig van nemen. In die tijd liggen de jarenlang geëvolueerde machtsverhoudingen binnen Nederland totaal overhoop. De autoriteit van vele gezagsdragers is tijdelijk opgeheven en de werking van bepaalde geschreven en ongeschreven wetten lijkt opgeschort. De oorlogstijd geldt als een permanente uitzonderingstoestand waarin dingen die voorheen niet konden, opeens tot de mogelijkheden gaan behoren. Sommige mensen grijpen die gelegenheid aan om te ontsnappen aan de benauwende verzuilde atmosfeer van het vooroorlogse Nederland. Zij profiteren, op wat voor wijze dan ook, van de nieuwe verhoudingen: door oude vetes te beslechten, door een Duitse minnaar te kiezen, door voor de bezetter te werken en daar (veel) geld mee te verdienen, door een ongewenste politieke toestand te veranderen.
Na de oorlog, de bevrijding en de afrekening met de slechterikken breekt de periode van het zwijgen aan. Men heeft geen tijd om te praten, er moet gewerkt worden. Wederopbouw. Aan de collectieve verdringing van de oorlog komt pas in de jaren zestig van de vorige eeuw een einde. Sindsdien is de Tweede Wereldoorlog het onderwerp van studie en discussie. Je zou kunnen zeggen dat in zekere zin de oorlog opnieuw gevoerd is. Jan Brokken heeft met ‘De vergelding’ een belangrijk stuk toegevoegd aan die legpuzzel vanuit voortdurend verschuivend perspectief die de Tweede Wereldoorlog constitueert en zal blijven constitueren. Hij heeft bovendien een prachtig boek geschreven. Dat dat boek momenteel diverse boekenranglijstjes aanvoert (en niet de pulp van zoveel tinten grijs), heeft iets van rechtvaardigheid...van vergelding zelfs.
© 2013 Leo van der Sterren
Abonneren op:
Reacties (Atom)