‘Brief door tranen uitgewist’ begint zoals veel brieven van Reve uit ‘Op weg naar het einde’ en ‘Nader tot u’ beginnen, namelijk met wat je een sfeer-impressie zou kunnen noemen. En met die inleiding zet Reve meteen de toon. Hij noemt zijn brief een ‘herfstlied, of avondzang’. De ik-persoon zit aan het raam van zijn woning en staart naar buiten. De aanblik van het herfstlandschap oefent invloed op het gemoed van de ik-persoon uit. Met enkele streken zet Reve een sfeer van enorme triestheid neer, maar je proeft tusen de regels door dat hij die gevoelens koestert of er zelfs in zwelgt. Weemoedig vanwege het besef van vergankelijkheid, vervalt de ik-persoon – die ik voor het gemak in de rest van dit betoog ‘Reve’ noem, omdat Reve en de ik-persoon in deze brieven nauwelijks van elkaar te scheiden zijn – in allerlei mijmeringen aan gebeurtenissen uit het verleden. De eerste zijweg die Reve inslaat, voert hem terug naar een middag ‘misschien een maand of vier geleden’ waarop hij en Wim Schuhmacher, die in 1963 (dus een jaar voor de ‘Brief door tranen uitgewist’ geschreven werd) zijn relatie met Reve heeft beëindigd, doorzakken nadat Reve wat spullen van een rommelkamer heeft gehaald. Onder die bric-à-brac bevinden zich ook ‘in een kringetje op de mat gezeten, met de gezichtjes naar elkaar toe, de vier Dieren’. Met dit viertal knuffelbeesten verwijst Reve naar de Openbaring. Apocalyps 4:6-8: ‘Voor de troon was iets als een glazen zee, kristal gelijk. En midden voor de troon en eromheen waren vier dieren, bezaaid met ogen voor en achter. Het eerste dier leek op een leeuw, het tweede op een jonge stier, het derde dier had een gezicht als van een mens en het vierde dier leek op een arend in zijn vlucht. De vier dieren hadden elk zes vleugels; rondom en vanbinnen waren zij met ogen bezet. En zonder ophouden roepen ze dag en nacht: “Heilig, heilig, heilig, Heer, God, Albeheerser, die was en die is en die komt.”’ Met deze allusie op de Openbaring versterkt Reve het besef van onheil en vergankelijkheid. Het is één van de vele staaltjes van toegepaste symboliek in Reves werk. Het zal overigens niet de laatste keer zijn dat hij de vier dieren laat figureren in zijn proza. Ook in ‘Het boek van violet en dood’ refereert Reve aan de vier dieren uit de Apocalyps.
Dan begint het eigenlijk relaas van ‘Brief door tranen uitgewist’. Zoals gezegd rept de brief van de gebeurtenissen van een middag en avond ten huize van Nico Verhoeven in Greonterp. Of ja, gebeurtenissen?. Er gebeurt eigenlijk niet zoveel. Nico Verhoeven heeft zijn poging om Den Brabander van de spiritualiën af te houden, na enkele dagen in arren moede moeten staken. Het streven naar abstinentie is jammerlijk mislukt. Verhoeven heeft de handdoek in de ring gegooid en toch maar weer drank in huis gehaald. Op de bewuste middag zit de dichtervorst uit Amsterdam, voorzien van een drankje en reeds in een verregaande staat van beschonkenheid, tevreden in de huiskamer te oreren. Ook halen de volop alcohol consumerende aanwezigen herinneringen op. Anekdotes doen de ronde. Maar de gesprekken gaan eigenlijk nergens over. De zinloosheid van het bestaan wordt voorts begeleid door ellende en bitterheid en onbegrip. Maar de kunst kan troost bieden. En in de verruiming van zijn bewustzijn door de alcohol schiet Reve een dichtregel te binnen. Reve prent zich de regel in – hij weet hoe dat gaat als je gedronken hebt! Hij neemt zich voor om prachtige boeken, verhalen en gedichten te schrijven. En dan doet de Schone en Meedogenloze Jongen zijn intrede in het oeuvre van Reve.
Reves idool en droomjongen, de Schone en Meedogenloze Jongen, is de mannelijke tegenhanger van de femme fatale, maar vertoont ook trekken van de Byronic hero. Die laatste, protagonist uit onder andere Byrons ‘Childe Harold’, is een trotse, humeurige, cynische misantroop met opstand in zijn hoofd en ellende in zijn hart, een stuk chagrijn dat zijn soort minacht, onverbiddelijk in zijn wraak, maar ook in staat om diepe en sterke affectie te schenken. Het personage van de femme fatale figureert in talloze werken uit de Romantiek, zoals ‘La belle dame sans merci’ en ‘Lamia’ van John Keats en de gothic novel ‘The monk’ van Matthew Gregory Lewis. Ook Edgar Allan Poe, Gustave Flaubert, John Algernon Swinburne, Oscar Wilde en Anatole France voerden fatale vrouwen op in hun werken: Morella, Berenice, Salammbô, Atalanta, Salome, Thaïs van Alexandrië. Medusa’s zijn het: mooie, enigszins geheimzinnig overkomende, manipulatieve, vaak valse vrouwen die aan de lopende band mannen verliefd op zich doen worden en die hun aanbidders vervolgens zonder genade in het ongeluk storten. Mario Praz besteedt ruimschoots aandacht aan de fatale vrouw in zijn beroemde studie ‘The romantic agony’, een boek waarop Reve mogelijk in de jaren vijftig op geattendeerd werd en dat hij volgens Holman bleef herlezen (zie Nop Maas, ‘Reve. Kroniek van een schuldig leven 2. De ‘rampjaren’ 1962 – 1975’, pp. 154 -155’; Theodor Holman, ‘Geradje. Notities van een Reve-liefhebber’, p. 133). In Reves transformatie van de femme fatale naar de Schone en Meedogenloze Jongen krijgt dat laatste personage bovendien een sadomasochistische dimensie waarbij Reve zich in de rol plaatst van diens dienaar. Hij vervult de rol van het voyeuristische manusje-van-alles dat aan de Schone en Meedogenloze Jongen slachtoffers levert om te kunnen martelen. In ‘Brief door tranen uitgewist’ noemt Reve terloops de titel van een film ‘Mensen van morgen’. Reve heeft ongetwijfeld gedacht aan de Amsterdamse straatjongen Loekie uit die documentaire uit 1964 van Kees Brusse die nogal wat stof deed opwaaien omdat er onderwerpen ter sprake werden gebracht waarover de goegemeente destijds liever stommetje speelde. Bijvoorbeeld huiselijk geweld, waarvan Loekie het slachtoffer was. Meer specifiek past de Schone en Meedogenloze Jongen in de traditie waaraan de Engelse dichter en flagellant John Algernon Swinburne prominent handen en voeten had gegeven, al was diens leven, als achtergrond van zijn werk, minder ruig dan hij het deed voorkomen. Mario Praz besteedt de nodige aandacht aan Swinburne in ‘The romantic agony’.
