Posts tonen met het label Boekenlijst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boekenlijst. Alle posts tonen

woensdag 31 december 2014

De leeslijst van 2014

Marisha Pessl, ‘Nachtfilm’, Amsterdam, 2013. Qua lezen valt een slechter begin van het jaar nauwelijks voor te stellen. Wat een klotenboek! De resultante, zo lijkt het, van een cursus creative writing in combinatie met een negen maanden durende brainstormsessie van een stel geflipte studenten met als doel de bevalling van een plot. Dat alles in het kader van wat het gevolg van een weddenschap schijnt te zijn: ik kan een bestseller produceren want als je per se een beststeller wilt produceren, dan kun je een bestseller produceren.

John Steinbeck, ‘Een blik in Cannery Row’. Amsterdam, 1974 [1948]. Prachtboek, inderdaad. Maar de vertaling had al in 1974 iets oubolligs, dunkt me.

Ludwig Hohl, ‘Bergfahrt’, Frankfurt am Main, 1978 [1975]. Beklemmend boek over een bergbeklimming die noodlottig eindigt. ‘Bergfahrt’ heeft alles in zich wat het beklimmen van bergen onderscheidt van andere sporten: het oneindige egoïsme en de oneindige idiosyncrasie van bergbeklimmers, het toelaten van ontoelaatbare emoties, de totale machteloosheid en eenzaamheid als de dingen mis beginnen te gaan, de invloed van arabeske weersomstandigheden. Hohl beschrijft met een enorme precisie die soms bang maakt. Zie bijvoorbeeld de passage waarin hij de gletsjer beschrijft. Bij vlagen doet ‘Bergfahrt’ denken aan de brief de Rimbaud aan ‘de zijnen’ schreef in 1878 nadat hij te voet de Gotthardpas was overgestoken. Ook die beklemming.

Olivia Laing, ‘Naar de rivier. Een reis onder het oppervlak’. Amsterdam, 2011. Mooi verhaal over een reis langs de rivier de Ouse in Sussex, de rivier waarin Virginia Woolf zichzelf in verdronk.

Olivia Laing, ‘Het uitstapje naar Echo Spring. Waarom schrijvers drinken’. Amsterdam, 2014. Prachtig boek over zes aan alcohol verslaafde Amerikaanse schrijvers. Met één niet onbelangrijke premisse in het boek heb ik echter moeite, namelijk dat alcoholisme, of elke andere verslaving, een ziekte zou zijn. Dat het allengs een ziekte wordt, alla…

William Irwin (ed.), ‘Black Sabbath & philosophy. Mastering reality’. Malden, Oxford, 2014. Black Sabbath en filosofie, je zou niet verwachten dat de twee taalkundige betitelingen ooit in één adem genoemd zouden worden, maar in de essays in dit boek wordt het gedaan. En dat geeft een vaak verrassende kijk op een muzikaal combo dat, vooral in het begin, door de muziekcriticasters verguisd werd, maar door het publiek vanaf het begin op handen werd gedragen.

Tony Iommi, ‘Iron man. My journey through heaven and hell with Black Sabbath’. Londen, 2012. Niet altijd even verheffend, niet altijd even interessant. En dat iemand van zestig er nog lol in heeft om zijn grollen, grappen en poetsen breed uit te meten, nou ja…

Willem Brakman, ‘De blauw-zilveren koning’. Amsterdam, 1977. Prachtige, veel beschrijvende roman over het veelbeschreven leven van de tragische Beierse koning Lodewijk de Tweede.

Wim de Bie, ‘Meneer Foppe in zijn blootje’. Maartensdijk, 2014. Gekregen van vriendin Valentina. Een dun boekje met zeven verhaaltjes over het leven van de kleine kleinburger meneer Foppe die na de dood van zijn moeder alleen woont en allerlei ‘angstjes en fobietjes’ onderhoudt. Leuk.

John Worthen, ‘The gang’. New Haven, Londen, 2001. Zie Uitpost Kephala van 26 april 2014.

Gertrude Starink, ‘The rock of names’. Hilversum, 1981. Tekst van een hoorspel dat bestaat uit een collage van gedichten, citaten uit de dagboeken en de brieven van Samuel Taylor Coleridge, William en Dorothy Wordsworth en Mary en Sara Hutchinson. Zie Uitpost Kephala van 26 april 2014.

Robert Southey, ‘A vision of judgment’. Londen, 1821. Lang en slecht gedicht door de poet laureate Robert Southey naar aanleiding van de de dood van koning George III van Engeland in 1820. Zie Uitpost Kephala van 24 en 29 juli 2014.

Kathleen Coburn, ‘The self concious imagination’. Oxford, 1974. Serie lezingen van de Canadese academica die in de jaren dertig van de vorige eeuw de notebooks van Samuel Taylor Coleridge ontdekte bij een nazaat van de beroemde dichter en denker. Zij gaf vervolgens vanaf 1957 de ‘Notebooks’ uit. In de lezingen behandelt zij drie thema’s die in de notebooks van Coleridge voortdurend terugkeren: Coleridge in relatie met zichzelf, Coleridge in relatie met de anderen en Coleridge in relatie met de natuur en de hogere machten. Coburn transfereert zoveel bewonderende en liefdevolle affectie voor het onderwerp van haar levenswerk naar het papier dat het van de lezer een bijna onmenselijke tour de force vergt om niet onvoorwaardelijk van de man te gaan houden.

J.C.C. Mays, ‘Coleridge’s experimental poetics’. Basingstoke, 2013. Over Coleridges verscheidenheid en subtiliteit als dichter. Van de bezorger van de ‘Poetical works’ (zes dikke boeken) in de ‘The collected works of Samuel Taylor Coleridge’.

William Wordsworth, ‘Guilt and sorrow, or incidents upon Salisbury Plain’. De versie uit 1793 – 1794 van de weerslag van Wordsworths verblijf in deze desolate streek in het zuidwesten van Engeland. Het gedicht zou, in nog weer gewijzigde vorm, pas in 1842 gepubliceerd worden.

Lord Byron, ‘The vision of judgment’. Londen, 1822. De hilarische repliek van Lord Byron op Robert Southey’s ‘A vision of judgment’. De kwetsuur die Byron met zijn woorden toebracht aan Southey zou nimmer volledig worden geheeld: Southey’s toch al twijfelachtige reputatie, niet alleen als dichter, maar ook als mens, werd door Byron voorgoed en onherstelbaar geschaad. Zie Uitpost Kephala van 24 en 29 juli 2014.

Adam Sisman, ‘The friendship. Wordsworth and Coleridge’. Londen, 2008 [2006]. Over de vriendschap tussen Wordsworth en Coleridge. Het boek voegt niet veel toe aan eerdere werken over de band tussen beide dichters.

Peter Cochran, ‘Byron and Bob: Lord Byron’s relationship with Robert Southey’. Cambridge, 2010. Zie Uitpost Kephala van 24 en 29 juli 2014.

Laurent Binet, ‘HhhH Himmlers hersens heten Heydrich’. Amsterdam, 2013 [2010]. Monumentaal boek over de aanslag in mei 1942 op de protector van Bohemen en Moravië, Reinhard Heydrich, maar ook over de onmogelijkheid om door te dringen in de feiten-an-sich.

