zondag 19 februari 2012
Internetmoeheid
Op bladzijde 93 van ‘De mannentester’ schrijft Heleen van Royen het volgende: ‘Ik kan de slaap niet vatten en verdwaal op internet. Dat gebeurt me wel vaker. Soms zoek ik naar informatie en brengt Google me bij heel iets anders waarover ik dan per se het naadje van de kous wil weten. (...) Er is zoveel om je aan te vergapen op het web, je zou er je leven lang ongestoord kunnen doorbrengen. Soms droom ik van een bestaan waarbij ik door een verlamming of een ander vervelend euvel aan bed ben gekluisterd met alleen een computer en een snelle internetverbinding. Eten laat ik bezorgen door een bezorgdienst. Ik heb een robot die me af en toe komt wassen en die alleen praat als ik zijn mond aanzet. Een zalig leven in ledigheid moet dat zijn. De wereld komt vanzelf to me, ik hoef geen praatje aan te knopen met de buurvrouw, word niet geconfronteerd met nare mensen die voordringen in winkels of die me snijden op de snelweg. De enige met wie ik overweg moet kunnen, ben ik en dat is nooit een probleem geweest.’
Dit extract uit ‘De mannentester’ verdient zonder twijfel het predikaat de ‘heetste’, meest pregnante passage te zijn – boordevol semi-sensationele informatie. Op de eerste plaats zit er in deze passage onbedoeld meer Van Royen dan Van Royen ooit zou toegeven, als ze zich er al bewust van zou zijn, hoewel ik die waarheid als een koe sinds het proces rondom ‘Ik heb altijd gelijk’ niet meer kan rechtvaardigen. En hoezeer dat excuus ook op een (flauwe) formaliteit moge berusten, dat is maar goed ook.
Tweede punt: dit fragment shockeert of zou moeten shockeren. Welk gezond mens verlangt er nu naar ‘een verlamming of een ander vervelend euvel’? Een ieder die te maken heeft met een, in dit geval lichamelijke beperking zal deze perverse opmerking als een klap in het gezicht ervaren. Heeft Van Royen, oh pardon, Victoria wel enig benul van de arrogantie en onzinnigheid van wat ze hier uitkraamt?
Het stuk tekst onthutst ook omdat het Van Royens gebrek aan mensenkennis openbaart. Van Royen heeft totaal niet in de smiezen hoe mensen (inclusief zij zelf) in elkaar steken. Want als een mens onder andere mensen verkeert, wil hij alleen zijn. En als een mens alleen is, dan wil hij onder de mensen zijn. Een mens wil altijd dat zijn wat hij niet is, of dat hebben wat hij niet heeft. Bijgevolg geldt voor alle wensen naar paradijselijke toestanden: zolang het bij verlangens blijft, is het goed. Zodra het verlangen verwezenlijkt is, volgt dodelijke verveling. De Talking Heads zongen het al: ‘heaven is a place where nothing happens’.
Ook de slotzin van het citaat duidt erop dat we hier wel met een erg eendimensionaal personage van doen hebben. Iemand die nooit een probleem met zichzelf heeft gehad, zal in het gunstigste geval gek van volmaaktheid zijn geworden.
De aangehaalde passage heeft vanzelfsprekend een functie, in dit uitermate op functionaliteit geënte boek ‘De mannentester’. Dit amusementsboek met een boodschap. Zij dient om de lezer ervan te doordringen dat er aan de rationele, koel calculerende Victoria ook een andere, meer menselijke of zelfs gevoelige kant zit, hetgeen de reeds genoemde eendimensionaliteit van het hoofdpersonage overigens niet teniet doet. Dat die menselijkheid of gevoeligheid zich bovendien vertaald heeft in een beeld van totale verkniptheid van het hoofdpersonage, ligt eveneens aan het lage niveau van Van Royens capaciteit als auteur.