Evert Peet verwerpt in ‘De mythe van M.’ de suggestie van A. Reitsma dat de Meedogenloze Jongen en het latere voorwerp van grote verering en toewijding, M., dezelfde zijn. Peet stelt wel dat de mythe van de Meedogenloze Jongen als grote voorloper van de mythe van M. fungeert (bladzijde 71). Wie is dan die M.? In dat personage, M., verenigt Reve over de sekses heen zowel de Meedogenloze Jongen als zijn eigen lijfelijke moeder. Maar ook de maagd Maria, moeder van God, en de oermoeder uit de vroegste vruchtbaarheidsmythes eisen hun plek op in het personage M. dat vanaf de jaren zeventig een prominente rol vervult in de gedachten- en gevoelswereld van Reve.
Verder met de ‘Brief door tranen uitgewist’. Na enige tijd is Den Brabander zo lam dat Verhoeven hem in een bedstee deponeert waarop Verhoeven en Reve zich naar buiten gegeven en al drinkend hun gesprek voortzetten, zij het opnieuw zonder veel animo. Verhoeven wordt door sombere gedachten overweldigd en ook Reve valt ten prooi aan treurig stemmende bespiegelingen. Bovendien komen zijn gedachten opnieuw op het Verhaal van de Meedogenloze Jongen. Hij is er vast van overtuigd dat dit geschrift alle overige geschriften overbodig zal maken, zoals ’Het boek van het violet en de dood’ alle andere boeken zal moeten overtreffen.
Nieuwe visoenen van de Meedogenloze Jongen doemen op. Met de tranen komen de mooie zinnen. Reve wil de invallen die hij heeft, noteren. Als ervaren drinker weet hij dat hij zich die morgen vergeefs zal trachten te herinneren. Hij zoekt naar iets om mee te kunnen schrijven. Al snel vindt hij een potloodstompje in de voering van zijn jas. Maar bij het zoeken naar papier stuit hij op allerlei dingen die voorvallen uit het verleden en nog treuriger makende reminiscenties bij hem oproepen. Wederom vloeien de tranen welig. En dan doemt een nieuw beeld op van de Meedogenloze Jongen, liggend in een klein tentje bij zijn paleis. De passage refereert aan Johannes 1:14: ‘Ja, het woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid.’ Of aan Apocalyps 21:3 ‘Toen hoorde ik een luide stem, die vanaf de troon riep: ‘Dit is de tent van God bij de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn, en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn.’ De Meedogenloze Jongen oogt in dit laatste visioen niet als de mooie, ongenaakbare bruut, maar als een van zijn troon gevallen god, die mens onder de mensen is geworden. Plots ontpopt de Meedogenloze Jongen zich als een gewone adolescent die even weerloos is als de jeugdige slachtoffers op wie hij zijn sadistische lusten botviert. In deze hoedanigheid wekt de Meedogenloze Jongen zelfs medelijden. Die vreemde anticlimax vertegenwoordigt het mysterie aller mysteriën voor Reve die het als zijn taak beschouwt om van dit mysterie kond te doen met opnieuw een verwijzing naar de Apocalyps: ‘Toen werd mij gezegd: “U moet opnieuw profeteren over vele volken en naties en talen en koningen”’ (Apocalyps 10:11). Aan het slot van de ‘brief’ besluit Reve wijselijk toch maar naar huis te strompelen.
De tegelijkertijd confessionele en ironische toon van Reve past naadloos bij het genre van de brief als een flard autobiografie. Zelfspot naast megalomanie. Branie gepaard aan devotie. Ook met die voor hem zo typische combinatie van absurde of hilarische humor en intense triestheid drukt Reve zijn onnavolgbare stempel op de brieven uit ‘Op weg naar het einde’ en ‘Nader tot u’. Reve verbindt uitingen van verheven, soms zelfs platonische liefde aan beschrijvingen van zo vulgair mogelijke seks. Het bekende Reve-kunstje. Zijn latere boeken zijn dan ook veelal herhalingen van hetzelfde, soms tot vervelens toe..
Reve beschrijft in ‘Brief door tranen uitgewist’ heel knap het verloop van een drinkgelag. Dat doet hij door kleine sfeerbepalende details die iedereen die wel eens op een middag is doorgezakt, onmiddellijk herkent, zoals de zinledigheid en zinloosheid van de conversatie of de variatie in het gewaarworden van de tijd die nu eens stil lijkt te staan en dan weer uren over lijkt te hebben geslagen. Er kan zich gedurende die dronken bui de welhaast mystieke, lucide gewaarwording van het één zijn met alles voordoen, een euforie teweeg brengend die weldadig aanvoelt. Anderzijds vallen er juist hiaten in de perceptie, wanneer het bewustzijn aan een soort sluimertoestand onderhevig is.
