vrijdag 24 mei 2024
vrijdag 17 maart 2023
Eén zwaluw…
De gemeente waar ik woon, Venray in Noord-Limburg, telt ruim 44.000 inwoners. De varkensveehouders in de gemeente Venray huisvesten bijna 600.000 varkens. En er zijn rond de 4.000.000 kippen. Maar je ziet niet één varken, zelfs niet als je, zoals ik, veel loopt en ook in de zogenaamde buitengebieden komt. En afgezien van wat scharrelpluimvee zijn al die kippen onzichtbaar.
Het enige wat er
ontwaren valt dat zijn die agglomeraten van soms enorme stallen – die binnen tien
kilometer van ten minste één Natura 2000 gebied liggen (de Boschhuizerbergen –
maar er liggen ook grote veebedrijven bij de Deurnsche Peel en de Mariapeel, niet
alleen aan de Limburgse, maar ook aan de Brabantse kant).
De laatste dagen viel me al lopend op dat vanaf donderdag veel eigenaren en huurders van panden waar de Nederlandse vlag ondersteboven had gehangen, die vlaggen hetzij verwijderd hetzij op de juiste manier opgehangen hadden.
Zijn dan nu alle problemen waar Nederland mee kampt, opgelost?
Hoe onzichtbaar ook, die varkens en kippen zijn niet weg. En het kabinet zit ook nog gewoon op het pluche. Hoeveel brevetten van onvermogen dit en voorgaande kabinetten de laatste decennia ook vergaard hebben – ik kan me niet herinneren dat er, eigenlijk sinds Rutte zich premier van Nederland mag noemen, zo veel dossiers tegelijkertijd zo voortwoekeren zonder dat een definitieve oplossing ook maar in het verschiet ligt – het huidige kabinet bezit nog de op democratische wijze verworven machtiging om tot 2025 te mogen regeren. Rutte kennende, die almaar meer de indruk wekt dat hij op de macht belust is omwille van de macht, zal hij zich op die formaliteit beroepen om dat mandaat te verdedigen. Daartoe heeft hij trouwens ook het volste recht. Maar toch, er is een moment denkbaar dat er een einde dient te komen aan houdbaarheid op basis van formaliteit.
©
2023 Leo van der Sterren
woensdag 15 april 2015
dinsdag 24 maart 2015
Leegte
© 2015 Leo van der Sterren
woensdag 6 november 2013
‘Met z’n allen’
‘Met z’n allen.’ Appelleren aan de leden van de samenleving om de schouders eronder te zetten – onder dat samenleven. De angels uit de splijtzwammen verwijderen. De neuzen allemaal dezelfde kant op persen. Geen verdeling, maar vereniging, zo luidt het devies. ‘En daarom moeten we er met z’n allen voor zorgen dat dit land weer regeerbaar wordt.’ ‘We moeten er met z’n allen voor waken dat we dit gedrag als normaal gaan ervaren.’ ‘We zijn er met z’n allen verantwoordelijk voor.’ De hoogste vorm van taalnivellering, van taalverloedering. Phrasologie. Walgelijk.
© 2013 Leo van der Sterren
maandag 24 september 2012
Esoterie 1
Politici hebben altijd de mond vol van helderheid, openheid en transparantie. Als je de poltitiekers op hun woorden zou moeten geloven, mijden ze de achterkamertjes als heerste er de pest. Ze gruwen van het gekonkel en gekuip waaraan allerlei schimmige kongsi’s zich in die geheime oorden bezondigen, zeggen ze. Enkele Nederlandse politici zijn op dit moment druk doende om een coalitie te smeden en een nieuwe regering te vormen. Dat proces vindt in het diepste geheim plaats: men heeft bij voorbaat al absolute radiostilte afgekondigd. Wij, gewezen kiezers, mogen slechts afwachten wat deze ingewijden straks uit de hoge hoed van hun Delphische beraadslagingen toveren.
Het wantrouwen siert ons – burgers, werknemers, gewezen kiezers – bepaald niet. Wij moeten vooral vertrouwen hebben. Gaat u maar rustig slapen, zo luidt de boodschap.