Maar waar het mij in deze passage vooral om ging is de kritiekloze verering van het internet en de beschrijving van de onbedachte aanwending ervan. En wat dat aangaat, gedraagt Victoria zich als een modelgebruiker, althans bijna. Zij doet precies wat de touwtjestrekkers van hun marionetten verlangen. Het feit dat je onbeperkt kunt surfen en van het ene in het andere valt, is een van de factoren die heeft bijgedragen aan het weergaloze succes van het internet bij particuliere gebruikers – en misschien wel de belangrijkste factor. De mogelijkheid om te surfen bepaalde ook in hoge mate de overwaardering van het internet die gegrond is op het feit dat het internet en daarmee verwante producten en diensten ten behoeve van een tijdsbesteding worden ingezet die is gegrondvest op luiheid.
Surfen – als een ongeleid projectiel door de virtualiteit stuiteren – appelleert net als zappen aan de behoefte van mensen om ergens een snelle blik op of in te kunnen werpen – want in tegenstelling tot Victoria willen de meeste mensen helemaal niet het naadje van de kous van iets weten, integendeel: de aandacht geconcentreerd op iets richten is tegenwoordig uit den boze. Mensen willen zich niet nauwlettend verdiepen in iets, mensen willen een snelle blik achter een deur werpen om zich vervolgens onmiddellijk naar de volgende deur te spoeden. Het is hollen van de ene naar de andere prikkel. Voyeursgedrag, dat is het. Escapisme, dat is het. Des te oppervlakkiger, des te beter. En over dat alles hangt een zweem van oneindigheid. In de virtuele wereld bestaan immers geen grenzen meer. In het ergste geval wordt de virtuele wereld echt echter dan de echte wereld.
Een leven als surfer of een surfend leven, zoals Van Royen dat beschrijft, ik moet er niet aan denken. Het punt is dat voor veel internetgebruikers (en voor veel gebruikers van andere aan ICT gerelateerde gadgets – die niet allemaal even nuttig zijn, om het maar met een understatement te zeggen) het middel doel is geworden. Dat is bij mij – die, nogmaals, een PC ooit beschouwde als een veredelde typemachine – pertinent niet het geval. Voor mij zijn en blijven de PC en het internet middelen tot een doel en geen doelen op zich. Maar dat niet alleen. Ik wend de PC en het internet doelmatig aan, als middel dus, en staak het gebruik zodra ik mijn doel bereikt heb. Dus zodra ik uitgewinkeld ben of klaar met e-mailen of gelezen heb wat ik altijd lees (of volg), ben ik ook klaar. Natuurlijk heb ik wel eens gesurft, maar op een gegeven moment voelde ik verveling opkomen omdat het gesurfte mij niet kan bieden wat mij interesseert of boeit. Surfen is een te vrijblijvend en te zinloos tijdverdrijf. Die hele virtuele wereld is bovendien veel te groot. Het is allemaal veel te veel. Er treedt verzadiging op. Internetmoeheid. Eerst wist ik niet goed hoe ik daarmee om diende te gaan. Nu wel. Wanneer zich die internetmoeheid manifesteert, schakel ik de PC uit.
Internet is een zegen, maar heeft mijn wereld dermate uitgebreid, dat ik hem weer kleiner ben gaan maken. Want een leven zonder internet schiet tekort, maar een internetleven eveneens.
© 2012 Leo van der Sterren
zaterdag 5 november 2011
Deraillement
Nogmaals het fenomeen Van Royen.