Het zijn soms de onopvallende zinnen die het werk doen bij Reve.‘We zaten dus te praten, Wimie en ik, en terwijl het licht in de kamer heel langzaam geringer werd, keek ik telkens door het raam naar buiten.’ Het besef van dit soort veranderingen in een ruimte doet de tijd als het ware stilstaan. Dan zijn er onverwachte geluksgevoelens. ‘Mikrokosmos, makrokosmos. Alles was nu bijna goed, en de kleine, klamme kamer met de thans door de afkoelende avond geleidelijk bewasemd rakende ramen en lelijke meubelen beviel me uitstekend.’ Die golven van geluk worden afgewisseld door het bewustzijn van nutteloosheid en door intense treurigheid. De overmatige bezorgdheid van de aangeschotene net voordat de echte beschonkenheid zijn intrede doet, die nuchterheid moet suggereren: ‘Natuurlijk jongen, maar laten we oppassen dat we de glazen niet omstoten in het gras – zet ze stevig neer.’ Ook manifesteren er zich visioenen die op het delirium vooruitwijzen. ‘Hoewel ik ze afweerde door telkens te gaan neuriën, kwamen de doden weer opzetten.’ Deze, op zich onopvallende beschrijvingen van de ervaringen van een drinker zijn heel treffend en grondvesten mede de kracht en klasse van Reves proza.
In de ‘Verzamelde verzen’ van Gerard den Brabander (met welks uitgave Schafthuizen uiteindelijk geen bemoeienis heeft gehad – ondanks Reve) staat in de categorie ‘Nagelaten verzen’ op bladzijde 699 het volgende versje, getiteld ‘Voor mijn vriend Gerard’: ‘Waar men van ’t Reve ook van beticht,/ het is een jongen met een goed gezicht,/ wat men van Algra niet kan zeggen./ Heer, geef de reformatie licht.’ Onder het rijmpje staat de datum 30 juli 1964. Deze, niet van vleierij gevrijwaarde versregels zijn wat de voorheen zo trotse, eigengereide ‘dichtervorst’ aan het nageslacht heeft nagelaten met betrekking tot de vruchteloze poging van ontginning van het moerasgebied van zijn geest en lijf in juli 1964 te Greonterp, provincie Friesland – onderwerp van de brief die er eigenlijk niet kan zijn.
© 2013 Leo van der Sterren
Posts tonen met het label Brief door tranen uitgewist. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief door tranen uitgewist. Alle posts tonen
maandag 8 april 2013
zaterdag 30 maart 2013
Bij een brief die er eigenlijk niet kan zijn 1
Toen Gerard Reve in december 1964 de brief voltooide waaraan hij, volgens eigen zeggen, twee maanden daarvoor begonnen was, zon hij op een titel die recht zou doen aan de inhoud van de brief. Het diende een romantische titel te zijn. De brief zou zoveel emoties bij zijn lezers oproepen dat de inkt – uit een pot, met een kroontjespen op het papier aangebracht, zoals in de jaren zestig van de vorige eeuw nog heel gebruikelijk was en zoals bij Reve gebruikelijk zou blijven – door het zilte oogvocht dat zij erop plengden zou vervloeien zodat de tekst niet langer te ontcijferen zou zijn. Hij verleende het geschrift dan ook de paradoxale titel ‘Brief door tranen uitgewist’. De brief zou er tegelijkertijd wel en niet (geweest) zijn. Maar ook als je de titel anders leest, blijft de intentie van ‘Brief door tranen uitgewist’ dezelfde. Ook als er door de auteur zoveel tranen worden vergoten dat de brief nog tijdens het schrijven wordt uitgewist, het betreft een brief die er eigenlijk niet (geweest) kan zijn.
Deze aanname – en metafoor voor vergankelijkheid, zelfs van de kunst – paste precies in de richting die Reve rond die tijd, opnieuw volgens eigen zeggen, was ingeslagen. Hij had zich namelijk tot een volbloed romanticus ontplooid. Enerzijds stond zijn werk onder het gesternte van de zwarte romantiek en de hoogromantiek, die altijd ook naar kitsch neigen. Reve zelf in een brief van 19 oktober 1964 aan de zusjes Meyer: ‘[I]k geloof, dat ik een vertegenwoordiger ben van Romantiek en Dekadentsie, eens een lelijk eendje, maar bestemd om mee te vliegen met de andere zwarte Zwanen als Poe, Hoffmann, Swinburne en ga zo maar door. Ik moet even eksakt en trefzeker van stijl blijven, maar ik geloof dat ik niet zozeer moet vertellen wat ik van mening ben, als wel getuigen wat ik zie. Niemand schijnt voor Satan op te komen, en iedereen loochent en lastert hem. Daarom ben ik gekozen om hem te dienen, geloof ik. (Voorlopig moet dat maar geheim blijven.)’