Andrea Maria Schenkel, ‘Bunker’. Utrecht, 2009. Matig boek van mevrouw Schenkel.

Andrea Maria Schenkel, ‘Het monster van München’. Utrecht, 2008. Schets van een aantal slachtoffers van een seriemoordenaar in het München van de late jaren dertig van de twintigste eeuw. Bovendien een beeld van een tijd dat afwijkt van de geijkte beelden die de nadruk leggen op (de gevolgen) van het Nazi-regime. Spannend.

Bill Bryson, ‘De zomer van 1927’. Amsterdam, 2014. Wat een draak van een boek vol verhalen die al duizend keer verteld zijn en al duizend keer beter. Een boek vol ongeoliede verhalen en met totaal oninteressante clichés. Langdradig, saai, na vijftig bladzijdes al totaal voorspelbaar met zijn sterke verhalen en zogenaamd stoere eenlijners. Een boek dat je met lange tanden leest, met als hoofdpersoon ‘de grootste held van de twintigste eeuw’, Charles Lindbergh. Charles Lindbergh, de grootste held van de vorige eeuw! Een lachertje. Het enige wat Lindbergh gedaan heeft, was als eerste de Atlantische Oceaan oversteken met een vliegtuig. Er komt geen Bryson meer in dit huis van mij.

J.L. Carr, ‘Een maand op het platteland’. Amsterdam, 2014 [1986]. Prachtige kleine roman over een veteraan van de Eerste Wereldoorlog die in retraite gaat op het platteland van Yorkshire. Iedereen die van Engeland houdt, houdt van dit boek, kan niet anders.

A.L Sötemann, ‘Een dichter en zijn wereld. Over J.C. Bloem’. Groningen, 1994. Over een dichter en een wereld die ver achter ons lijken te liggen.

Joachim Ringelnatz, ‘…liner Roma…’. Uit ‘Sämtliche Erzählungen’, Zürich, 1994. Prachtige, poëtische novelle uit 1923 van de kleinkunstenaar, beeldend kunstenaar en schrijver Joachim Ringelnatz, bekend van zijn gedichten over Kuttel Daddeldu. ‘…liner Roma…’, is, de titel duidt het al aan (‘Berliner Roman’), een fragment. De hoofdpersoon is de stad Berlijn die haar inwoners en bezoekers leeft. Prachtig poëtisch collageproza.

Chrétien Breukers, ‘Een zoon van Limburg’. Baarn, 2014. Zie Uitpost Kephala van 7 en 9 oktober 2014.

Ida Gerhardt, ‘Dolen en dromen’. Amsterdam, Zutphen, 1980. Lang gedicht over een etmaal in Zutphen.

Mary Leapor, ‘Crumble-Hall’. Uit: David Fairer, Christine Gerrard Wiley, (editors), ‘Eighteenth-century poetry: an annotated anthology’, Oxford, Maldon (Ma.) 2004 [1999]. Lang country-manor-house-gedicht dat in 1751 voor de eerste keer gepubliceerd werd, postuum gepubliceerd want de auteur, een dienstmeisje bij een gegoede Engelse familie, was enkele jaren daarvoor op 24-jarige leeftijd aan de gevolgen van de mazelen overleden.

Sir Thomas Browne, ‘Hydriotaphia, Urne-Buriall’ Uit ‘The major works’, Londen, 2006 [1977]. In 1658 gepubliceerd als eerste deel van een diptiek (het tweede deel is ‘The garden of Cyrus’, gaat ‘Urne-Buriall’ (aldus wordt het werk over het algemeen aangeduid) over bijzetting. Thomas Browne, arts te Norwich, houdt zich in deze verhandeling bezig met de twee verschillende vormen van bijzetting: begrafenis met of na balseming of crematie. Maar ‘Urne-Buriall’ gaat in wezen over de dood en de ijdelheid van het aardse leven dat echter – grote troost – dat de ziel het eeuwige leven mag smaken.

Sir Thomas Browne, ‘The garden of Cyrus, or the quincuncial, lozenge, or network plantations of the ancients, naturally, artificially, mystically considered,’. Uit ‘The major works’, Londen, 2006 [1977]. Tweede deel van de diptiek uit 1658. Wat de beide traktaten met elkaar te maken hebben, is niet helemaal duidelijk. Browne zelf heeft ooit verklaard dat ‘Urne-Burriall’ over de dood ging en‘The garden of Cyrus’ over het leven. ‘The garden of Cyrus’ biedt in elk geval een blijk van het enorme vermogen tot verwondering en de verbeeldingskracht van Sir Thomas Browne die de lezer vergast op een soort literaire en wetenschappelijke achtbaantrip. ‘The garden of Cyrus’ is in elk geval een meer excentrieke tekst dan ‘Urne-Buriall’.

Anya Taylor, ‘Bacchus in Romantic England. Writers and drink 1780-1830’. New York, 1998. Niet het drinkgedrag van twintigste-eeuwse dichters en schrijvers dit keer, maar dat van hun confraters van rond de wisseling van de achttiende naar de negentiende eeuw. Fascinerend boek over een fascinerend onderwerp.

Anya Taylor, ‘Erotic Coleridge. Women, love, and the law against divorce’. Basingstoke, New York, 2005. Coleridge en de liefde. Zijn mislukte huwelijk en de feitelijke onmogelijkheid om te scheiden, zijn liefde voor Sara Hutchinson, zijn oog en oor voor vrouwen als mensen en individuen – in een tijd dat de mores de leden van het vrouwelijke geslacht tot dingen reduceerde en de wet hen als goederen bestempelde.

Giorgio de Chirico, ‘Hebdomeros’. Amsterdam, 1973. Twee keer ben ik aan dit boek begonnen. De eerste keer ben ik ergens halverwege gestrand, de tweede keer nog eerder. Nu heb ik het uitgelezen. De Chirico put uit zijn herinneringen, fantasieën en (dag-) dromen. Amper een structuur toelatend verwerkt hij deze elementen in dit prototype van een surrealistische roman. Maar is het een roman? Of is het een weergave en tegelijkertijd een gestileerde studie van een persoon die zichzelf onderwerpt aan een lange, immense en beredeneerde ontregeling van al zijn zintuigen?

© 2014 Leo van der Sterren

dinsdag 31 december 2013

De boekenlijst van 2013

Ronald de Graaf, ‘Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog 1565 – 1648’. Franeker, 2004. Lijvig boek waarin vele aspecten van deze roerige episode van de vaderlandsche geschiedenis aan de orde worden gesteld.

Nyk de Vries, ‘De dingen gebeuren omdat ze rijmen’. Amsterdam, 2011. Niet altijd even mooi, soms irritant, de proza-‘gedichten’ van De Vries. Maar ‘Boek’, ‘Koortslip’ en ‘Reis’ zijn wel mooi, vond ik (vooral ‘Reis’).