Soms begin ik met de lectuur van een boek in weerwil van het feit dat ik op voorhand weet dat de inhoud ervan mij niet zal kunnen bekoren en dat die inhoud mij misschien zelfs op de kast zal jagen. Bepaalde, vooral weldenkende mensen vragen zich nu ongetwijfeld af waarom een ander weldenkend mens een boek ter hand neemt als van te voren vaststaat dat de leeservaring een negatief effect op die laatstgenoemde weldenkende mens zal hebben. Het antwoord op die vraag luidt als volgt: om de prikkel van wat ik zou willen munten als ‘leesgram’ gewaar te worden, als zijnde een daad in het kader van een semi-, crypto-, pseudo-masochistisch inclinatie. De sensatie van ‘leesgram’ vloeit voort uit een amalgaam van karaktereigenschappen, stemmingen en emotionele toestanden die zich ook in weldenkende mensen nestelen en die niet altijd even fraai hoeven te ogen, maar die zich niettemin niet laten verdringen: ergernis, hoogmoed, woede, minachting, melancholie, arrogantie, Weltschmerz. Meestentijds betreft het een aangename sensatie maar een enkele keer streeft een boek zo doelbewust naar waardeloosheid dat de leesgram verandert in echte irritatie met als resultaat het absolute onvermogen om nog langer energie in een voorspoedige afloop te steken. Een boek halverwege de lectuur met een zucht dichtslaan en terzijde leggen omdat je het niet meer kunt opbrengen om verder te lezen, iets ergers lijkt nauwelijks voorstelbaar. Een typisch maar perfect voorbeeld van een lose-lose-situatie. Het oproepen van leesgram brengt dus bepaald risico’s met zich mee.
Sedert dat monumentale moment van geluk dat ik ‘De gelukkige huisvrouw’ kon dichtklappen omdat ik erin geslaagd was om in de lectuur ervan tot het einde te volharden, besef ik dat de zogenaamd literaire voortbrengselen van Heleen van Royen, behalve bestsellers, werken zijn die mijn leesgram vermogen op te wekken. Maar ze behoren dus ook gewoon tot de categorie van de succesboeken. Kaskrakers. Toppers. Ik gun het mevrouw Van Royen van harte dat ze door toedoen van haar pen bakken poen verdient. Ik vind het geweldig dat zij een koninkrijk onder de Portugese zon heeft weten te vestigen als gevolg van het feit dat zij haar producten in niet onaanzienlijke hoeveelheden weet te slijten. Ze heeft groot gelijk. Als ik het kon – veel geld verdienen met mijn geschrijf – dan zou ik het ook doen. Maar ik kan het niet. Het lukt mij niet. Toch? Of? Of doen andere factoren zich gelden? Spelen in mijn geval andere motieven een rol? Zou ik mijn credo – een literair credo: alles wat ik schrijf moet het beste en het kunstigste zijn dat ik ooit geschreven heb – willen verloochenen omwille van commerciële motieven, vanwege de winst, ten einde centen op te kunnen strijken? Zou ik mezelf het geweld van de broodschrijverij aan willen of kunnen doen? Het antwoord luidt: ‘nee!’ Een fier en heraldisch ‘nee’. Literatuur vloeit voort uit solipsisme. Literatuur bestaat uit tot in het extreme doorgevoerde idiosyncasie. De schrijver van Literatuur schrijft in de eerste plaats voor zichzelf en heeft helemaal niet zoveel behoefte om iets aan anderen mede te delen en als hij dat uiteindelijk toch wel doet of veinst te doen, dan op een gecodeerde en kunstige manier waardoor slechts een kleine minderheid van uitgekookte doorzetters het resultaat ervan zal kunnen doorgronden. Een literair werk verdient pas een hoofdletter als de belangstelling ervoor beperkt blijft tot een kleine, cultische groep van adepten – ja, een elite! – die sowieso tegen alle stromen in zwemt. Geen mens kan van Literatuur leven, laat staan dat iemand er een vermogen mee opbouwt.