Aan de andere kant was Reves werk gelardeerd met (een romantische) ironie. Hubregtse schrijft erover in ‘Over Op Weg Naar Het Einde en Nader Tot U’ – in overigens niet al te fraai proza. ‘De rede wordt (…) door de romanticus verworpen als “maatstaf aller dingen”, maar naast gevoel et cetera wel degelijk in ere gehouden. Het behoeft geen verbazing te wekken dat deze instelling kan leiden tot een dualistische zienswijze. Aan het begin van de romantiek werd deze zienswijze sterk beïnvloed door de opvattingen van de Duitse filosoof Johann Gottlieb Fichte (1762 – 1814), en met name door diens theorie over de “intellektuelle Anschauung”. Die theorie behelst dat de mens over een tweeledig “onmiddellijk bewustzijn” beschikt, met behulp waarvan hij tegelijkertijd ten eerste, beseft dat hij hij handelt, voelt en ervaart, en, ten tweede, weet wat hij doet, voelt en ervaart. Uit dit vermogen van het beschouwende ik, zich boven het belevende, waargenomen ik te verheffen (het vermogen van het subject zich tegelijkertijd als object te zien), komt de romantische ironie voort. Dikwijls, en met betrekking tot metafysische verlangens en vragen waarschijnlijk altijd, zal de beschouwende ik constateren dat de waargenomen ik in zijn streven faalt en ontgoocheld is; dit brengt de integrale persoon tot het bewustzijn van een onoverbrugbare kloof tussen ideaal en werkelijkheid’ (‘Over Op Weg Naar Het Einde en Nader Tot U’. Amsterdam, 1980, pp. 61 – 62).
Ironie. Bij Reve is datgene wat waar is, tegelijkertijd altijd onwaar, tot het weer waar is, tot het weer onwaar is...enzovoort. Nu geldt die vaststelling voor vrijwel alle schrijvers van fictie – niemand immers heeft de waarheid in petto, en al zeker niet de vertellers van fictie die, als ze al niet aan pseudologia fantastica lijden, de waarheid altijd geweld aandoen, en dat meestentijds bij volle bewustzijn. In navolging van zijn voorbeeld Louis-Ferdinand Cëline maakt Reve dit spelen met fictie en niet-fictie tot een vast en fundamenteel onderdeel van zijn teksten. De globale geschiedenis van zijn leven vormt de basis, de rest ontspruit aan de fantasie. Zijn werk – en de brievenboeken eigenlijk als eerste, omdat de inhoud daarvan meer direct en expliciet autobiografisch overkomt dan het eerdere werk – biedt bovendien een afspiegeling van zijn door psychische eigenaardigheden getroebleerde persoonlijkheid waarbij onder andere het manisch depressieve in het oog springt. In Reves proza staat niet zelden op een en dezelfde pagina het ‘himmelhoch jauchzend’ (en het hilarische) gebroederlijk naast het ‘bis zum Tode betrübt’. Dan weer bekruipt de lezer het gevoel dat ook die hele tweeslachtigheid deel uitmaakt van het spel dat Reve speelt. Bepalen of Reve iets ernstig meent of niet, het vergt de nodige inspanningen.
Met zijn ‘Brief door tranen uitgewist’ probeert Reve de fundamentele treurnis waaraan hij lijdt, over te brengen op de lezer (maar wel altijd de kritische kanttekening van hierboven indachtig). De oorzaak van Reves verdriet is gelegen in een amalgaam van echte en gefabriceerde gevoelens en opvattingen. Schuldbewustzijn – omdat hij bestaat en omdat hij de feitelijkheid van zijn existentie geen recht doet. Heimwee en nostalgie, maar de voorwerpen van die heimwee en nostalgie zijn imaginair. Het besef van de zinloosheid van het leven. De euforie van de liefde, altijd met de keerzijde ervan: de pijnigingen die zij teweeg brengt. De treurnis kwelt hem tot in het diepst van zijn ziel, maar tegelijkertijd koestert hij zijn violette melancholie als een kostbaar kleinood.
Reves hypochondrie wordt versterkt door het overdadige gebruik van alcohol. De drinker gaat nu eenmaal door hoogste euforie en diepste droefenis. Toen Reve zijn brief schreef, in de maanden oktober tot en met december 1964, ging het niet zo denderend met hem. ‘Ik zou mij het liefste dood drinken, maar dat gaat niet zo vlug, & kost een sterk mens wel 20 à 25 jaren,’ schrijft hij in september 1964 aan Josine en Lennie Meyer. In november 1964 viel hij, na jaren van overdadig drankgebruik, ten prooi aan een delirium. De slang vergiftigde hem voor de eerste keer zodanig dat zijn bewustzijn totaal verstoord raakte – het zou niet het laatste keer zijn. Reve refereert niet expliciet aan die gebeurtenis in zijn ‘Brief door tranen uitgewist’, maar toch komen er elementen in de brief voor die aan een delirium doen denken, onder andere in de passage waarin hij een hallucinatie waarin de doden verkomen, probeert te doen verdwijnen door te neuriën.
Elk mens heeft hersenspinsels die onuitgesproken blijven – en dat niet alleen ten behoeve van het bewaren van de lieve vrede. Maar iedereen kent ze, de zogenaamde Geheime Gedachten en Gevoelens. En iedereen geeft zich wel eens over aan immorele denkbeelden en gevoelens, aan fantasieën en fantomen die het daglicht niet kunnen velen, gedachten en gevoelens die je onder de noemer van ‘innerlijk fascisme’ kunt scharen (met dank aan Lucas Hüsgen voor die term). Reve onderscheidde zich van zijn medemensen niet alleen doordat hij dingen deed die andere mensen niet zouden doen, maar ook en vooral omdat hij zijn Geheime Gedachten en Gevoelens ongegeneerd noteerde en verwerkte in geschriften die hij vervolgens de openbaarheid in lanceerde. Of misschien niet ongegeneerd. En misschien zelfs niet zonder schuldgevoelens. Maar zijn ongeremdheid en zijn lust tot provoceren wonnen het altijd van schroom en gewetensbezwaren. Theodor Holman maakt het echter wel heel kras in zijn knullige boek over Reve, ‘Geradje. Notities van een Reve-liefhebber’. ‘[L]iegen kan hij [Gerard Reve] niet. Het is het probleem van de man die volstrekt eerlijk tegenover zijn gevoelens heeft leren staan. Je zult bij Gerard nimmer enige leugen aantreffen.’ Zelfs als je deze volzinnen, vooral de eerste en de laatste, in de context op bladzijde 278 van het boek leest, is het moeilijk om de ogen droog te houden. Naast al zijn andere onhebbelijkheden gedroeg Reve zich zo ongeveer als het protoype van een pathologische leugenaar. Jan en alleman speldde hij leugens op de mouwen die bovendien niet zelden naar het megalomane neigden. Hij verzon autobiografietjes en publiceerde die fabeltjes hetgeen tot verwarring en komische situaties heeft geleid. Markies Reve, van Russische adel. Reve als Indië-veteraan. Reve als zoon van een Noorse zee-officier. Reve als biologische vader van god weet hoeveel kinderen. Reve als messias.