Louis-Ferdinand Céline, ‘Van het ene slot naar het andere’. Amsterdam, 1981. Eerste deel van Célines ‘Duitse’ trilogie, over zijn zwerftochten vanaf 1944 door Europa. Even huiveringwekkend als hilarisch, Célines verslag van het gedwongen verblijf vanaf september 1944 van de Vichy-regering in Sigmaringen veroorzaakte de nodige ophef. Vanwege de publicatie van enige anti-communistische, racistische en antisemitische geschriften tijdens de oorlog ontvluchtte Céline Frankrijk in 1944 en kwam hij na enige omzwervingen eveneens in Sigmaringen terecht. Inderdaad, een ‘hallucinerend visioen’. Oorspronkelijk gepubliceerd in 1957.

Jan Brokken, ‘De vergelding. Een dorp in tijden van oorlog’. Amsterdam, 2013. Opnieuw – na het boek van Céline – een boek over de nasleep van de oorlog. Boeiend boek.

Louis-Ferdinand Céline, ‘Noord’. Amsterdam, 1983. Deel twee uit de ‘Duitse’ trilogie, oorspronkelijk in 1961 gepubliceerd. Maar Céline beschrijft in ‘Noord’ gebeurtenissen, uiteraard sterk geromaniseerd, die chronologisch vóór de wederwaardigheden uit ‘Van het ene slot naar het andere’ te plaatsen zijn. ‘Noord’ is zo mogelijk nog huiveringwekkender dan het eerste boek uit het drieluik. Vooral tegen het einde krijgt het boek een surrealistisch karakter dat imponeert.

Louis-Ferdinand Céline, ‘Rigodon’. Amsterdam, 1985. Het sluitstuk van Célines ‘Duitse’ trilogie en tevens zijn laatste boek. De dag nadat hij het manuscript van ‘Rigodon’ herzien had, overleed hij, 1 juli 1961, zo luidt althans het verhaal.

Florian Illies, ‘1913. Het laatste gouden jaar van de twintigste eeuw’. Amsterdam, 2013. Hitler en Stalin die elkaar in 1913 in Wenen ontmoet zouden hebben. Dit boek bestaat uit een aaneenschakeling van Wikipedia- en geschiedenisboekfeiten en de resultaten van niet zelden goedkoop gespeculeer. Een flauw boek.

Thomas Jerome Seabrook, ‘Bowie in Berlin. A new career in a new town’. Londen, 2008. Fascinerend boek over Bowie in zijn ‘Berlijnse periode’, of hoe een rockster zich van een lichamelijk en geestelijk wrak tot een redelijk gezond mens weet te transformeren en op die manier de dood ontloopt – maar het scheelde niet veel. In de tussentijd maakt hij ook nog enkele prachtige albums ‘Station to Station’, ‘Low’ en ‘Heroes’ en ontplooit hij nog allerlei andere activiteiten.

Frédéric Vitoux, ‘Het leven van Céline’ Amsterdam, 1990. Geen ideale biografie. Oftewel: er kleven nogal wat feilen aan deze turf.

Eduardo Mendoza, ‘De neergang van Madrid’. Amsterdam, 2013. Eigenlijk een heel slecht boek. Ongeloofwaardigheid die tergt, zo valt ‘De neergang van Madrid’ het beste en in één zin te kenschetsen. Daar waar het boek broeierig of beklemmend had kunnen zijn, is het dat niet. Wie het wespennest van het Spanje net voor de de burgeroorlog wil beschrijven, moet duidelijk maken dat het er halfdonker is en dat het vol met dwaze wespen zit die allemaal iets anders willen.

Paul Claes, ‘Zwarte zon. Code van de hermetische poëzie’. Nijmegen, 2013. ‘When no criticism is pretended to, & the Mind in its simplicity gives itself up to a Poem as to a work of nature, Poetry gives most pleasure when only generally & not perfectly understood.’ (Samuel Taylor Coleridge, ‘The Notebooks of Samuel Taylor Coleridge’. Volume I. Text. Lemma 383).

Vincent Bugliosi with Curt Gentry, ‘Helter skelter. The true story of the Manson murders’. New York, 1994 [1974]. Fascinerend, bij vlagen spannend boek over een van de meest geruchtmakende moordzaken ooit. Bugliosi was de openbare aanklager die Manson cs. veroordeeld wist te krijgen. Uiteraard plaatst hij zichzelf volop in de schijnwerper van de heroïek. Naar aanleiding van dit boek heb ik mij ook Bugliosi’s Kennedy-boek aangeschaft.

David Kynaston, ‘Modernity Britain. Opening the box, 1957 – 59’. Londen, 2013. Het vijfde boek in de serie ‘Tales of a New Jerusalem’. Volgens een intussen vertrouwd concept en van de intussen vertrouwde hoge kwaliteit.

Umberto Eco, ‘Baudolino’. Amsterdam, 2005. Over hersenschimmen. En over het belang dat mensen aan hersenschimmen kunnen hechten. Zoals bij alle boeken van Eco na ‘De naam van de roos’ ontbreekt er iets. Maar ik heb er nog niet over nagedacht wat er ontbreekt.

Jeffery W. Vail, ‘The literary relationship of Lord Byron and Thomas Moore’. Baltimore, 2001. Over de vriendschap tussen twee rivalen en concurrenten die in het Engeland van het begin van de achttiende eeuw dezelfde status hadden als rocksterren nu.

Mohammed Sharafuddin, ‘Islam and romantic orientalism. Literary enocounters with the Orient’. Londen, New York, 1996 [1994]. Verplichte kost voor een ieder die interesse heeft in het zogenaamde ‘romantische oriëntalisme’.

J. D. Salinger, ‘De vanger in het graan’. Amsterdam, 2012 [1989]. Inderdaad een prachtboek.

Ronald Prud’homme van Reine, ‘Moordenaars van Jan de Wit. De zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw’. Utrecht, 2013. Over de moord in het Rampjaar 1672 op raadpensionaris Johan de Witt en diens broer Cornelis in Den Haag en de rol die de stadhouder van Holland en aanstaande koning van Engeland, Willem III, daarbij speelde. Dit boek wil 341 jaren na dato nog de scoop leveren dat er een door Oranje geïnstigeerd complot achter de moordpartij zat, maar slaagt daar niet in. Dus veel gespeculeer op basis van de bekende documenten en een enkele onbekende getuigenverklaring over iets wat niet verder te reconstrueren valt, wat voor elke gebeurtenis geldt, tenzij er echt nieuwe documenten op zouden duiken.

Geert Mak, ‘Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika’. Amsterdam, 2012. Domineeisme.

Martin Bossenbroek, ‘De Boerenoorlog’. Amsterdam, 2013. Lijvig boek over de strijd die de Boeren rond de wisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw voerden tegen de Britten om hun onafhankelijkheid te behouden. Een Nederlands getinte ‘tegenhanger’ van ‘The Boer war’ van Thomas Pakenham.

Georg Büchner, ‘Lenz’. Novelle over het geestelijke verval door waanzin van de Duitse Sturm und Drang-dichter Jakob Michael Reinhold Lenz.

Samuel Butler, ‘De weg van alle vlees’. Amsterdam, 2013. De Nederlandse vertaling van Butlers in 1903 postuum gepubliceerde roman over de wederwaardigheden van de Ernest Pontifex in het Engeland van koningin Victoria.

‘Bobschrift 2013. Verhalen en artikelen’. Rotterdam, 2013. Over Bob den Uyl. Niet allemaal even waardevol en zinvol.

