Posts tonen met het label Boekenleed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boekenleed. Alle posts tonen

donderdag 7 januari 2010

Boekenleed nummer vier

In Groot-Brittanië gebruiken mensen boeken als brandstof om hun huizen te verwarmen, ter vervanging van warmteopwekking door gas en elektriciteit, die fors duurder zijn geworden. Nu biedt elk boek in potentie toegang tot een geestelijk avontuur – dat in potentie een mensenleven kan veranderen. Elk boek dat als gevolg van oneigenlijk gebruik ten prooi valt aan vernietiging, ontneemt mensen in de toekomst de mogelijkheid om dat avontuur te ondergaan.

© 2010 Leo van der Sterren

donderdag 24 december 2009

Boekenleed nummer drie


















Ik heb een boek besteld via internet. Niets bijzonders toch? Ik bestel met enige regelmaat boeken, vooral tweedehandse, omdat die goedkoper zijn dan nieuwe – het geld groeit mij nu eenmaal niet op de rug. Maar in dit geval heb ik een order voor een gloednieuw boek geplaatst. Bij de Slegte. Het betreft een Nederlandstalige uitgave van de brieven van de beroemde Engelse dichter John Keats. Jazeker, Keats is verramsjt!

John Keats leefde van 1795 tot 1821, in de hoogtijdagen van de romantiek dus. Hij stierf veel te jong aan de gevolgen van tuberculose. Hij liet echter nogal wat gevleugelde woorden na. Bijvoorbeeld de eerste drie regels van ‘Endymion’:


‘A thing of beauty is a joy for ever:

Its loveliness increases; it will never

Pass into nothingness.’


Of deze passages uit ‘Ode on a Grecian urn’:


‘Heard melodies are sweet, but those unheard

Are sweeter’


en


‘“Beauty is truth, truth beauty,” – that is all

Ye know on earth, and all ye need to know.’


Bovendien wilde hij de oneliner ‘here lies one whose name was writ in water’ in zijn grafsteen gebeiteld hebben. Aan die eis is tegemoet gekomen. De tekst op die grafsteen in Rome zinspeelt op de vergankelijkheid van de mens. En dat terwijl de naam John Keats nog volop voortleeft omdat hij dingen van schoonheid heeft gemaakt die de tand des tijds glansrijk doorstaan hebben. De spanning tussen vergankelijkheid en onsterfelijkheid was een belangrijk thema in het werk van Keats.

Niet alleen als dichter blonk Keats uit, hij wierp zich ook op als een verwoed en begenadigd briefschrijver. Sommige passages uit de brieven zijn erg bekend geworden. Bijvoorbeeld die waarin hij het begrip ‘negative capability’ introduceert. In een brief van 21 december 1817 aan zijn broers schrijft hij: ‘I had not a dispute but a disquisition, with Dilke on various subjects; several things dove-tailed in my mind, and at once it struck me what quality went to form a Man of Achievement, especially in Literature, and which Shakespeare possessed so enormously – I mean Negative Capability, that is, when a man is capable of being in uncertainties, mysteries, doubts, without any irritable reaching after fact and reason – Coleridge, for instance, would let go by a fine isolated verisimilitude caught from the Penetralium of mystery, from being incapable of remaining content with half-knowledge. This pursued through volumes would perhaps take us no further than this, that with a great poet the sense of Beauty overcomes every other consideration, or rather obliterates all consideration.’ ‘Negative capability’ – de notie dat het leven gekenmerkt wordt door een onzekerheid waaraan niets te verhelpen valt – is een begrip dat uit deze tijd kunnen stammen in plaats van uit het begin van de negentiende eeuw. Deze constatering bevestigt mijn vermoeden dat er door de tijd heen in wezen minder verschillen tussen mensen bestaan dan wordt aangenomen en dat de verschillen die wel voorkomen, zich uiten in het dunne vernislaagje waar wij de naam beschaving aan gegeven hebben. Hoe dan ook, ik verheug me nu al op de lectuur van de brieven van John Keats.

Dat de Nederlandstalige uitgave van de brieven van John Keats in de ramsj belandt, zegt een heleboel over een heleboel dingen. En dit feit hoort onmiskenbaar thuis in de categorie ‘boekenleed’ omdat Keats het niet verdient om door een stelletje cultuurbarbaren te worden afgeserveerd – en afserveren is wat er gebeurt wanneer een boek (en daardoor in een klap de schrijver en diens uitgever) in de ramsj terecht komt. Maar een en ander betekent wel dat er een dezer dagen een prachtboek bij mij zal worden afgeleverd waarvoor ik relatief weinig heb hoeven te betalen.