Dat gaat vanzelfsprekend niet op voor boeken in het algemeen. Een schrijver kan veel geld verdienen met zijn boeken. Toch is rondkomen van het geld van de opbrengst van boeken slechts voor een handvol auteurs in Nederland weggelegd. Schrijvers die enkel en alleen met hun boeken veel geld verdienen of in elk geval genoeg om de kachel te laten branden, draag ik een diepe en oprechte achting toe, hoewel ik besef dat het succes in bepaalde gevallen het resultaat van geluk of uitgekiende marketing is en niets te maken hoeft te hebben met de kwaliteit van het geschrevene – integendeel zelfs. Om de verkoop van zijn of haar werken te bevorderen, maakt menig schrijver er reclame voor. Dat kan een schrijver doen door te proberen zichzelf als een nieuwsfeit te presenteren. Net als Herman Koch, Kluun, Robert Giphart of Joost Zwagerman moet Heleen van Royen als een mediapersoonlijkheid bestempeld worden: een persoon die vaak in de publiciteit treedt op andere manieren dan via haar boeken. Heleen van Royen gaat daarin verder dan anderen. Zij gedraagt zich onmiskenbaar en doelbewust mediageil en koppelt dat aspect van haar persoonlijkheid heel direct aan die andere geilheid die zij koste wat het kost en in één bepaald opzicht letterlijk wil belichamen. Haar mediaoptredens vallen op omdat die in het teken van een vrijgevochten seksualiteit staan. Heleen van Royen schurkt tegen datgene aan wat onder de noemer ‘pornografisch’ te rangschikken valt. Zodra de schijnwerpers haar vinden – en zij zorgt er wel voor dat die haar vinden – schiet zij als vanzelf in de vampmodus. Het vampdom staat hoog in haar vaandels van korte jurkjes en strakke topjes en uitdagende lingerie die als rode lappen op mannen (en vrouwen?) werken. Dit, met als puntje op de i dat met een uniek stemgeluid vertolkte taaltje waarvan een ieder ophoort zodra Heleen haar strot opentrekt, constitueert het verschijnsel Van Royen zoals dat verschijnsel zich toont wanneer het zich bewust is van aandacht. Met dit totaalpakket verdient de naamgeefster aan wat best een hype genoemd mag worden, veel geld. Nogmaals, dat is haar van harte gegund. Maar kom niet aan met andere pretenties.
Toen ik afgelopen zomer naar mijn vakantieadres afreisde had ik ‘De mannentester’ van Heleen van Royen in de koffer meegenomen met de wetenschap of in elk geval met de hoop dat mij opnieuw de weergaloze emotie van de ‘leesgram’ ten deel zou vallen. Hoewel het gegeven waarop Van Royen haar verhaal baseert perspectieven zou kunnen bieden voor een spannende psychologische thriller, is dat gegeven zo knullig uitgewerkt dat ik voor een résumé van de inhoud van het boek graag gebruik maak van de achterflap, al blijkt uit die samenvatting uiteraard niet hoe onbeholpen Van Royen het thema heeft aangewend. ‘Victoria is een 27-jarige femme fatale met een uniek beroep. Ze is mannentester. Ze laat zich inhuren door vrouwen om hun geliefde op de proef te stellen. De ongenaakbare Victoria kent geen scrupules, werkt professioneel en doelgericht. Ze reist van Sevilla naar Londen, van Milaan naar New York, waar ze even gemakkelijk van naam als van uiterlijk wisselt. Geen man is veilig voor haar. In haar gedrevenheid om ontrouw aan de kaak te stellen past ze duistere methodes toe…’ Je zou een David Baldacci of Greg Iles met zo’n gegeven aan het werk willen jagen. Vooral als je jezelf al Zwitserlezend door de dikke en onwelriekende lucht hebt geworsteld die Van Royen ervan gebakken heeft.