Ben IJpma en Ben van Melick (red.) ‘Ik ben een gemankeerde saxofonist. Lucebert & Jazz’. Rimburg, Amsterdam, 2013. Lucebert en jazz, jazz en Lucebert. Mooi uitgegeven, maar qua inhoud wel veel van hetzelfde.

Umberto Eco, ‘De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen’. Amsterdam, 2013. Prachtig prentenboek dat naadloos aansluit bij ‘Baudolino’.

Willem Otterspeer, ‘De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel I (1921 – 1955). Amsterdam, 2013. Verplichte kost voor elke Hermans-adept. Nog maar net uit, vond ik dit toch wel een adequate biografie. Maar dat een boek met deze portee het stof rondom Hermans en zijn nalatenschap doet opwaaien, spreekt vanzelf. Iedereen die er toe doet, wil er toe doen.

Max Pam, ‘Ketter en geest’. Amsterdam, 2011.

© 2013 Leo van der Sterren

maandag 31 december 2012

De boekenlijst van 2012

Fred Goodman, ‘The mansion on the hill’. New York, 1998 [1997]. Goodman vertelt het verhaal van het leven van de meeste mensen: idealen gaan verloren door de eisen en verleidingen van het materiële. Maar eigenlijk ook een heel treurig verhaal over helden die (vanzelfsprekend ook) geen helden zijn.

Hella S. Haasse, ‘Een nieuwer testament’. Amsterdam, 2011 [1966]. Ja, het is inderdaad een prachtboek.

J. R. R. Tolkien, ‘De hobbit’. Amsterdam, 2009 [2007]. Tolkiens proza is matig, zei het Nobelprijscomité al. Dat klopt. Afgelopen week ook de film gezien. Die beter is dan het boek. Genieten van een overweldigend mooie onzinfilm vol ronkende namen.

Hermine de Graaf, ‘Een kaart, niet het gebied’. Amsterdam, 1984. Knap geschreven verhalen maar op een gegeven moment heb je het als lezer wel gehad met de hoofdpersonen ervan. Hermine de Graaf gaf les aan de middelbare school die ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw bezocht.

Sarah Gristwood, ‘Perdita/Royal mistress, writer, romantic’. Londen, 2005. Biografie over de Engelse actrice, courtisane en schrijfster Mary Robinson.

Erik Spinoy, ‘As/zteken’. Antwerpen, 2012. Het gedichtendagessay. Niets bijzonders.

‘From sensibility to romanticism. Essays presented to Frederick A. Pottle’. Edited by Frederick W. Hilles and Harold Bloom. New York, 1970 [1965].

W. N. Hargreaves-Mawdsley, ‘The English Della Cruscans and their time, 1783 – 1828’. Den Haag, 1967. Op een mild ironische toon vertelt Hargreaves-Mawdsley het verhaal van de groep dichters rondom Robert Merry die het Engelse equivalent vormden van wat in Duitsland Sturm und Drang genoemd werd, maar dan van een vele malen minder kaliber dan Goethe en Schiller. Ook Mary Robinson wordt tot de Engelse Della Cruscans gerekend. De gedichten van de groep staan in het teken van de sensibility: het zijn vaak pathetische gevoelsuitbarstingen die hetzij bol staan van cliché’s hetzij uitwassen van het ergste maniërisme vertonen.

Marja Pruis, ‘Kus me, straf me. Over lezen en schrijven, liefde en verraad’. Amsterdam, 2011. Fraaie essays van Marja Pruis.

Nicolaas Beets, ‘Jose, een Spaansch verhaal’. Leiden, 1838. Romantiek in de polder. Byron op zijn Hollandsch. Inclusief een ode aan de zus, Serena in dit geval, geen Augusta.

Amanda Elyot, ‘All for love. The scandalous life and times of royal mistress Mary Robinson’. New York, 2008. Zie Uitpost Kephala van 31.03.2012.

Theo Salemink, ‘Een andere Lucebert’. Nijmegen, 2008. Binnenkort meer hierover.

Sarah Waters, ‘Vingervlug’. Amsterdam, 2008. Niets is wat het lijkt in deze roman. Spannend. En je wordt als lezer heerlijk op het verkeerde been gezet.

Sarah Waters, ‘De nachtwacht’. Amsterdam, 2007 [2006]. Minder spannend en verrassend dan ‘Vingervlug’, maar niettemin een knap boek.

Sarah Waters, ‘De kleine vreemdeling’. Amsterdam, 2010. Vreemd boek over een vreemde familie in een vreemd land. Wat dat laatste betreft: nergens lijkt het geloof in geesten en spoken groter dan in het land waarin het empiricisme in zijn meest extreme vorm zijn oorsprong vond.

Willem Brakman, ‘Zes subtiele verhalen’. Amsterdam, 1979 [1978]. Brakman! De kunst van de zintuigelijke waarneming. De kunst om het waargenomene te verbinden met andere waarnemingen. Heterogene dingen homogeen maken. De kunst om dat amalgaam van waarnemingen, associaties, gedachten, gedachtensprongen en gevoelens te verwoorden zonder onmiddellijk alles prijs te geven. De kunst van de suggestie. De humor. De tragiek. Brakman!

Guillaume Apollinaire, ‘Die Großtaten eines jungen Don Juan’/’Die elftausend Ruten’. Berlin, 2005 [1989]. Vertalingen van de beide pornografische romans die Apollinaire in 1905 om den brode schreef. In de ‘Großtaten’ passeren de normale pornografische cliché’s de revue. De ‘Ruten’ is valser, gemener, smeriger, donkerder – maar wellicht doelbewust, om het een parodie te doen zijn.

Diverse auteurs, ‘Apollinaire / Woordvoerder van de avantgarde / Avantgardist van het woord’. Amsterdam, 1999.

Arnon Grunberg, ‘De man zonder ziekte’. Amsterdam, 2012. Zie Uitpost Kephala van 30 juni 2012.

Willem Brakman, ‘De gegoeden’. Utrecht, 1980. Kort verhaal van de meester. Mooi.

Jean Cocteau, ‘Les enfants terribles (Die vreselijke kinderen). Brussel / Den Haag, 1967. Bijna honderd jaar oud blijft dit boek fascineren.

W.G. Sebald, ‘De ringen van Saturnus. Een Engelse pelgrimage’. Amsterdam, 2007. Prachtig melancholiek boek met daarin allerlei echte en denkbeeldige, letterlijke en figuurlijke reizen.

W. G. Sebald, ‘Austerlitz’. Amsterdam, 2008. Onder andere over vestingen die zelden het nut hebben gehad waarvoor ze waren gebouwd, maar die altijd nog als interneringskampen konden dienen. Kauna, Willebroek, Theresienstadt. Ontroerend en aangrijpend boek.

Willem Brakman, ‘De reis van de douanier naar Bentheim’. Amsterdam, 1983. Opnieuw Bentheim.

Onno Blom, ‘Het fabeldier dat Komrij heet’. Amsterdam, 2004.