© 2009 Leo van der Sterren

donderdag 26 november 2009

Nog meer leed met betrekking tot boeken



















Een middelgrote, door saai- en slaperigheid getekende, door en door grijze plattelandsgemeente met stadsallures in het diepe zuiden van Nederland, daar woon ik. Het gaat om dat deel van Nederland dat van oudsher fysiek alsmede intellectueel door de rivier de Maas en het moerasgebied de Peel van de rest van ons brave vaderland is afgescheiden. De streek is doordesemd van en in feite rijk gezegend met zowel op rooms-katholieke als op voorchristelijke leest geschoeide mythen en legenden, een mythologie constituerend die nog verregaand in de werkelijkheid wortelt. Geesten en demonen vormen een even vast als huiveringwekkend bestanddeel van die mythologie. Hun altijd onaangekondigde verschijningen jagen de bewoners van de regio regelmatig de grootste schrik aan, hetgeen niet zelden leidt tot calamiteiten, in het bijzonder bij de zwakkeren van hart. Maar afgezien van de jaarlijks terugkerende ‘hoogtepunten’ van carnaval en kermis, vormen deze intermezzo’s de enige climaxen die de donkere dufheid doorbreken en de vadsige sluimer voor even opheffen. Daarna zakt in deze regio, waar tot overmaat van ramp ook nog Geert Wilders uit afkomstig is, alles weer als een meelbaal terug in treurige gezapigheid.

De gemeente die ik mijn woonplaats moet noemen, bestaat uit een groot dorp met daar om heen gegroepeerd een aantal zogenaamde kerkdorpen. Je kunt, als je wilt, op de kerktorens navigeren. Zij vormen de oude, vertrouwde oriëntatiepunten in het gebied. Desgewenst kan de door satanische wezens belaagde buitenmens in de kerkgebouwen asiel alsook exorcisme verkrijgen. Maar voor verstandige praat en goede raad wende men zich liever tot andere instanties.

Mijn woonplaats telt drie boekwinkels. Ondanks het feit dat ik mijzelf tot de kaste van de grote boekenliefhebbers reken, vermijd ik die winkels in de regel. Het assortiment is namelijk van dien aard en orde dat ik telkens weer teleurstellingen moet incasseren. Door ondervinding weet ik inmiddels dat het boek waar op een bepaald moment mijn begeerte naar uitgaat in 99 van de 100 gevallen niet voorradig blijkt te zijn. Wanneer het wonder geschiedt dat ik toch een boek van mijn gading aantref, krijg ik steevast de vraag voorgeschoteld, als ik het boek op de toonbank leg, of het voor cadeau is. Een bron van ergernis, dat is het, die kleinsteedse vraag: ‘is het voor cadeau?’ Het is in deze plattelandse contreien blijkbaar zo ongebruikelijk om zoiets onnuts als een boek voor jezelf te kopen dat de vraag een vast onderdeel van het repertoire uitmaakt dat zo’n winkeljuffrouw of –meneer zich door nijvere oefening en repetitie eigen heeft gemaakt.

Eén ding doe ik nooit meer in de drie boekwinkels die mijn woonplaats rijk is – maar die ik in feite liever kwijt zou zijn. Als ik een door mij gewenst boek niet kan vinden, zal ik nooit ofte nimmer aan de juffrouw of meneer achter de toonbank vragen of het genoemde boek elders in de winkel te vinden is hetzij wellicht in een voor magazijnachtige doeleinden aangewend vertrek van het winkelpand ligt opgeslagen. Het antwoord op die vraag luidt altijd negatief en krijgt ook steevast het vervolg – eveneens uit die slechts met het hoognodige gevulde schatkist van winkelfrasen, maar niettemin op hoogtriomfantelijke toon geslaakt – dat men het wel kan bestellen. Dat nu, godverdomme, is mijn bezoeking. Voor mij vertegenwoordigt dat specifieke holle volzinnetje het demonische in deze regio. Het is de alomtegenwoordige spookverschijning van de bekrompenheid. De apparitie van de banaliteit. Het kruis dat ik draag en waarmee ik mij door de afgevaardigden van de kerk niet wil laten helpen, omdat ik die paapse poppenkast van bijgeloof misschien nog wel meer haat toedraag dan zijn heidense pendant. En omdat de kerk die hulp kan noch wil bieden. Dom houden, zo luidde en luidt de leus van de geïnstitutionaliseerde religie die daarmee zijn niet geringe bijdrage leverde aan kleinzieligheid en filisterdom. Nooit, nooit wil ik het nog eens horen, dat kleinsteedse, achterlijke, vunzig commerciële ‘we kunnen het wel bestellen.’