Wat Holman bedoelt te zeggen – maar als je iets bedoelt te zeggen, dan moet je dat ook doen – is dat Reve zich op bepaalde terreinen volkomen blootgaf en daarbij totale waarachtigheid en oprechtheid betrachtte. Reve hield zijn Geheime Gedachten en Gevoelens stelselmatig niet geheim. Je zou hem een Bardamuïst kunnen noemen, naar het hoofdpersonage van Célines roman ‘Voyage au bout de la nuit’. Zo was het een typisch kenmerk van Reve en het Revisme dat zo ongeveer elke persoon die hij tegen het lijf liep, seksuele gevoelens bij hem wekte en dat hij die gevoelens, inclusief de fantasieën die hem hielpen als hij weer eens een eredienst aan Onan wijdde, bijna systematisch neerpende. In het kader van die algehele morele ontremdheid grossierde Reve in zijn brievenboeken ‘Op weg naar het einde’ en ‘Nader tot u’ met expliciete beschrijvingen van of verwijzingen naar de niet zelden bizarre seksuele uitspattingen in het bohemièn-bestaan dat hij zijns ondanks leidde.
Vertrekpunt van de door tranen uitgewiste brief is 14 oktober 1964. toen Reve ‘3½ dag niet had gedronken’ en toen de depressie na het drinkgelag dat blijkbaar als directe aanleiding voor die depressie had gediend, zijn dieptepunt bereikt had. De datering van Reve volgend zou die zuippartij op of rond de tiende oktober moeten hebben plaatsgevonden, maar de logeerpartij waarvan gerept wordt, speelde zich in werkelijkheid in juli 1964 af (zie Reves korte brief aan Geert van Oorschot van 4 augustus 1964). Reve schrijft in ‘Brief door tranen uitgewist’ dat hij zich enkele dagen voor de 14de oktober ‘als een krankzinnige gedragen’ heeft. Of dat incident zich in juli of oktober 1964 heeft afgespeeld, blijft onduidelijk, net als de uiterlijke verschijnselen van die krankzinnigheid.
Als Reve aan maar liefst twee correspondenten opbiecht dat de depressie zwaar is, met de datum erbij, dan moet die dag zelfs naar zijn eigen maatstaven (en Reve was wel het een en ander gewend) wel tot zijn zwaarste dagen behoord hebben. Op 19 oktober brengt hij aan Josine en Lennie Meyer verslag uit over de bewuste dag. ‘Maar er komt wel eerst een geweldige depressie. Het dieptepunt was 14 oktober – D.D., staat er in de agenda, Dieptepunt Depressie betekent dat, want ik ben begonnen daarvan notietsie te maken, om te weten te komen of er een zeker periodiciteit in zit, zoals bij veel manies depressieven, zodat je er rekening mee kunt houden.’ En aan Geert van Oorschot bericht hij op 21 oktober 1964 het volgende: ‘Bijna iedereen is thans in een depressie. Het heeft met de symboliek van het jaargetijde te maken. Al mijn korrespondenten zijn tamelijk wanhopig. Ik had het dieptepunt op 14 oktober jongstleden. En elke keer denk je, dat je er nooit meer uitkomt, hoewel je beter zou moeten weten.’ Maar of Reve nu wel of niet daadwerkelijk op de veertiende oktober begonnen is met het schrijven van zijn tranenbrief, dat is niet zo van belang. Wat van belang is dat hij het begin van het schrijven eraan op die blijkbaar gedenkwaardige dag van grote depressiviteit situeert. Eclectisch uit zijn eigen leven puttend, combineert Reve in zijn ‘Brief door tranen uitgewist’ de neerslachtigheid van oktober 1964 met het gezuip van de juli van dat jaar.
De ‘Brief door tranen uitgewist’ beschrijft een droefgeestige middag en avond in Greonterp, provincie Friesland, waarop een een aantal mensen die min of meer toevallig bij elkaar zijn, het op een zuipen zet. De in Greonterp woonachtige dichter Nico Verhoeven gaf Reve de tip dat er in het dorp een woning beschikbaar was, het latere Huize Algra (naar de senator die fulmineerde tegen Reves ‘Op weg naar het einde’), nog weer later omgedoopt tot Huize ‘Het Gras’. Reve woont nog maar net in Greonterp als Nico Verhoeven zich voorneemt om de aan lager wal geraakte Amsterdamse poète maudit (in de woorden van Theun de Vries) Gerard den Brabander droog te leggen. Met dat doel voor ogen heeft Verhoeven Den Brabander (pseudoniem voor Johannes Gerardus Jofriet) overgehaald om een tijd lang in het Friese dorp te komen logeren waar de verleidingen van de spirituosa minder groot zijn dan in de grote stad en waar zich in elk geval geen Leidseplein bevindt met een Café Eijlders waar Den Brabander hof hield. Het is dan al lang geleden dat Gerard den Brabander het burgerlijke bestaan (met gezin en banen bij Philips en PTT) had ingewisseld voor een leven als dichter en bohemien dat hem in de zelfkant van de maatschappij en uiteindelijk in de goot deed belanden. In navolging van onder andere Eduard du Perron schreef Den Brabander anekdotische poëzie in de sfeer van de nieuwe zakelijkheid. Ook vertaalde hij gedichten uit het Duits en Engels. Bij mij geniet Den Brabander vooral bekendheid als vertaler van het gedicht ‘The raven’ van Edgar Allan Poe, een vertaling die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het literaire tijdschrift ’t Spuigat publiceerde en die Bob den Uyl later in zijn ‘The raven’-boekje uit 1983 ‘Hoe en waarom Edgar Allan Poe The Raven schreef’ opnam.