© 2012 Leo van der Sterren
zaterdag 28 april 2012
Over de schaduw springen
De schaduw is datgene wat er ontstaat als lichtstralen gedeeltelijk door materie worden tegengehouden. De schaduw is datgene wat een mens, als zijnde in het bezit van een stoffelijke vorm die hij zelf in werking kan zetten, noodgedwongen altijd met zichzelf meeneemt, of liever gezegd: meesleept. Als een blok aan het lijf. Een mens ontkomt niet aan zijn schaduw, integendeel de schaduw volgt indirect, maar altijd exact alle dingen die een mens met zijn stoffelijke vorm uithaalt. Je zou kunnen stellen dat de schaduw de fysieke verrichtingen van de mens parodieert.
Dat een mens over zijn eigen schaduw heenstapt, wil zeggen dat hij zijn schaduw en daarmee zichzelf vergeet of wegcijfert en dat hij iets doet waarmee hij zijn ego geweld aandoet. Maar het paradoxale is (en dat paradoxale schuilt ook in de uitdrukking) dat hij tegelijkertijd toch voldoet aan de dwingelandij van dat ego. Met een omweg, als het ware. Het is een soort tegenhanger van egoïsme zonder dat het tot altuïsme verwordt. Geen onversneden onbaatzuchtigheid. Dat het onmogelijk is om over de eigen schaduw heen te springen of heen te stappen, dat vormt de andere pijler waarop de zegswijze berust: ondanks het feit dat iets onmogelijk is, het toch mogelijk maken.
Dat – iets mogelijk maken dat onmogelijk was – geeft niet weer wat er deze week in Den Haag gebeurd is. Het is geen wonder. Het is het gevolg van wat er zich voltrekt als mensen...als mensen...over hun eigen schaduw springen. Een eenmalig iets. Laten we de frase daarom weer snel terug opbergen in de stoffige uithoeken van het arsenaal van de taal.
© 2012 Leo van der Sterren
dinsdag 24 april 2012
zaterdag 11 december 2010
De enumeratieve riedel
De enumeratieve riedel, aldus zou je een van de meer irritante stijlfiguren in de retoriek van politieke bedrijf kunnen munten. Te pas en te onpas bezondigen namelijk in het bijzonder politici zich aan het gebruik van de enumeratieve riedel. Zij larderen hun betogen ermee. Debatten. Vraaggesprekken. Maar een enumeratieve riedel is altijd een uitluider, nooit een inleider. Politici hanteren hem als ze merken dat het slot van de hun toegestane spreektijd aanstaande is, als het onmiskenbare einde van de entiteit van de monoloog nadert. En die monoloog – het zal geen verbazing wekken – vormt het favoriete vervoermiddel van politici om hun opvattingen en denkwijzen mee te transporteren en distribueren. Politici proberen zo lang mogelijk de mustang van de monoloog te berijden. Ze trachten zo lang mogelijk het woord in hun bezit te houden.
De enumeratieve riedel bestaat meestentijds uit drie eenheden – in elk geval nooit twee en zelden vier. Voorbeelden van de enumeratieve riedel. ‘Ten behoeve van de verslechtering bij het onderwijs, in de zorg en buiten de wijken.’ ‘We gaan dus de zaken afpakken op het gebied van de veiligheid, de economie en de volksgezondheid.’ ‘Het is volstrekt onbelangrijk dat dit gebeurt, voor hen die afhankelijk zijn van een uitkeringen, voor de ouderen en voor de chronisch zieken.’ ‘Kernpunten voor de tegenwerking van de agrariërs, de kleine zelfstandigen en de middenstanders.’ ‘Uitlevering aan de barbaren van hen die in de openbare ruimte werken, de brandweerlieden, politiemensen en ambulanciers.’ ‘Cruciaal voor het behoud van wegen, de afleg van natuur en de ontvlambaarheid van kernenergie.’
Inhoudelijk voegt een enumeratieve riedel niets meer aan een betoog toe. Het draagt alle kenmerken in zich van een achterhoedegevecht. Teken dat de strijd verloren is. En dan amechtig nog wat snaterperiode rekken. Secondes trekken. The last stand, net voor het fatale moment van de overrompeling en het platgewalst worden.