Huub Beurskens, ‘De hemelse kamer’. Amsterdam, 2012. Proza dat irriteert. Een verhaal dat nooit echt spannend wordt. Een geconstrueerde plot. De verwijzingen naar Poe en de ‘Vier letzte Lieder’ brengen telkens weer die prachtige verhalen en gedichten in herinnering alsmede een van de mooiste werken uit de geschiedenis van de muziek.

Boudewijn Büch, ‘Zingende botten’. Amsterdam, 2003. Er is meer dan tekst alleen, stelt wijlen Boudewijn Büch, die dat adagium indachtig de oorden van de dode dichters bezoekt en hun parafernalia onder ogen en – het liefst – in handen tracht te krijgen. Büch geeft te kennen meerdere malen in de geboortestad van Rimbaud, Charleville-Mézières, in de Franse Ardennen te zijn geweest, een stad die ik het afgelopen jaar, voor de tweede keer, bezocht heb. Vanwege Rimbaud.

Sarah Waters, ‘Affiniteit’. Amsterdam, 2006 [2000]. Spannend boek met, ondanks het feit dat je weet welke streken Waters uit kan halen, een verrassende ontknoping.

A.H. J. Dautzenberg, ‘Extra tijd’. Amsterdam, 2012. Prachtige roman.

Sarah Waters, ‘Fluwelen begeerte’. Amsterdam, 2008 [2002]. Merkwaardige roman over lesbische liefde in het Engeland van koningin Victoria. Een verhaal dat alle kanten op stuitert, maar uiteindelijk toch een liefdesgeschiedenis is, met, als in een damesromannetje, een gelukkig einde.

Jean-Paul Sartre, ‘Walging’. Utrecht, 1962.

Johan van de Beek, Paul van Gageldonk (red.), ‘Het onbehagen. Een zoektocht naar de Limburgse ziel’. Sittard, 2012.

Kai Meyer, ‘Das Gelübde’. Bergisch Gladbach, 2006 [1998].

Teigetje & Woelrat, ‘Ons leven met Reve’. Amsterdam, 2012. Niet al te best geschreven cq. geredigeerd boek over de relatie van Willem van Albeda en Henk van Manen met Gerard Reve. Maar afdoende als opwarmertje voor deel drie van Nop Maas zijn biografie.

Salman Rushdie, ‘Joseph Anton. Een memoir’. Amsterdam/Antwerpen, 2012. Indrukwekkende en, naar het zich laat aanzien, evenwichtige autobiografie van Rushdie over zijn roman ‘De duivelsverzen’ en de gevolgen daarvan. Vooral het einde van het boek grijpt aan. Maar het geheel leest als een roman met een happy ending.

Hella S. Haasse, ‘Maanlicht’. Amsterdam, 2012. Vier gothic stories uit de jaren dertig en veertig. Niet zo bijzonder.

Wiel Kusters, ‘Ik graaf, jij graaft. Aantekeningen over poëzie’. Amsterdam, 1995.

Nop Maas, ‘Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven 3. De late jaren” 1975 – 2006’. Amsterdam, 2012. Het derde en laatste deel van de biografie over Gerard Reve. Even fascinerend en onthutsende als deel 1 en 2. Wel ergerden de plaatsen waar bedragen en tekstfragmenten zijn geschrapt. Teveel asterisken. Schande!

Theodor Holman ‘Gerardje. Notities van een Reve-liefhebber’. Amsterdam, 2009. Overbodig boek van een Reve-adept die zich tevens voorgeeft een vertrouweling te zijn. Qua schrijfstijl heeft de leerling weinig, nee niets van de meester geërfd. Het boek bevat heel erge passages, bijvoorbeeld: ‘Gerard bespiegelt de beesten, die hij in zijn latere oeuvre zal bestempelen als “Katholieke Dieren”.’ Bah.

Jan van Mersbergen, ‘Naar de overkant van de nacht’. Amsterdam, 2012 [2012]. En waar lag het punt aan de overkant van de nacht? In Blerick. Aan de overkant van de Maas. Deze roman lokte bij mij allerlei bedenkingen uit, in de trant van: hoe weet iemand die echt teut is geweest hoe het was om teut te zijn? Waarom weet ik niet, maar ik moest voortdurend aan ‘Music-Hall’ van Van Ostaijen denken. Dat unanimisme.

Lucas Hüsgen, ‘Nazi te Venlo’. Aalst, 2011. Indrukwekkend document met talloze divagaties over een zoektocht naar een misschien foute voorouder wiens vondst uiteindelijk toch vermeden wordt. Prachtig boek.

Evert Peet, ‘De mythe van M.’. Baarn, 1985. Gerard Reves streven naar verlossing in M.: moeder, maagd, Maria, oermoedergodin.

Sjaak Hubregtse, ‘Over Op Weg Naar Het Einde en Nader Tot U’. Amsterdam, 1980.

© 2012 Leo van der Sterren



woensdag 29 december 2010

De boekenlijst van 2010











Oek de Jong, ‘Zijn muze was een harpij. Kellendonklezing 1998’. Nijmegen, 1998. Bespiegeling over de aard Willem Frederik Hermans en de daaruit voortvloeiende bijna nihilistische levensbeschouwing.

Ben Brice, ‘Coleridge and scepticism’. Oxford, 2007. Monografie over Coleridges worsteling met de filosofische stroming van het scepticisme. De vertegenwoordigers van het scepticisme twijfelden aan de dingen die niet de het kanaal van de zintuigen passeerden (de twijfel aan de dingen die het kanaal van de zintuigen wel passeerden, zou later volgen). Coleridges geloof raakte aan het wankelen. Maar Coleridge wist gedurende zijn leven zijn geloof nimmer tot een onaantastbaar bastion om te vormen. Voortdurend doemden er twijfels op en deden er zich regressies voor.

Arnon Grunberg, ‘Blauwe maandagen’. Amsterdam, 2000 [1994]. Ironie omdat ironie moet. Ernst omdat ernst moet. Ongevoeligheid omdat ongevoeligheid moet. Gevoeligheid omdat gevoeligheid moet. Zinvolheid omdat zinloosheid moet. Dat alles tragikomisch.

Alan Hankinson, ‘Coleridge walks the fells. A Lakeland journey retraced’. London, 1993. Auteur treedt in de voetsporen van Coleridge die in 1802 een wandeltocht door het Lake-disctrict maakte. Veel aandacht voor Coleridges beklimming en (spectaculaire) afdaling van Scafell, de op een na hoogste berg van Engeland.

Elvis Peeters, ‘Wij’. Amsterdam, Leuven, 2009. Ontluisterend groepsportret van een aantal jongens en meisjes dat via de snellekweekreactor van de verveling afglijdt in de immoraliteit. Maar de kritieken op het boek, onder andere van Coen Peppelenbos, snijden hout.

Charles Ducal, ‘Alle poëzie dateert van vandaag’. Gent, Amsterdam, 2010. Het gedichtendagessay voor 2010. In de reeks gedichtendagessays houden dichters persoonlijke pleidooien voor de poëzie. Charles Ducal bindt de strijd aan met het anything goes. Een terechte strijd. Het staat buiten kijf dat een gedicht bepaalde woorden en volzinnen bevat die het gedicht dwingend een bepaalde kant opsturen, waarna de tegenovergestelde of zelfs een andere kant uitgesloten is – zonder dat de poëtische ambiguïteit daarbij overigens in het geding komt.