In de periode dat Den Brabander in Greonterp logeert, zit Reve regelmatig bij Verhoeven. Hij kookt soms ‘nieuwe aardappels’ voor de aan alcohol verslaafde dichtervorst, zoals hij in het voornoemde briefje uit augustus 1964 aan Geert van Oorschot meldt. Die aardappels duiken later weer op in ‘Brief door tranen uitgewist’. In het korte epistel aan Van Oorschot pleit Reve ook voor een heruitgave van de gedichten van Den Brabander. Reve heeft altijd een grote achting voor diens gedichten gehad, in het bijzonder de cyclus ‘De holle man’ uit 1945 die hij expliciet noemt en roemt. In 1983 dringt Reve er bij Geert van Oorschot op aan de uitgave van de verzamelde gedichten van Den Brabander door zijn vriend Joop Schafthuizen te laten bezorgen, maar dat heeft de uitgever uiteindelijk toch maar aan iemand overgelaten die in elk geval meer verstand van (letterkundige) zaken heeft (zie Nop Maas, ‘Reve. Kroniek van een schuldig leven 3. De late jaren 1975 – 2006’, bladzijdes 331 en 443/444).
© 2013 Leo van der Sterren
Deze aanname – en metafoor voor vergankelijkheid, zelfs van de kunst – paste precies in de richting die Reve rond die tijd, opnieuw volgens eigen zeggen, was ingeslagen. Hij had zich namelijk tot een volbloed romanticus ontplooid. Enerzijds stond zijn werk onder het gesternte van de zwarte romantiek en de hoogromantiek, die altijd ook naar kitsch neigen. Reve zelf in een brief van 19 oktober 1964 aan de zusjes Meyer: ‘[I]k geloof, dat ik een vertegenwoordiger ben van Romantiek en Dekadentsie, eens een lelijk eendje, maar bestemd om mee te vliegen met de andere zwarte Zwanen als Poe, Hoffmann, Swinburne en ga zo maar door. Ik moet even eksakt en trefzeker van stijl blijven, maar ik geloof dat ik niet zozeer moet vertellen wat ik van mening ben, als wel getuigen wat ik zie. Niemand schijnt voor Satan op te komen, en iedereen loochent en lastert hem. Daarom ben ik gekozen om hem te dienen, geloof ik. (Voorlopig moet dat maar geheim blijven.)’
Aan de andere kant was Reves werk gelardeerd met (een romantische) ironie. Hubregtse schrijft erover in ‘Over Op Weg Naar Het Einde en Nader Tot U’ – in overigens niet al te fraai proza. ‘De rede wordt (…) door de romanticus verworpen als “maatstaf aller dingen”, maar naast gevoel et cetera wel degelijk in ere gehouden. Het behoeft geen verbazing te wekken dat deze instelling kan leiden tot een dualistische zienswijze. Aan het begin van de romantiek werd deze zienswijze sterk beïnvloed door de opvattingen van de Duitse filosoof Johann Gottlieb Fichte (1762 – 1814), en met name door diens theorie over de “intellektuelle Anschauung”. Die theorie behelst dat de mens over een tweeledig “onmiddellijk bewustzijn” beschikt, met behulp waarvan hij tegelijkertijd ten eerste, beseft dat hij hij handelt, voelt en ervaart, en, ten tweede, weet wat hij doet, voelt en ervaart. Uit dit vermogen van het beschouwende ik, zich boven het belevende, waargenomen ik te verheffen (het vermogen van het subject zich tegelijkertijd als object te zien), komt de romantische ironie voort. Dikwijls, en met betrekking tot metafysische verlangens en vragen waarschijnlijk altijd, zal de beschouwende ik constateren dat de waargenomen ik in zijn streven faalt en ontgoocheld is; dit brengt de integrale persoon tot het bewustzijn van een onoverbrugbare kloof tussen ideaal en werkelijkheid’ (‘Over Op Weg Naar Het Einde en Nader Tot U’. Amsterdam, 1980, pp. 61 – 62).
Ironie. Bij Reve is datgene wat waar is, tegelijkertijd altijd onwaar, tot het weer waar is, tot het weer onwaar is...enzovoort. Nu geldt die vaststelling voor vrijwel alle schrijvers van fictie – niemand immers heeft de waarheid in petto, en al zeker niet de vertellers van fictie die, als ze al niet aan pseudologia fantastica lijden, de waarheid altijd geweld aandoen, en dat meestentijds bij volle bewustzijn. In navolging van zijn voorbeeld Louis-Ferdinand Cëline maakt Reve dit spelen met fictie en niet-fictie tot een vast en fundamenteel onderdeel van zijn teksten. De globale geschiedenis van zijn leven vormt de basis, de rest ontspruit aan de fantasie. Zijn werk – en de brievenboeken eigenlijk als eerste, omdat de inhoud daarvan meer direct en expliciet autobiografisch overkomt dan het eerdere werk – biedt bovendien een afspiegeling van zijn door psychische eigenaardigheden getroebleerde persoonlijkheid waarbij onder andere het manisch depressieve in het oog springt. In Reves proza staat niet zelden op een en dezelfde pagina het ‘himmelhoch jauchzend’ (en het hilarische) gebroederlijk naast het ‘bis zum Tode betrübt’. Dan weer bekruipt de lezer het gevoel dat ook die hele tweeslachtigheid deel uitmaakt van het spel dat Reve speelt. Bepalen of Reve iets ernstig meent of niet, het vergt de nodige inspanningen.