© 2009 Leo van der Sterren

dinsdag 8 september 2009

Boekenleed


In veel gevallen bepaalt de commercie wat wij, argeloze consumenten, nodig hebben. De commercie creëert de behoeften waaraan wij moeten toegeven. De commercie doet dat om geld te verdienen. Onnadenkend en ruggengraatloos als wij zijn, gaan wij daar graag in mee, vaak zonder het ons bewust te zijn. We zijn de commercie dus graag van dienst en laten ons opzadelen met dingen die we soms wel en soms ook niet nodig hebben. Een voorbeeld: in de eerste helft van de twintigste eeuw werd de televisie niet gemist, maar voor eenentwintigste-eeuwers is een bestaan zonder televisie ondenkbaar.

Nagenoeg iedereen in de westerse samenlevingen beschikt intussen over een personal computer – de volgende stap behelst dat iedereen ook een notebook moet hebben. Want ons is het idee opgedrongen dat wij vierentwintig uur per dag met de wereld in verbinding dienen te staan. En misschien is dat ook wel zo. Misschien moeten we dat ook. Ik steek mijn hand graag in eigen boezem. Tien jaar geleden had ik geen internet en miste ik het niet. Maar enige tijd geleden kon ik een middag lang niet over internet beschikken en constateerde ik bij mezelf heuse ontwenningsverschijnselen. Ik kan dus niet anders dan toegeven dat ik niet meer zonder internet kan. Erg maar waar. En de tijd nadert dat niemand zich nog op straat zal wagen zonder een instrument waarin alle functionaliteiten van mobiele telefoon, navigatiesysteem en personal computer geïntegreerd zijn.

Een ander nieuw speeltje dat de consument door de strot zal worden geduwd, is het elektronische boek. De komst van het elektronische boek zal ten koste gaan van het papieren boek. Is dat erg? Weet ik niet. Vind ik dat erg? Ja. De redenen waarom ik dat erg vind, zijn emotioneel bepaald. Wanneer door gevoelens teweeg gebrachte argumenten commercieel uitgemolken zouden kunnen worden, dan zou de commercie er wel raad mee weten. In het geval van het elektronische boek maken die motieven geen schijn van kans. De argumenten om over te gaan tot een digitale beleving van inhouden die momenteel nog op papier staan, snijden daarentegen wel degelijk hout. Het elektronische boek is in alle opzichten milieu- en gebruiksvriendelijker dan de bomen verslindende pendant.
Op het gevaar af voor een behoudend, ouderwets anachronisme versleten te worden, ga ik het behoud van het papieren boek hier toch rechtvaardigen. Elk ongeopend boek biedt in potentie een geestelijk avontuur dat door een elektronisch boek net zo goed kan worden overgebracht als door een boek in een papieren versie. Dat een boek soms niet levert wat de lezer ervan verwacht, het zij zo. Maar hoeveel exemplaren er van een boek ook gedrukt zijn, een papieren boek met zijn specifieke omslag en opmaak is als een individu waarmee de lezer een band kan opbouwen. Wanneer je aan een bepaald boek denkt, dan moet je naar een prachtige wand van boeken kunnen lopen en dat boek in de hand kunnen nemen. Je moet ernaar kunnen kijken, eraan snuffelen en erin bladeren. Je moet, als je dat wilt, passages kunnen markeren of er aantekeningen in kunnen maken. Ik heb, kortom, boeken omdat ik van boeken houd. Waarom houden mensen van schilderijen en planten en hebbedingetjes? Waarom houden mensen van elkaar?
Eén argument dat pleit voor het papieren boek, is niet door gevoel ingegeven. Het papieren boek bezit een autoriteit die mede te maken heeft met de fabricage en distributie van boeken, hetgeen een complex proces vertegenwoordigt. Het is nog maar de vraag of het elektronische boek eenzelfde status als gezaghebbende bron zal krijgen want kopieergedrag en piraterij werken wellicht verminking in de hand.

Voor mij persoonlijk vertoont datgene wat te gebeuren staat, alle kenmerken van een doemscenario. En toch zal de ontwikkeling niet te stuiten zijn. Het traditionele boek zal op termijn verdwijnen en in het kielzog daarvan de boekhandel en het bibliotheekwezen, althans in de huidige vorm. Alleen de universiteiten – reservaten van preservering – zullen nog een papieren collectie handhaven. Zowel het schrijversgilde als de boekenindustrie zal zich moeten beraden en voorbereiden op deze toedracht want de verdwijning van het traditionele boek zal de geijkte processen van boekproductie en –distributie met zich mee sleuren. Bovendien zullen er bedreigingen opdoemen die analogie vertonen met het onheil waaraan andere media momenteel bloot staan, maar die desondanks niet voorspelbaar zullen zijn.

© 2009 Leo van der Sterren