David Fairer, ‘Organising poetry. The Coleridge circle, 1790 – 1798’. Oxford, 2009. Fairer plaatst het idealistische (‘romantische’) organicisme (groei van een organisme vanuit zichzelf op basis van Ideeën) van Coleridge – die een felle tegenstander van Locke was – in de traditie van het empirische organicisme van Locke en de Verlichting (groei van een organisme vanuit zichzelf op basis van zintuiglijke waarnemingen en ervaring). Die laatste vorm van organicisme organiseert de zintuiglijk waargenomen werkelijkheid door de accumulatie van en revisie door ervaring, door voortschrijdend inzicht en door trial and error. Fairer onderzoekt in hoeverre dat organiseren zijn weerslag vindt in Coleridges voortbrengselen gedurende de jaren van vroege volwassenheid, ver voordat hij zijn grote ideeën over kunst en literatuur aan het papier zou toevertrouwen, en in de voortbrengselen van de leden van Coleridges kring van intimi in die tijd.

Jay Parini, ‘Why poetry matters’. New Haven, London, 2008. Parini vertelt de dingen over poëzie die ik al wist en licht die feiten toe met voorbeelden van Engelse, maar vooral Amerikaanse dichters. Eerste passage uit het boek: ‘Poetry doesn’t matter to most people. That is, most people don’t write it, don’t read it, and don’t have any idea why anybody would spend valuable time doing such a thing.’ Laatste passage uit het boek: ‘In the end, it [poetry] brings us closer to God, however we define that term. It provides, in some cases, a reason for life itself. “How gladly with proper words the soldier dies.” writes Stevens, “If he must, or lives on the bread of faithful speech.”’ Het citaat binnen het citaat, dat zijn de laatste twee regels van het lange gedicht ‘Notes towards a supreme fiction’ van Wallace Stevens.

Percy Bysshe Shelley, ‘Prometheus ontboeid’. Amsterdam, 1910. Het closet drama (een toneelstuk dat niet geschreven is om gespeeld, maar om gelezen te worden) van Shelley in de vertaling van Alexander Gutteling, uitgegeven door de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur. Shelley schreef een drama dat mank gaat aan dramatiek. Maar ‘Prometheus unbound’ is een prachtig voorbeeld van lyriek die uit zijn voegen barst door het symfonische gehalte ervan. De vertaling van Gutteling met alle vorm- en rijmdwang en uitwassen van Tachtigers-trucage doet afbreuk aan de vele fraaie passages uit het origineel.

James Longenbach, ‘The resistance to poetry’. Chicago, 2004. Aan de hand van een aantal voorbeelden demonstreert Longenbach het paradoxale gegeven dat poëzie zich voortdurend tegen zichzelf verzet. ‘This book is about the ways in which poetry is its own best enemy,’ schrijft Longenbach in het ‘Preface’ (xi). De paradox: poëzie gaat tegen het stromende water in dat zij zelf is. Interessant boekje dat enkele nieuwe inzichten biedt.

Tommy Wieringa, ‘Joe Speedboot’. Amsterdam, 2009 [2005]. Prachtige roman van Tommy Wieringa, vol met prachtig proza. Vooral het eerste deel ‘Penseel’ is zwaar van luchtigheid. De tweede helft, ‘Zwaard’, bevat proza van iets mindere kwaliteit. Het luchtige van het eerste deel ontbreekt hier een beetje.

Joost Zwagerman, ‘Duel’. Amsterdam, Antwerpen, 2010. Het boekenweekgeschenk. Een adequaat geschreven boekje met enkele storende elementen – geen meesterwerk.

Bertus Dijk, ‘Wartaal en waansysteem. Analyse van de indoctrinatie en het woordgeloof in filosofie en sociologie’. Amsterdam, 1994. Achter deze ronkende titel verbergt zich een uit rancune voortgekomen, rommelig verslag van een conflict tussen het universitaire establishment en een student, in dit geval Bertus Dijk – de Bertus Dijk uit Luceberts gedicht ‘kleines handbuch des positivismus’.

Marga Minco, ‘Het bittere kruid’. Amsterdam, 2007. Ik had deze klassieker nog niet gelezen. Deze kleine kroniek beklemt.

A.D. Nuttall, ‘A common sky. Philosophy and the literary imagination’. London, 1974. Een boek over de solipsistische consequenties van het Engelse empirisme en de uitwerking daarvan in enkele literaire werken. Zware kost, maar een prachtboek.

Gerrit Komrij, ‘Wagner en ik’. Amsterdam, 2006. Komrij’s uiteenzetting met Richard Wagner. Komrij als fenomenoloog. Een mooi boek. De bijgeleverde CD is, de Karl Böhms en Joseph Keilberths in aanmerking nemend, minder.

Marga Minco, ‘De glazen brug’. Amsterdam, 1986. Het boekenweekgeschenk van dat jaar. Met de typische Minco-thematiek.

Adam Zamoyski, ‘De slag om Warschau. Lenins mislukte aanval op Europa’. Amsterdam, 2009. De strijd tussen de prille Poolse staat en het Rode leger in 1920. Een saai en daardoor afgrijselijk boek. Niets dan legereenheden die nu eens deze en dan weer gene kant opstuiven.

Nico Dros, ‘De sprekende slang’. Amsterdam, 2010. De perikelen rondom enkele protestantse geloofsgemeenschappen in een dorpje op Texel. Boeiende lectuur.

James Longenbach, ‘Wallace Stevens. The plain sense of things’. New York, 1991. Fantastisch boek over de Amerikaanse dichter Wallace Stevens.

Vincent Starrett, ‘Persons from Porlock and other interruptions’. Chicago, 1938. Columns en essays van een vergeten Amerikaanse schrijver.

Nop Maas, ‘Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven 2. De “rampjaren” 1962 – 1975’. Amsterdam, 2010. Onthutsend verslag van de schrijver als een gek. En deel drie wordt de lezers, onder andere om die reden, omdat de waanzin nu gedocumenteerd is, mogelijk onthouden, hetgeen schandalig zou zijn.

Gerard Kornelis van het Reve, ‘Vier pleidooien’. Amsterdam, 1972. Als voortvloeisel van de lectuur van het boek uit het vorige lemma. Vooral wegens het nog niet gelezen ‘De kunst. Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard’, dat in ‘Nader tot u’ had moeten staan. Of in een vervolg, qua opzet en kwalitatief, van ‘Nader tot u’ – dat er nooit gekomen is. Helaas.

Frans Peeters, ‘De vuisten van Gerard Reve. Het gekwelde leven van een gewelddadige alcoholist’. 2007. Sensationalistisch boekje over Reves leven als alcoholgebruiker en vechtersbaas.

Erwin Mortier, ‘Avonden op het Landgoed. Op reis met Gerard Reve’. Amsterdam, 2007. Opnieuw onthutsing in verband met Reve. De ontluisterende levensavond van de volksschrijver.

Charles den Tex, ‘Onmacht’. Breda, 2010. Klein maar spannend.

Gerard Reve, ‘Het boek van violet en dood’. Amsterdam, 2003 [1996]. Een verhaal zonder verhaal vol verhalen. Even leuk als melig. Even oppervlakkig als diepzinnig.