Naast de echte robots die erin voorkomen, bevolken geanimeerde Barbie-poppen de flinterlichte bladzijdes van ‘De mannentester’. Die plastic wezens produceren drooggelegde porna in een glamoursetting, waarin merkwaardig genoeg ook een vergeelde, muffe bijbelse sfeer hangt want die ademt dit geschrift mede uit. Het staat niet alleen bol van beschrijvingen van seksuele handelingen die zelfs de meest obsessieve, compulsieve seksverslaafde nog niet zouden prikkelen, maar het grossiert eveneens in schuld en straf, in slechtheid en de vergelding voor die slechtheid. Oog om oog, tand om tand – de ethiek waar dit boek van overloopt, staat in het teken van kinderlijkheid of liever gezegd: van kinderachtigheid. Het is een primitieve ethiek, een oud-testamentische ethiek. ‘De mannentester’ openbaart zich als een boek waarin een heel naar, kleinburgerlijk mensbeeld wordt uitgedragen dat doordrenkt is met een bekrompen, ja calvinistisch moralisme. En dat alles onder de vlag van, godbetert, het feminisme. ‘Ben ik een feministe? Eigenlijk wel. Toch wel. Het woord heeft een vervelende lading, maar ik ben een strijder voor vrouwenrechten. Ik ben Anja Meulenbelt met haar “De schaamte voorbij” in een nieuw jasje.’ Dat verkondigde Van Royen in een interview met dagblad De Pers in 2009 en als je zoiets leest, dan snap waarom de wereld op zijn einde afstevent. Van Royen die figureert als het nieuwe kruidenvrouwtje uit de Oeral, als de nieuwe schrijvende bezemsteel, als de allernieuwste aanwinst, predikend en wel, van de geloofsbeweging die geëvolueerd is tot een volwassen kerkgenootschap welks leden van de dildo een deugd hebben gemaakt maar die niettemin de zeemannenhondjes niet versmaden.
Heleen van Royen heeft zich met ‘De mannentester’ meer bloot gegeven dan in de fotoreportage in de Playboy of dan met de overige inkijkjes die ze te bieden heeft. Ondanks haar demonstratieve vampdom is Heleen van Royen alles behalve de zelfbewuste, vrijgevochten persoonlijkheid die ze op de bühnes van het mediawereldje neerzet. Zij is geenszins de libertijnse freak aan wie de controle over alles wat zij moet controleren, automatisch toevalt.
Maar deze Paul Kersey van de Lage Landen, deze Steven Seagal van de Vaderlandsche Letteren, deze Chucky Norris van de Nederlandsche Moraal, deze Jean-Claude van Damme uit het pluimvee-getto is het wel weer gelukt om opnieuw een boek in elkaar te flansen dat ik slechts ternauwernood uit heb gekregen. Op bladzijde 241 begon Van Royens tekst echt genant te worden en op bladzijd 257 had ik voor het eerst de neiging om het boek definitief weg te leggen, nee weg te keilen – de ‘leesgram’ was doorgeslagen naar echte irritatie met daarin verweven vlagen van heuse wanhoop. Maar ik heb niet versaagd. Ik heb gehandhaafd en doorgezet, mezelf oppeppend door het koesteren van wee en week makende gedachten van ultieme rechtvaardigheid, de soort vergelding die het boek Openbaring zo’n unieke en weergaloze reputatie heeft bezorgd, van Obergammergau tot Boston, van Melk tot Mogadishu, van Tegelen tot Tokelau.
© 2011 Leo van der Sterren
woensdag 3 maart 2010
De ongelukkige lezer
Gedaan! Ik heb het gedaan! Het is volbracht! Een geval van achterstallig onderhoud, ik geef het toe, maar ik heb ‘De gelukkige huisvrouw’ van Heleen van Royen gelezen. En ik kondig op voorhand aan dat ik niet één woord vuil zal maken aan het taalgebruik van mevrouw Van Royen. Een schrijver die demonstratief zijn onvermogen etaleert om in een tekst ook maar een zweem van kwaliteit of idiosyncrasie in te lijven, moet niet verbaasd staan als dat facet door critici demonstratief met een zware onvoldoende wordt gewaardeerd.