Met zijn ‘Brief door tranen uitgewist’ probeert Reve de fundamentele treurnis waaraan hij lijdt, over te brengen op de lezer (maar wel altijd de kritische kanttekening van hierboven indachtig). De oorzaak van Reves verdriet is gelegen in een amalgaam van echte en gefabriceerde gevoelens en opvattingen. Schuldbewustzijn – omdat hij bestaat en omdat hij de feitelijkheid van zijn existentie geen recht doet. Heimwee en nostalgie, maar de voorwerpen van die heimwee en nostalgie zijn imaginair. Het besef van de zinloosheid van het leven. De euforie van de liefde, altijd met de keerzijde ervan: de pijnigingen die zij teweeg brengt. De treurnis kwelt hem tot in het diepst van zijn ziel, maar tegelijkertijd koestert hij zijn violette melancholie als een kostbaar kleinood.
Reves hypochondrie wordt versterkt door het overdadige gebruik van alcohol. De drinker gaat nu eenmaal door hoogste euforie en diepste droefenis. Toen Reve zijn brief schreef, in de maanden oktober tot en met december 1964, ging het niet zo denderend met hem. ‘Ik zou mij het liefste dood drinken, maar dat gaat niet zo vlug, & kost een sterk mens wel 20 à 25 jaren,’ schrijft hij in september 1964 aan Josine en Lennie Meyer. In november 1964 viel hij, na jaren van overdadig drankgebruik, ten prooi aan een delirium. De slang vergiftigde hem voor de eerste keer zodanig dat zijn bewustzijn totaal verstoord raakte – het zou niet het laatste keer zijn. Reve refereert niet expliciet aan die gebeurtenis in zijn ‘Brief door tranen uitgewist’, maar toch komen er elementen in de brief voor die aan een delirium doen denken, onder andere in de passage waarin hij een hallucinatie waarin de doden verkomen, probeert te doen verdwijnen door te neuriën.
Elk mens heeft hersenspinsels die onuitgesproken blijven – en dat niet alleen ten behoeve van het bewaren van de lieve vrede. Maar iedereen kent ze, de zogenaamde Geheime Gedachten en Gevoelens. En iedereen geeft zich wel eens over aan immorele denkbeelden en gevoelens, aan fantasieën en fantomen die het daglicht niet kunnen velen, gedachten en gevoelens die je onder de noemer van ‘innerlijk fascisme’ kunt scharen (met dank aan Lucas Hüsgen voor die term). Reve onderscheidde zich van zijn medemensen niet alleen doordat hij dingen deed die andere mensen niet zouden doen, maar ook en vooral omdat hij zijn Geheime Gedachten en Gevoelens ongegeneerd noteerde en verwerkte in geschriften die hij vervolgens de openbaarheid in lanceerde. Of misschien niet ongegeneerd. En misschien zelfs niet zonder schuldgevoelens. Maar zijn ongeremdheid en zijn lust tot provoceren wonnen het altijd van schroom en gewetensbezwaren. Theodor Holman maakt het echter wel heel kras in zijn knullige boek over Reve, ‘Geradje. Notities van een Reve-liefhebber’. ‘[L]iegen kan hij [Gerard Reve] niet. Het is het probleem van de man die volstrekt eerlijk tegenover zijn gevoelens heeft leren staan. Je zult bij Gerard nimmer enige leugen aantreffen.’ Zelfs als je deze volzinnen, vooral de eerste en de laatste, in de context op bladzijde 278 van het boek leest, is het moeilijk om de ogen droog te houden. Naast al zijn andere onhebbelijkheden gedroeg Reve zich zo ongeveer als het protoype van een pathologische leugenaar. Jan en alleman speldde hij leugens op de mouwen die bovendien niet zelden naar het megalomane neigden. Hij verzon autobiografietjes en publiceerde die fabeltjes hetgeen tot verwarring en komische situaties heeft geleid. Markies Reve, van Russische adel. Reve als Indië-veteraan. Reve als zoon van een Noorse zee-officier. Reve als biologische vader van god weet hoeveel kinderen. Reve als messias.
Wat Holman bedoelt te zeggen – maar als je iets bedoelt te zeggen, dan moet je dat ook doen – is dat Reve zich op bepaalde terreinen volkomen blootgaf en daarbij totale waarachtigheid en oprechtheid betrachtte. Reve hield zijn Geheime Gedachten en Gevoelens stelselmatig niet geheim. Je zou hem een Bardamuïst kunnen noemen, naar het hoofdpersonage van Célines roman ‘Voyage au bout de la nuit’. Zo was het een typisch kenmerk van Reve en het Revisme dat zo ongeveer elke persoon die hij tegen het lijf liep, seksuele gevoelens bij hem wekte en dat hij die gevoelens, inclusief de fantasieën die hem hielpen als hij weer eens een eredienst aan Onan wijdde, bijna systematisch neerpende. In het kader van die algehele morele ontremdheid grossierde Reve in zijn brievenboeken ‘Op weg naar het einde’ en ‘Nader tot u’ met expliciete beschrijvingen van of verwijzingen naar de niet zelden bizarre seksuele uitspattingen in het bohemièn-bestaan dat hij zijns ondanks leidde.