© 2010 Leo van der Sterren
donderdag 14 oktober 2010
Een kaartenhuisregering
Vandaag heeft de moede koningin het kabinet Rutte-Verhagen van VVD en CDA dat geschraagd wordt door de PVV van Wilders beëdigd. Een gewrocht van tunnelvisie zonder weerga. Als je maar lang genoeg tegen elkaar aan lult, ga je vanzelf in de grootste onzin geloven en worden de meest dwaze projecten nog doenbaar. Met de installatie van de nieuwe regering beleeft Nederland, als natie met een democratisch bestel, een van de zwartste dagen die het ooit gekend heeft, omdat een ondemocratische beweging gedoogsteun mag verlenen aan een regering die voor een niet onbelangrijk deel uit niets ontziende machtswellustelingen bestaat. Maar het is niet alleen een zwarte dag, het is praktisch gezien ook gewoon een slechte dag voor de democratie, omdat het bestuur van het land en de toch al zo onder druk staande traditie van de democratie geen baat zullen hebben bij de regering die gedoemd is om binnen de kortste keren in elkaar te storten, zoals een waar kaartenhuis betaamt. Het is tekenend dat het kabinet her en der al Rutte 1 wordt genoemd, vol vertrouwen dat Rutte in de voetsporen van zijn voorganger als politieke brekebeen zal treden.
Geert Wilders, alleenheerser over de PVV, vormt in de regeeranomalie een geval apart. Wilders komt uit Venlo, in het noorden van de provincie Limburg. In andere provincies worden Limburgers getypeerd als gezagsgetrouw, overwegend rooms-katholiek, makkelijk in de omgang, Bourgondisch en carnavalesk. Afgezien van het feit dat het over een kam scheren van bevolkingsgroepen sowieso al risico’s inhoudt, lijkt de vraag gerechtvaardigd of bovengenoemde karakteriseringen van de doorsnee Limburger nog wel geldigheid bezitten.
Behalve deze min of meer gunstige eigenschappen kleeft er een ander, pejoratief kenmerk aan de Limburgers, al staat ook de houdbaarheid van deze typering onder druk – wat de huidige generatie Limburgse politici bijvoorbeeld betreft, Verhagen, Leers, Eurlings schijnen zich er in elk geval maar weinig aan gelegen laten te liggen. En het lijkt erop dat die conclusie voor het grootste deel van de Limburgse intelligentsia opgaat. Maar Wilders heeft er wel last van. Wilders gedraagt zich namelijk als een voorbeeldige exponent van de verzameling Limburgers die lijden aan een minderwaardigheidsgevoel. Dat besef van minderwaardigheid, van minder zijn dan andere Nederlanders, vloeit voort uit een niet uit de lucht gegrepen achtergesteldheid die zijn oorsprong vindt in een tijdperk in de geschiedenis, namelijk in de voor de Lage Landen zo woelige zestiende eeuw. Sindsdien zijn steeds minder, maar toch teveel Limburgers behept met die notoire notie van inferioriteit.
De gevolgen van het minderwaardigheidscomplex van sommige Limburgers zijn tweeledig: een over het algemeen grote solidariteit met andere vermeend of niet vermeend achtergestelde gebieden, zoals bijvoorbeeld met de Achterhoek of met Drenthe, en een nauwelijks verholen vijandigheid ten opzichte van ‘het westen’. Als er wordt gesondeerd naar de achtergrond van die animositeit, dan realiseren de patiënten zich plotseling met een schok dat zij geacht worden rationele argumenten te berde te brengen. En dan wordt het moeilijk. Want die zijn er niet. De lijders breekt het zweet uit. Tremors leggen ledematen lam. Zij stamelen een nauwelijks verstaanbaar gemompel. De martelaren blijken hun motieven slechts moeilijk onder woorden te kunnen brengen en drukken zich uit in vaagheden en sofismen. Maar intussen leidt die vijandigheid wel tot rancune. Wilders wordt gedreven door die typisch Limburgse rancune die hij met de vaardigheid van een tovenaarsleerling door zijn angsten roert: zijn xenofobie, zijn islamfobie, zijn sociale fobie, zijn fobie voor politiek links, zijn fobie voor alle uitingen van culturele aard die hij niet begrijpt of begrijpen wil. Het goedje dat ontstaat is op zijn minst ongezond – en wellicht toxisch.
© 2010 Leo van der Sterren