Nog iets. Tijdens de lectuur van Van Royens boek detecteerde ik van lieverlede overeenkomsten tussen ‘De gelukkige huisvrouw’ en ‘Komt een vrouw bij de dokter’, omdat, zo peinsde ik, er overeenkomsten bestaan tussen Van Royen en Kluun. Allereerst zijn beide auteurs Wolkers-epigonen, en dat in de brede zin van het woord want het proza van zowel Heleen als Raymond reikt bij lange na niet aan dat van de oude meester. Ten tweede dekken de titels van beide boeken de lading niet. Die titels misleiden – vind ik. Dan is er het reeds genoemde taalgebruik dat stijlloos is. De gemene deler van redactie. Beide auteurs malen minder om gedurfd of eigenzinnig taalgebruik dan om marketing en mooie marges. De snelle verfilmingen van hun boeken dragen vanzelfsprekend substantieel aan dat laatste bij.
Verder. De hoofdpersonages in de verhalen beginnen als stoere lefgozers die met veel bravoure door het leven stuiteren; zij eindigen een stuk gevoeliger en deemoediger met de bedoeling de lezer te vertederen. Beide hoofdpersonages geloven uiteindelijk meer in een hogere macht – en misschien wel in een god met een hoofdletter – dan in zichzelf. Zowel Kluun als Van Royen beoefent een genre dat aan te duiden is met de term bekentenisliteratuur; hun boeken behelzen onmiskenbaar autobiografische elementen. Dat element van exhibitie wordt bovendien onderstreept en aangedikt door de omstandigheid dat beide auteurs de publiciteit bepaald niet schuwen. Marktkoopman Kloen en moeders mooiste Helena van Troyen exploiteren hun biografieën systematisch en schaamteloos.
Dat gezegd hebbend moet me van het hart dat ik ‘De gelukkige huisvrouw’ een merkwaardig boek vond. Een akelig boek ook. Een boek dat mij een onaangenaam gevoel heeft bezorgd. En dat onbehagen heeft alles te maken met de gevolgen van de publiciteitsgeilheid en het exhibitionistische en hedonistische gedrag van mevrouw Van Royen die in schril contrast staan met hoe haar ware psyche ogenschijnlijk in elkaar steekt.
‘De gelukkige huisvrouw’ bevat veel minder brutaliteit en cynisme dan je op grond van de wijze waarop Van Royen zich in de openbaarheid manifesteert, zou mogen verwachten. In die stijl begint het boek overigens wel. De eerste tientallen bladzijdes van ‘De gelukkige huisvrouw’ stralen de Van Royen uit zoals die zich, als typische vertegenwoordiger van de literaire tak van het populisme, in het openbaar presenteert: bijtend, grof, vulgair, cynisch, ongenuanceerd, stout, provocerend – en alles behalve zoals een dame zich zou gedragen (‘Twee minuutjes te laat. Dat was een dame toegestaan’[1]).
Maar dan, parallel met de ineenstorting van de protagoniste Lea, kakt ook het boek compleet en volledig in elkaar. En zoals er van Lea niet veel meer over blijft dan een zielig hoopje mens, zo verwordt het boek tot een onvervalste worm van een litanie die zich moeizaam naar het einde voortsleept. Maar de aanvankelijk verwachtingsvolle lezer is dan al zeer ongelukkig geworden.
Aan het slot van het boek wordt de postnataal depressieve Lea door een stem in haar hoofd gedwongen om zich te verenigen met de geest van haar overleden vader op de plek waar die zelfmoord pleegde, namelijk in de Sloterplas. Om die vereniging kracht bij te zetten of om het een officieel karakter te verlenen, trekt zij haar bruidsjurk aan. Vervolgens begeeft zij zich naar de Sloterplas en waadt het water in. Om vervolgens niet te doen wat haar vader deed, namelijk zelfmoord plegen, maar juist als het ware opnieuw gebaard te worden vanuit die baarmoeder van de Sloterplas. Met behulp van deze zelfverzonnen, redelijk onorthodoxe therapie komt Lea met zichzelf in het reine. Zo bezweert zij het trauma dat haar vaders zelfdoding twintig jaar na dato en met de geboorte van haar kind als katalysator bij haar teweeg heeft gebracht. Zo neemt haar nieuwe leven een aanvang.