Wim Wennekes, ‘Jezus Maria! Van het Reve, van het violet en van de dood’. Amsterdam, 1996. Voorafgaand aan de verschijning van ‘Het boek van violet en dood’ deed Wennekes dit semi-triviale boekske het licht zien.

Olena Beal, ‘Dora Wordsworth: A poet’s daughter’, Carnforth, Penrith, 2009. Biografie over de dochter en amanuensis van de Engelse dichter William Wordsworth die haar vader en diens vriend Samuel Taylor Coleridge in 1828 vergezelde op een reis door de Lage Landen en Noord-Rijnland-Westfalen. Dora’s levensgeschiedenis heeft eigenlijk niet veel meer te bieden dan een opsomming van gezondheidsperikelen. Zij stierf in 1847 op 43-jarige leeftijd aan tbc.

David Kynaston, ‘Austerity Britain’. London, 2007. Eerste deel uit de zesdelige serie ‘Tales of a New Jerusalem’, een beschrijving van de geschiedenis van Groot Brittannië tussen de jaren 1945 tot 1979. Dit lijvige eerste deel behandelt de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog wanneer Groot Brittannië nagenoeg bankroet is na een oorlogsinspanning van zes lange jaren. De jaren 1945 tot 1951 laten zich kenmerken door inderdaad austerity, soberheid. En afgezien van de bombardementen en de constante dreiging van het verlies van dierbaren in een oorlogssituatie, lijkt de tijd wel slechter dan gedurende de oorlogsjaren. Het is de tijd van rantsoenen, van gedroogde eieren en van gedwongen vegetarisme. Maar ook de tijd van toenemende bemoeienis van de overheid met de levens van burgers en het optuigen van de welvaartsstaat, vooral als tijdens de parlementsverkiezingen van 1945 niet de Conservatieve partij maar Labour wint. Zinnebeeld van die ontluikende verzorgingsstaat is de invoering van de National Health Service, de (nagenoeg) gratis gezondheidzorg.

David Kynaston, ‘Family Britain’. New York, 2009. Tweede deel uit de serie ‘Tales of a New Jerusalem’ begint met koning George IV die in 1951 het Festival of Britain opent en eindigt met de Suez-crisis, het neerslaan van de Hongaarse opstand en het aftreden van prime minister Anthony Eden, eind 1956, begin 1957. Tussen die grote gebeurtenissen in, en te midden van andere gedenkwaardige geschiedenismomenten, vinden de kleine wederwaardigheden van gewone mensen plaats, in een tijd, de jaren vijftig van de vorige eeuw, die gekenmerkt wordt door een snel stijgende welvaart, in het bijzonder op materieel gebied. Opnieuw een meesterwerk.

Sarah Wise, ‘The blackest streets’. London, 2008. Over The Old Nichol, een van de ergste Victoriaanse achterbuurten in East End, waar de armsten der armen in de laatste decennia van de negentiende eeuw onder erbarmelijke omstandigheden leefden. De titel refereert aan de Poverty Map van Charles Booth (1889) die in zijn cartografische weergave van de armoede in Londen, de armste huizenblokken van de kleur zwart voorzag.

Lluís-Anton Baulenas, ‘Het geluk’. Utrecht, 2007. Ik heb dit boek gekregen van een goede vriendin. Zij vond het een geweldig boek. Ik schroom een beetje om ten opzichte van haar te moeten bekennen dat ik het maar een matig boek vond. Ja, ik weet het: onder vrienden moet dat kunnen. Maar dan toch...het bekende gegeven paard. ‘Het geluk’ is een Barcelona-roman die niet al te best vertaald, maar wellicht ook niet al te best geschreven is. Geen literair hoogstandje dus, maar een bijna-aardig verhaal dat zich afspeelt in het Barcelona van 1909. De titel is een van de slechtste titels die ik ooit op de kaft van een boek heb zien staan, en dat eens te meer na lezing van het boek

Carlos Ruiz Zafón, ‘De schaduw van de wind’. Utrecht, 2008. Nog zo’n roman die onder andere inspeelt op de faam van Barcelona als toeristenstad. Het verhaal doet in eerste instantie rijk en overdadig aan, maar de oplettende lezer ziet de diverse ontknopingen al ver van te voren aankomen. Het boek gaat bovendien ten onder aan zowel onwaarschijnlijkheden als een overdaad van clichés. Bij tijd en wijle streeft de schrijver ernaar om poëtisch uit de hoek te komen. Die pogingen verzanden in pandjeshuis-surrealisme. Eerst enkele voorbeelden van krukkig proza. ‘“Ach, mijn dochter doet mee aan alles waar praten bij om de hoek komt kijken…”’ ‘Op de terugweg naar de boekhandel liep ik bioscoop Cine voorbij waar twee schilders op een stelling verslagen zaten te kijken hoe de verf op het bord dat nog niet droog was, onder hun handen wegspoelde in de stortbui.’ En dan een van de schrijnendste voorbeelden van vermeend poëtisch taalgebruik dat verzandt in keukenmeidenbombast. ‘De blinde woorden van de priester, gespeend van iedere betekenis, waren alles wat ons scheidde van de verschrikkelijke stilte.’ Zeshonderdduizend exemplaren zijn er van dit boek verkocht, zo gilt de schrille sticker op de omslag van het boek. Het zou wat! Zafón rept in dit boek van het Kerkhof der Vergeten Boeken. Ik zou het Kerkhof der Slechte Boeken willen introduceren. Dit boek komt op die begraafplaats te liggen. Prominent!

Sandra Langereis, ‘Breken met het verleden’. Nijmegen, 2010. Over de afbraak in 1796 en 1797 van de Valkhofburcht in Nijmegen en de inrichting van het Valkhofpark. Een ietwat droge documentaire over iconoclasme in het vuur van bepaalde momenten en de spijt die daar soms op volgt (maar dan is het in de regel te laat).

Pia de Jong, ‘Lange dagen’. Amsterdam, 2009 [2008]. Een verhaal dat onwaarschijnlijk begint, weet op den duur toch te intrigeren. Maar meesterlijk wordt het nooit. En achteraf gezien en nuchter bekeken, blijft het ook allemaal net iets te onwaarschijnlijk. Geen meesterwerk.


© 2010 Leo van der Sterren

vrijdag 15 januari 2010

De boekenlijst van 2009

Waarom zijn mensen zo verzot op lijstjes? Ik heb het boek van Umberto Eco over dat onderwerp nog niet gelezen, maar ik denk dat gewoon pure nieuwsgierigheid de grootste drijfveer vormt. Ergens, op een fundamenteel en bepalend niveau van menselijkheid, willen wij weten hoe een ander leeft en wat een ander doet. Makers van televisieprogramma’s, veelal met een goede neus voor hoe de wind waait, hebben dat bijvoorbeeld al vroeg onderkend. Een behoorlijk percentage van het aanbod op televisie is op de menselijke eigenaardigheid geënt bij anderen in de keuken te willen kijken. De formule wordt dan ook tot vervelens toe uitgemolken, met telkens weer andere variaties en schakeringen.