Vertrekpunt van de door tranen uitgewiste brief is 14 oktober 1964. toen Reve ‘3½ dag niet had gedronken’ en toen de depressie na het drinkgelag dat blijkbaar als directe aanleiding voor die depressie had gediend, zijn dieptepunt bereikt had. De datering van Reve volgend zou die zuippartij op of rond de tiende oktober moeten hebben plaatsgevonden, maar de logeerpartij waarvan gerept wordt, speelde zich in werkelijkheid in juli 1964 af (zie Reves korte brief aan Geert van Oorschot van 4 augustus 1964). Reve schrijft in ‘Brief door tranen uitgewist’ dat hij zich enkele dagen voor de 14de oktober ‘als een krankzinnige gedragen’ heeft. Of dat incident zich in juli of oktober 1964 heeft afgespeeld, blijft onduidelijk, net als de uiterlijke verschijnselen van die krankzinnigheid.
Als Reve aan maar liefst twee correspondenten opbiecht dat de depressie zwaar is, met de datum erbij, dan moet die dag zelfs naar zijn eigen maatstaven (en Reve was wel het een en ander gewend) wel tot zijn zwaarste dagen behoord hebben. Op 19 oktober brengt hij aan Josine en Lennie Meyer verslag uit over de bewuste dag. ‘Maar er komt wel eerst een geweldige depressie. Het dieptepunt was 14 oktober – D.D., staat er in de agenda, Dieptepunt Depressie betekent dat, want ik ben begonnen daarvan notietsie te maken, om te weten te komen of er een zeker periodiciteit in zit, zoals bij veel manies depressieven, zodat je er rekening mee kunt houden.’ En aan Geert van Oorschot bericht hij op 21 oktober 1964 het volgende: ‘Bijna iedereen is thans in een depressie. Het heeft met de symboliek van het jaargetijde te maken. Al mijn korrespondenten zijn tamelijk wanhopig. Ik had het dieptepunt op 14 oktober jongstleden. En elke keer denk je, dat je er nooit meer uitkomt, hoewel je beter zou moeten weten.’ Maar of Reve nu wel of niet daadwerkelijk op de veertiende oktober begonnen is met het schrijven van zijn tranenbrief, dat is niet zo van belang. Wat van belang is dat hij het begin van het schrijven eraan op die blijkbaar gedenkwaardige dag van grote depressiviteit situeert. Eclectisch uit zijn eigen leven puttend, combineert Reve in zijn ‘Brief door tranen uitgewist’ de neerslachtigheid van oktober 1964 met het gezuip van de juli van dat jaar.
De ‘Brief door tranen uitgewist’ beschrijft een droefgeestige middag en avond in Greonterp, provincie Friesland, waarop een een aantal mensen die min of meer toevallig bij elkaar zijn, het op een zuipen zet. De in Greonterp woonachtige dichter Nico Verhoeven gaf Reve de tip dat er in het dorp een woning beschikbaar was, het latere Huize Algra (naar de senator die fulmineerde tegen Reves ‘Op weg naar het einde’), nog weer later omgedoopt tot Huize ‘Het Gras’. Reve woont nog maar net in Greonterp als Nico Verhoeven zich voorneemt om de aan lager wal geraakte Amsterdamse poète maudit (in de woorden van Theun de Vries) Gerard den Brabander droog te leggen. Met dat doel voor ogen heeft Verhoeven Den Brabander (pseudoniem voor Johannes Gerardus Jofriet) overgehaald om een tijd lang in het Friese dorp te komen logeren waar de verleidingen van de spirituosa minder groot zijn dan in de grote stad en waar zich in elk geval geen Leidseplein bevindt met een Café Eijlders waar Den Brabander hof hield. Het is dan al lang geleden dat Gerard den Brabander het burgerlijke bestaan (met gezin en banen bij Philips en PTT) had ingewisseld voor een leven als dichter en bohemien dat hem in de zelfkant van de maatschappij en uiteindelijk in de goot deed belanden. In navolging van onder andere Eduard du Perron schreef Den Brabander anekdotische poëzie in de sfeer van de nieuwe zakelijkheid. Ook vertaalde hij gedichten uit het Duits en Engels. Bij mij geniet Den Brabander vooral bekendheid als vertaler van het gedicht ‘The raven’ van Edgar Allan Poe, een vertaling die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het literaire tijdschrift ’t Spuigat publiceerde en die Bob den Uyl later in zijn ‘The raven’-boekje uit 1983 ‘Hoe en waarom Edgar Allan Poe The Raven schreef’ opnam.
In de periode dat Den Brabander in Greonterp logeert, zit Reve regelmatig bij Verhoeven. Hij kookt soms ‘nieuwe aardappels’ voor de aan alcohol verslaafde dichtervorst, zoals hij in het voornoemde briefje uit augustus 1964 aan Geert van Oorschot meldt. Die aardappels duiken later weer op in ‘Brief door tranen uitgewist’. In het korte epistel aan Van Oorschot pleit Reve ook voor een heruitgave van de gedichten van Den Brabander. Reve heeft altijd een grote achting voor diens gedichten gehad, in het bijzonder de cyclus ‘De holle man’ uit 1945 die hij expliciet noemt en roemt. In 1983 dringt Reve er bij Geert van Oorschot op aan de uitgave van de verzamelde gedichten van Den Brabander door zijn vriend Joop Schafthuizen te laten bezorgen, maar dat heeft de uitgever uiteindelijk toch maar aan iemand overgelaten die in elk geval meer verstand van (letterkundige) zaken heeft (zie Nop Maas, ‘Reve. Kroniek van een schuldig leven 3. De late jaren 1975 – 2006’, bladzijdes 331 en 443/444).
© 2013 Leo van der Sterren
Labels:
Brief door tranen uitgewist,
Gerard Reve
Abonneren op:
Reacties (Atom)