In die bewuste slotscène, die mij het woord ‘bruidsmystiek’ ingaf (‘sich hier bruut ende moeder’[2]), worden zelfs Jezus en God erbij gehaald – zonder enige spoor van ironie of cynisme. Lea mag dan geen zelfmoord plegen maar zij is wel zodanig over de rooie dat het oude geloof erbij moet worden gesleept voor doorslaggevende steun en troost. Ik citeer: ‘En ik zag/een nieuwe hemel/en een nieuwe aarde/En God zal alle tranen/van hun ogen afwissen/en de dood zal niet meer zijn/noch rouw, noch gekrijt/noch moeite zal meer zijn.’[3] Dit citaat heeft mevrouw Van Royen uit de online-bijbel. Maar ze heeft het met wat knip-en-plak-eclecticisme wel wat verhaspeld. De passage komt uit het bijbelboek Openbaring (21:1 – 4) en luidt als volgt. ‘Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen en ook de zee bestond niet meer. Ik zag een nieuw Jeruzalem, een nieuwe heilige stad, neerdalen vanuit God uit de hemel. Ze was als bruid getooid, mooi gemaakt voor haar man. En uit de richting van de troon hoorde ik luid een stem zeggen: “Nu heeft God zijn tent onder de mensen opgeslagen! Hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn volk zijn. God zelf zal bij hen zijn en hij zal elke traan uit hun ogen wissen. De dood zal er niet meer zijn; geen rouw, geen weeklacht, geen pijn zal er zijn, want de eerste dingen zijn voorbij.”’[4] Aha, dit is de vindplaats van dat bruidsmotief. Vandaar dat Lea uitgerekend haar bruidsjurk aantrekt als het boek naar zijn apotheose opstoomt – als een roeiboot zonder riemen. Ja, ja, prangend zwanger van symboliek, dit alles.
Bekentenisliteratuur, van dat genre bedient Van Royen zich. Een auteur die zich ostentatief overgeeft aan de ontboezeming en die zich bovendien in elke schijnwerper plaatst die er te vinden is om te bevestigen dat de fictie haar werkelijkheid vertegenwoordigt, die begeeft zich op glad ijs. Vooral als die auteur, mede in het kader van een dergelijk aanhoudend publiciteitsoffensief, acte de présence geeft in een programma als ’24 uur’. Bij die gelegenheid ontdeed zij zich van alle Fong Leng en Max Factor en Undressed die aan haar kleeft. Gehuld in haar pyjama toonde zij haar ware aard – die als twee druppels water lijkt op de persoonlijkheid van de gelukkige huisvrouw. Het is dus zonneklaar waar Van Royen het karakter van de protagoniste van haar boek vandaan heeft: van zichzelf.
En dan valt het licht plotsklaps heel anders op de dingen. Dat verklaart wellicht waarom ik de confrontatie met die hele Van Royen-constellatie, met ‘De gelukkige huisvrouw’ als agens, zo’n nare toestand vindt. Want zo beschouwd verandert bruidsmystiek in doodsmystiek. Het verlangen naar ontvluchting in extase transformeert tot een verlangen naar permanente vergetelheid – waarbij bruiden altijd voorrang nemen.
© 2010 Leo van der Sterren
[1] Heleen van Royen, ‘De gelukkige huisvrouw’. Amsterdam, 2007 [2000]. p. 295.
[2] Hadewijch, ‘Het visioenenboek van Hadewijch’. Nijmegen, Brugge, 1980, p. 125.
[3] Heleen van Royen, ‘De gelukkige huisvrouw’. Amsterdam, 2007 [2000], p. 297.
[4] ‘Groot nieuws bijbel met aantekeningen’. Haarlem, ‘s-Hertogenbosch, 1999, Nieuwe Testament, p. 430 – 431.