Onlangs ontdekte ik een weblog waarop de auteur een lijst van de boeken had genoteerd die hij in een bepaalde tijd, in dit geval het jaar 2009, had gelezen. Dat heeft mij ertoe gebracht ook zo’n lijst samen te stellen. Waarom? Gewoon, omdat ik het een leuk idee vind. Wat is er erg aan leuke ideeën? Wat is er erg aan leuke dingen? Tegenwoordig mag er niks meer leuk zijn. Wat is er mis met het woord ‘leuk’?

De verzamelingen van gedichten waar ik gedurende 2009 in gegrasduind heb (onder andere Coleridge, Lucebert, Ouwens, Van Ostaijen, Ashbery, Rimbaud, Komrij, Celan, Hölderlin), heb ik overigens uit de opsomming weggelaten.

Hier dus de lijst van boeken die ik in 2009 gelezen heb, in volgorde van lectuur, en met telkens een summiere typering of opmerking.

  • Hugo Claus, ‘Het verdriet van België’. Geweldig boek, maar toch prefereer ik ‘De verwondering’.

  • Albert Westerlinck, ‘Wandelen al peinzend’. Verzamelde opstellen uit de jaren vijftig van de vorige eeuw over o.a. Paul van Ostaijen.

  • Wallace Fowlie, ‘Rimbaud and Jim Morrison. The rebel as poet’. Zoveel als Jim Morrison met Rimbaud te maken had, zo weinig Rimbaud met Jim Morrison.

  • Peter Hofman, ‘lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert’. Mooi uitgegeven biografie over de Luceberts jeugd en de eerste jaren van zijn dichterschap. Verplichte kost voor een ieder die zich met Lucebert bezig houdt.

  • Wolfgang Kayser, ‘Das Groteske in Malerei und Dichtung’. Geschiedenis van het groteske in de kunst.

  • Robert Schneider, ‘Jan van Leiden’. Roman over de opstand der Wederdopers in Münster in de zestiende eeuw.

  • Saskia Noort, ‘De verbouwing’. Adequaat geschreven. Bij vlagen spannend.

  • Saskia Noort, ‘De eetclub’. Adequaat geschreven. Bij vlagen spannend.

  • Dirk van Weelden, ‘Literair overleven’. Mijmeringen over het veranderende wereldje van de literatuur.

  • Saskia Noort, ‘Nieuwe buren’. Adequaat geschreven. Bij vlagen spannend.

  • Kristien Hemmerechts, ‘In het land van Dutroux’. Enigszins tendentieuze roman met een ingenieuze, verrassende plot en een misleidende titel.

  • Drew Gilpin Faust, ‘This republic of suffering’. Non-fictief werk over alle aspecten van de dood gedurende de Amerikaanse Burgeroorlog. Indrukwekkende lectuur.

  • Willem Frederik Hermans en Gerard Reve, ‘Verscheur deze brief’. De briefwisseling tussen twee reuzen van de Nederlandse literatuur. Met een ontluisterende anticlimax.

  • Maarten van Buuren, ‘De boekenpoeper’. Over het groteske in de literatuur.

  • Martin Bril, ‘De kleine keizer’. Martin Bril versmolten tot Bob den Uyl en Barbara Tuchman.

  • A.F.Th. van der Heijden, ‘Het schervengericht’. Adembenemende roman over een van de meest geruchtmakende moordzaken in de Verenigde Staten.

  • Jan Siebelink, ‘Margaretha’. Historische roman over Margaretha van Parma.

  • Patrick Süsskind, ‘Het parfum’. Mooie historische roman.

  • Tami Hoag, ‘Tot stof vergaan’. Slecht geschreven slecht verhaal. Snel vergeten.

  • Dan Brown, ‘Het Bernini mysterie’. Slecht geschreven slecht verhaal. Snel vergeten.

  • Jan Godderis, ‘En mijn verrukking neemt geen end’. Cultuurhistorische reflecties over verdovende middelen. Met enkele hoofdstukken over Coleridge en De Quincey.

  • Esther Verhoeff, ‘Rendez-vous’. Adequaat geschreven. Bij vlagen spannend.

  • Danny Span, ‘Dodenspoor’. Zelden zo’n slecht boek gelezen.

  • Judith Visser, ‘Stuk’. Adequaat geschreven. Bij vlagen spannend.

  • Hugo Raes, ‘Het smarån’. Typisch een roman van de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Maar doet qua structuur en toon ook denken aan ‘De Kapellekensbaan’.

  • Martin Heidegger, ‘Der Feldweg’. Heidegger mijmert over zijn jeugd.

  • Barry Miles, ‘Frank Zappa’. Warrig boek over een muzikaal fenomeen.

  • Rüdiger Safranski, ‘Heidegger en zijn tijd’. Goede inleiding tot Heidegger.

  • Mariëtte Nollen, ‘Steenrijk’. Beter dan de boeken van Noort en Verhoeff.

  • Lisa Kuitert (redactie), ‘de lezende lucebert’. Met interessante bijdragen en een lijst van boeken die in het bezit van Lucebert waren.

  • Greg Iles, ‘Doodsangst’. Spannende en verantwoorde thriller.

  • Thomas Vaessens, ‘De revanche van de roman’. Zie deze weblog bij 6 november 2009.

  • Johan Huizinga, ‘Verspreide opstellen over de geschiedenis van Nederland’. De meester aan het werk.

  • Hans Groenewegen (redactie), ‘Licht is de wind der duisternis. Over Lucebert’. Zeer interessante bijdragen van diverse auteurs. Met weergaven van enkele unica. Prachtig!

  • Luc Panhuysen, ‘Rampjaar 1672’. De geschiedenis van het rampjaar vanuit het perspectief van een familie uit Amerongen. Ik had meer van dit boek verwacht.

  • Kathleen Wheeler, ‘Sources, processes and methods in Coleridge’s Biographia Literaria’. Pittige stof van een Coleridge-scholar in de postmoderne hoek.

  • Paul van Ostaijen, ‘De bankroetjazz’. Charlie Chaplin ontmoet dada. Met DVD.

  • Oek de Jong, ‘Een man die in de toekomst springt’. Essays over o.a. Frans Kellendonk en Paul van Ostaijen.

  • Nop Maas, ‘Kroniek van een schuldig leven. De vroege jaren’. Eerste deel van de driedelige Reve-biografie. Fascinerend. Op de goede dagen zeven keer masturberen.

  • Jan Oegema, ‘Ziek van de zee. Paul van Ostaijen en de mystiek’. Essay over Van Ostaijens grensmystiek, dat is: een mystiek zonder god.

  • Kluun, ‘Komt een vrouw bij de dokter’. Zie deze weblog bij 13 en 17 december 2009.

  • Kluun, ‘God is gek’. Kluun is gek.

  • Ester Verhoeff, ‘Close-up’. Adequaat geschreven. Bij vlagen spannend.

  • Franca Treur, ‘Dorsvloer vol confetti’. Zie deze weblog bij 9 januari 2010.

  • Frederick Burwick, ‘The Oxford handbook of Samuel Taylor Coleridge’. Gloednieuw en lijvig boekwerk met 37 opstellen over de Engelse dichter en denker.

© 2010 Leo van der Sterren